Centrale Raad van Beroep, 20-09-2018 / 18/486 MAW


ECLI:NL:CRVB:2018:2979

Inhoudsindicatie
Indien zou worden besloten appellante - bij wege van maatwerk, zoals zij heeft bepleit - eerder te bevorderen, zou dit betekenen dat andere militairen nog langer op hun bevordering zouden moeten wachten. Dit laatste gegeven, in combinatie met het gegeven dat - zoals de rechtbank heeft overwogen - voor appellante, in tegenstelling tot vele andere militairen, een duidelijk loopbaanpatroon geldt, dat bij goed functioneren eindigt in de rang van kapitein, brengt ook de Raad tot de conclusie dat de staatssecretaris bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen weigeren om aan appellante de door haar geambieerde functie toe te wijzen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-20
Publicatiedatum
2018-10-04
Zaaknummer
18/486 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

18/486 MAW

Datum uitspraak: 20 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 december 2017, 17/5339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Namens appellante heeft mr. E.O. Hooning-Abbas hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Arts. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N. Koster.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is in 1995 in dienst getreden bij de Koninklijke Landmacht. Sinds

1 maart 2009 is zij werkzaam bij de [naam onderdeel] ( [onderdeel] ). Aanvankelijk had zij daarbij de rang van [rang 1] . In 2013 is besloten tot een organisatiewijziging van de [onderdeel] . In dat verband is op 10 juli 2014 de nota Vulling en doorstroom [onderdeel] vastgesteld. Op basis van deze nota heeft de staatssecretaris bij besluit van 1 augustus 2014 aan appellante met ingang van 1 maart 2014 de functie toegewezen van [functie 1] bij de [onderdeel] . Daarbij is appellante per dezelfde datum bevorderd naar de rang van [rang 2] . Als verwachte einddatum is vermeld

1 maart 2017.


1.2.

Bij brief van 21 oktober 2016 heeft de staatssecretaris aan appellante meegedeeld dat haar in maart 2017 opnieuw, voor de duur van drie jaar, de functie van [functie 2] zal worden toegewezen. Vervolgens zal haar, bij voldoende functioneren, onder gelijktijdige bevordering tot adjudant, de functie van [functie 2] worden toegewezen. Voor het overige is de doorstroom binnen de [onderdeel] afhankelijk van het moment waarop het Hoofd [onderdeel] met functioneel leeftijdsontslag gaat. In ieder geval zal aan appellante bij voldoende functioneren de functie van Senior [functie 2] worden toegewezen, op voorwaarde dat zij de Specifieke Officiers Opleiding heeft gevolgd. Bij besluit van 14 maart 2017 heeft de staatssecretaris appellante met ingang van 1 maart 2017 opnieuw de functie toegewezen van [functie 1] bij de [onderdeel] . Daarbij is als verwachte einddatum vermeld

1 maart 2020.


1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft daarbij verzocht haar de mogelijkheid te bieden te solliciteren naar de naasthogere functie van [functie 2] in de rang van [rang 3] . Tijdens de bezwaarprocedure heeft de staatssecretaris bij besluit van 20 april 2017 het besluit van 14 maart 2017 in zoverre gewijzigd dat de verwachte einddatum is gesteld op 2 januari 2020.


1.4.

De staatssecretaris heeft het bezwaar bij besluit van 28 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante weliswaar specialistisch werk verricht, zoals beschreven in de nota Vulling en doorstroom [onderdeel] van 10 juli 2014, maar dat zij niet de hoedanigheid heeft van specialist. Voor haar zijn daarom de reguliere loopbaanmogelijkheden van toepassing, zoals beschreven in de nota Loopbaanmogelijkheden (interim), officieren en onderofficieren KL (2006) (nota Loopbaanmogelijkheden). In paragraaf 5.2 van dit document is onder meer vermeld dat de militair in de rang van

[rang 2] in beginsel twee functies vervult voordat een arbeidsplaats op het niveau van adjudant wordt toegewezen. Aan dit vereiste is in dit geval niet voldaan. De staatssecretaris heeft geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken. Binnen het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) bestaat slechts beperkte bevorderingsruimte. Dit is vooral aan de orde bij de doorstroom naar de rang van adjudant. Een vroegtijdige bevordering is vanuit bestandsmatige overwegingen niet te verantwoorden en is niet uit te leggen aan andere sergeanten-majoor die eveneens bevorderd willen worden. Dit geldt temeer nu appellante, anders dan collega’s buiten de [onderdeel] , doorstroom naar de officiersrangen in het vooruitzicht heeft. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens de staatssecretaris niet. De collega op wie appellante heeft gewezen, heeft gedurende vijf jaar en een maand

twee verschillende functies vervuld waaraan de rang van [rang 2] is verbonden. In dat geval was dus voldaan aan het toepasselijke vereiste dat minimaal twee functies in de rang van [rang 2] zijn vervuld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat het bestreden besluit impliciet tevens de weigering bevat om appellante de functie van [functie 2] toe te wijzen. Op grond van vaste rechtspraak (uitspraak van

7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3520) komt de staatssecretaris bij het al dan niet toewijzen van een functie, met inbegrip van de te hanteren functie-eisen, een discretionaire bevoegdheid toe. Dit brengt mee dat de toetsing door de rechter van de gebruikmaking van die bevoegdheid terughoudend moet zijn. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat het reguliere loopbaanpatroon, dat is beschreven in de nota Loopbaanmogelijkheden, op appellante van toepassing is. Uitgangspunt is daarom dat zij in beginsel twee functies waaraan de rang van [rang 2] is verbonden, moet vervullen. De [onderdeel] is een kleine organisatie-eenheid met slechts vier functies, op het niveau van [rang 2] , adjudant, luitenant en kapitein. Uit de nota Vulling en doorstroom [onderdeel] volgt dat functies binnen de [onderdeel] vanwege hun specialistische aard in beginsel door middel van verticale doorstroming worden vervuld. Dit betekent concreet dat de [rang 2] naar een hogere rang kan doorstromen als de volgende functie vacant komt; bij goed functioneren bestaat de garantie om door te stromen naar een officiersrang. Vast staat dat de functie van [functie 2] , waaraan de rang van adjudant is verbonden, vacant is en niet in geschil is dat appellante geschikt is die functie te vervullen. De staatssecretaris heeft de vacature niet opengesteld op de grond dat de ruimte om door te stromen naar de rang van adjudant beperkt is. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de staatssecretaris het organisatiebelang zwaarder laten wegen dan het persoonlijke belang van appellante. De staatssecretaris heeft mogen laten meewegen dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat minimaal twee functies op het niveau van [rang 2] zijn vervuld, dat er andere militairen zijn die langer dan appellante wachten op bevordering naar de rang van adjudant en dat appellante, in tegenstelling tot andere militairen, een duidelijk loopbaanpatroon heeft, dat bij goed functioneren eindigt in de rang van kapitein. Voor zover appellante meent dat haar ervaring vanaf 2009 had moeten worden meegewogen bij het bestreden besluit, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat als uitgangspunt moet worden genomen dat appellante vanaf 1 maart 2014 de rang heeft van [rang 2] , gelet op het besluit van 1 augustus 2014, waartegen zij niet is opgekomen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel terecht heeft afgewezen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante er nogmaals op gewezen dat zij zeer veel kennis en ervaring heeft en feitelijk de werkzaamheden verricht van de adjudantsfunctie. Zij heeft daarbij verwezen naar een schriftelijke verklaring, gedateerd 23 oktober 2017, waarin het hoofd [onderdeel] verklaart dat zij sinds 1 augustus 2015 de werkzaamheden heeft verricht die behoren bij de adjudantsfunctie, bestaande uit het opleiden, coachen en begeleiden van de nieuw geplaatste [rang 2] , alsmede het zelfstandig opstarten en uitvoeren van opsporings- en identificatieprojecten. Dat de adjudantsfunctie tot 28 februari 2017 gewoon vervuld is geweest door een collega hoefde er niet aan in de weg te staan dat zij al vóór die datum eveneens op de adjudantsfunctie werd geplaatst. Zij heeft erop gewezen dat ook de sergeant-majoorsfunctie thans een dubbele bezetting kent. In ieder geval had de adjudantsfunctie vanaf 1 maart 2017 voor haar moeten worden opengesteld. Zij heeft

haar stelling herhaald dat zij weliswaar pas in 2014 de rang van [rang 2] heeft gekregen, maar dat dit eigenlijk al veel eerder had moeten plaatsvinden. Appellant heeft verzocht om vernietiging van de aangevallen uitspraak, met de bepaling dat haar de functie van [functie 2] wordt toegewezen onder gelijktijdige bevordering tot

[rang 3] .


3.2.

De staatssecretaris heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld en verzocht deze te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop deze is gebaseerd. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt nog het volgende overwogen.


4.2.

De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van appellante - onderbouwd met de schriftelijke verklaring van haar leidinggevende - dat zij werkzaamheden behorend bij en op het niveau van de adjudantsfunctie vervult. Er kan echter niet aan worden voorbijgezien dat appellante - ondanks het specialistisch karakter van haar werkzaamheden - deel uitmaakt van het totale bestand van militairen waarvoor het reguliere loopbaanbeleid geldt zoals neergelegd in de nota Loopbaanmogelijkheden. Op haar is dan ook onverkort het beleid van toepassing dat de militair in de rang van [rang 2] minimaal twee functies vervult voordat een arbeidsplaats op het niveau adjudant wordt toegewezen. Met dit beleid zijn de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschreden. Daarbij is voorts van belang dat de doorstroom- en bevorderingsruimte naar het niveau [rang 3] beperkt is en dat jaarlijks slechts aan een gelimiteerd aantal adjudantsfuncties bevorderingsruimte wordt toegekend. Dit resulteert thans in een gemiddelde doorgroei naar adjudant na een tijdsverloop van dertien jaar, terwijl voor appellante, volgens het loopbaanpad dat voor haar is geschetst in de brief van 21 oktober 2016, een termijn van zes jaar geldt. Zoals ter zitting van de rechtbank aan de orde is geweest, is besloten om - rekening houdend met het belang van het CLAS in zijn geheel - de adjudantsfunctie bij [onderdeel] vacant te laten zodat elders bevorderingsruimte kan worden ingevuld. Indien zou worden besloten appellante - bij wege van maatwerk, zoals zij heeft bepleit - eerder te bevorderen, zou dit betekenen dat andere militairen nog langer op hun bevordering zouden moeten wachten. Dit laatste gegeven, in combinatie met het gegeven dat - zoals de rechtbank heeft overwogen - voor appellante, in tegenstelling tot vele andere militairen, een duidelijk loopbaanpatroon geldt, dat bij goed functioneren eindigt in de rang van kapitein, brengt ook de Raad tot de conclusie dat de staatssecretaris bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen weigeren om aan appellante de door haar geambieerde functie toe te wijzen.


4.3.

De slotsom luidt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) L.V. van Donk





TM