Centrale Raad van Beroep, 04-09-2018 / 17/3330 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2840

Inhoudsindicatie
Bezwaar n-o. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-04
Publicatiedatum
2018-09-25
Zaaknummer
17/3330 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

173330 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (rechtbank) van 20 maart 2017, 17/696 en 17/1388 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)



Datum uitspraak: 4 september 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken van appellante met de nummers

17/930 PW, 17/7895 PW en 18/148 PW plaatsgevonden op 20 maart 2018. Namens appellante is mr. E.C. Weijsenfeld verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath. In de zaak met nummer 17/930 PW en in de zaak met nummers 17/7895 PW en 18/148 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante is gehuwd en woont met haar niet rechtmatig in Nederland verblijvende echtgenoot (echtgenoot) en hun kinderen, waarvan de jongste is geboren [in] 1999, samen in een woning. Appellante ontvangt sinds 16 februari 2005 algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk, met ingang van 1 januari 2015, op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft vanaf 1 juli 2015 de met de PW ingevoerde kostendelersnorm op de bijstand van appellante toegepast. Daarbij zijn de meerderjarige inwonende dochter en de echtgenoot als kosten delende medebewoners aangemerkt. Dit betekent dat appellante 43,33% van de gehuwdennorm ontvangt.


1.2.

Bij besluit van 13 januari 2016, in samenhang bezien met het besluit van 27 januari 2016, heeft het college appellante van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 bijzondere bijstand verleend ter aanvulling tot 50% van de gehuwdennorm als compensatie voor de terugval in inkomen door toepassing van de kostendelersnorm. Tijdens de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 13 en 27 januari 2016 heeft het college besloten dat ook vanaf 1 juli 2016 de compensatie wordt voortgezet en wel in de vorm van een toeslag van 20% van de gehuwdennorm. De tegen de besluiten van 13 en 27 januari 2016 gemaakte bezwaren heeft het college bij besluit van 18 juli 2016 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat, gelet op de toegekende toeslag van 20% vanaf 1 juli 2016, appellante geen procesbelang meer heeft. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.


1.3.

Het college heeft, blijkens de uitkeringsspecificatie van 24 juli 2016, de toeslag van 20% op de bijstand van appellante niet uitgekeerd per 1 juli 2016, omdat de inkomenssituatie van het gezin van appellante inmiddels was gewijzigd.


1.4.

Bij besluit van 19 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college het op 15 september 2016 gemaakte bezwaar van appellante tegen de uitkeringsspecificaties van 24 juli 2016 en 24 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank op grond van de volgende overwegingen geoordeeld dat het college het bezwaar van appellante tegen de uitkeringsspecificatie van

24 juli 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Het standpunt van appellante dat haar niet mag worden tegengeworpen dat zij heeft vertrouwd op de in het besluit van 18 juli 2016 opgenomen toezegging dat haar vanaf 1 juli 2016 een toeslag zou worden verleend en dat zij voor de uitbetaling daarvan de specificatie van 24 augustus 2016 heeft afgewacht, houdt geen bijzondere omstandigheid in om de termijnoverschrijding niet verwijtbaar te achten. Appellante had immers, naar het oordeel van de rechtbank, na ontvangst van de uitkeringsspecificatie van 24 augustus 2016, tijdig, dat wil zeggen voor 4 september 2016, bezwaar kunnen maken tegen de uitkeringsspecificatie van 24 juli 2016. Over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringssituatie van 24 augustus 2016 heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het bezwaar tegen deze uitkeringsspecificatie is weliswaar tijdig ingediend, maar de uitkeringsspecificaties van 24 juli 2016 en 24 augustus 2016 zijn inhoudelijk aan elkaar gelijk. Dit maakt dat de uitkeringsspecificatie van 24 augustus 2016 bij gebreke van een gewijzigd rechtsgevolg niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Het college heeft dit bezwaar dan ook terecht

niet-ontvankelijk verklaard.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling


4.1.

Appellante heeft in hoger beroep, anders dan in bezwaar en beroep, betoogd dat zij alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van 24 augustus 2016. Reeds omdat enige onderbouwing van dit betoog ontbreekt, bestaat geen aanleiding appellante in dit gewijzigde standpunt te volgen, nog daargelaten of dit tot een ontvankelijk bezwaar zou kunnen leiden.


4.2.

Wat appellante heeft aangevoerd, komt er in essentie op neer dat het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van 24 augustus 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat appellante eerst na ontvangst van deze specificatie kon vermoeden dat het college de toeslag van 20% op de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2016 niet heeft uitgekeerd. Dit is in hoofdzaak een herhaling van wat appellante ook al in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Geen aanleiding bestaat hierover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.









BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.A.E. Bon





IvR