Centrale Raad van Beroep, 20-09-2018 / 17/996 WAO


ECLI:NL:CRVB:2018:2993

Inhoudsindicatie
Vaststellen indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse. De Raad is van oordeel dat het Uwv wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling de belastbaarheid van appellant met de FML niet heeft overschat. Appellant moet op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-20
Publicatiedatum
2018-10-04
Zaaknummer
17/996 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

17996 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 21 december 2016.





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)


Datum uitspraak: 20 september 2018


PROCESVERLOOP


Bij uitspraak van 29 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2907, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


Bij besluit van 21 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 22 juli 2009 vastgesteld op 38,4% en met ingang van 1 mei 2012, de datum waarop de betaling van de uitkering hervat kan worden, op 34,14%.


Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Raad. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018.


Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.



OVERWEGINGEN


1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 29 juli 2016 en de daaraan voorafgaande tussenuitspraak van 17 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2566). Hij volstaat nu met het volgende.


1.2.

Appellant is op 24 juni 2009 uitgevallen met lage rugklachten en linkerknieklachten. Per einde wachttijd is hij minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanvraag op grond van de Wet WIA tevens had moeten worden opgevat als een verzoek om een eerder door appellant ontvangen en door het Uwv met ingang van 1 februari 2004 beëindigde

WAO-uitkering te heropenen. Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2012 heeft het Uwv beslist dat er geen grond is voor heropening van de uitkering ingevolge de WAO en heeft het Uwv de afwijzing van de uitkering ingevolge de Wet WIA gehandhaafd, omdat appellant in onvoldoende mate arbeidsongeschikt is.


Uitspraak van 17 juli 2015

1.3.

Bij tussenuitspraak van 17 juli 2015 heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste beoordelingsdatum bij de toepassing van artikel 44 van de WAO en dat – in verband met de onjuiste beoordelingsdatum – nader beoordeeld moet worden of er aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO. De Raad heeft het Uwv opgedragen deze gebreken in het bestreden besluit te herstellen.


Uitspraak van 29 juli 2016

1.4.

Het Uwv heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de WAO-uitkering wordt herzien per 7 juni 2006. Dit betekent dat de ziekmelding is geschied binnen vijf jaar nadien. Wat betreft de vraag of de ziekmelding van 24 juni 2009 voldoet aan de voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit appellant eerder arbeidsongeschikt werd als bedoeld in artikel 43a van de WAO, heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv er niet in is geslaagd buiten twijfel te stellen dat de nader vastgestelde beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak. Naar het oordeel van de Raad was het bestreden besluit, waarin een ander standpunt is ingenomen, niet gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Dit brengt mee dat een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling op grond van de WAO had moeten plaatsvinden met betrekking tot de datum vier weken na 24 juni 2009. Het bestreden besluit is vernietigd en het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.


Beslissing op bezwaar van 21 december 2016

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2016 is het bezwaar gegrond verklaard, onder vergoeding van de kosten van bezwaar. Het Uwv heeft opnieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd per 22 juli 2009 en per 1 mei 2012, de datum met ingang waarvan de WAO-uitkering van appellant op grond van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen (Beleidsregels) van 17 oktober 2006 op zijn vroegst heropend kan worden. Voorts heeft op 7 november 2016 een hoorzitting plaatsgevonden in het bijzijn van de gemachtigde van appellant en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In zijn rapport van 11 november 2016 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingegaan op de medische situatie van appellant op de data 22 juli 2009 en 1 mei 2012 en zijn de voor appellant in aanmerking te nemen beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 november 2016. Omdat er geen wijzigingen in de belastbaarheid zijn geconstateerd per 1 mei 2012, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich beperkt tot één FML die voor beide data geldt. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beoordeeld wat de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO is op beide data. Per 22 juli 2009 wordt appellant voor 38,4% arbeidsongeschikt geacht, wat resulteert in een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Met ingang van 1 mei 2012, de datum waarop de betaling van de WAO-uitkering hervat kan worden omdat appellant op dat moment voldaan heeft aan de voorwaarden voor heropening als gesteld in de Beleidsregels, bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid 34,14%. Dit resulteert in een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.


2. Appellant heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hij volledig arbeidsongeschikt is, althans meer dan door het Uwv vastgesteld. Het Uwv heeft niet kenbaar rekening gehouden met de klachten aan de rug en de linkerheup. Voorts moet rekening worden gehouden met de wisselwerking tussen pijn aan de knieën, rug en heup. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte gesteld dat de belastbaarheid van appellant op 1 mei 2012 ongewijzigd is ten opzichte van 22 juli 2009. In 2009 bestonden alleen klachten aan de linkerknie, in 2012 begon de rechterknie ook klachten te geven. Ook is door de huisarts in 2012 melding gemaakt van toegenomen prikkelbaarheid en slecht slapen. Verder heeft appellant gewezen op een brief van neuroloog Schelhaas van 21 december 2012, waarin de duizeligheid van appellant wordt genoemd. Daarnaast heeft appellant nog gesteld dat hij voor een aantal aspecten meer beperkt is (klimmen, knielen, zitten, geknield of gehurkt actief zijn, gebogen of getordeerd actief zijn en afwisseling van houding). Appellant heeft verzocht een medisch deskundige te benoemen. Aansluitend is gesteld dat de geselecteerde functies niet passend zijn.



3. De Raad komt tot het volgende oordeel.


3.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hiertoe wordt als volgt overwogen. Appellant heeft gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de wisselwerking die de pijn aan de knieën, de rug en de heup op elkaar hebben. Het Uwv wordt gevolgd in de stelling dat met de afzonderlijke in de FML opgenomen beperkingen daarin afdoende is voorzien, waarbij meeweegt dat appellant zijn stelling dat die wisselwerking noopt tot extra beperkingen niet medisch heeft onderbouwd.


3.2.

Over de stelling van appellant dat zijn beperkingen tussen de beide data in geding zijn toegenomen, wordt als volgt overwogen. Appellant baseert deze stelling op het ontstaan van klachten aan zijn rechterknie. Hij heeft zich in juli 2012 bij de huisarts gemeld met klachten aan de rechterknie. In het huisartsenjournaal is hierover vermeld dat onderzoek op dat moment geen zichtbare afwijkingen of bewegingsbeperking liet zien. Wel was er sprake van pijn op wisselende plekken. Op een röntgenfoto van de rechterknie waren geen afwijkingen te zien behalve lichte chondropathie. Op grond van deze gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen concluderen dat, wat er ook zij van de klachten, de beperkingen niet zijn toegenomen. Overigens wordt het Uwv gevolgd in de stelling dat, nu een beperking voor één knie is vastgelegd in de FML en de FML geen onderscheid maakt tussen beperkingen aan één of aan beide knieën, de facto rekening is gehouden met de klachten aan de rechterknie. Over de stelling dat de beperkingen zijn toegenomen omdat sprake is van toegenomen prikkelbaarheid en slecht slapen, wordt overwogen dat appellant hiervan bij de huisarts pas in december 2012, dus na de tweede datum in geding, melding heeft gemaakt.


3.3.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of beperkingen moeten worden aangenomen in verband met duizeligheidsklachten als gevolg van ataxie. Appellant heeft in dit verband gewezen op een brief van neuroloog Schelhaas van 8 april 2015. Deze is besproken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 2 mei 2017, waarbij ook is betrokken de berichtgeving van neuroloog Zwanikken uit november 2011. Wat daar ook van zij, in de FML is een beperking vastgelegd voor werken met verhoogd persoonlijk risico waardoor aan deze grond reeds tegemoet is gekomen. Dat deze beperking is opgenomen in verband met cannabisgebruik, doet daar niet aan af.


3.4.

De overige door appellant in hoger beroep aanvullende beperkingen zijn niet onderbouwd met nadere gegevens, zodat deze onvoldoende aanknopingspunten bieden om tot een ander oordeel te komen.


3.5.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij in deze procedure zonder benoeming van een onafhankelijke deskundige achterstand oploopt en dat hij bij gebreke van benoeming van een deskundige geen eerlijk proces krijgt. Hiertoe wordt onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, overwogen dat appellant in de procedure voldoende ruimte heeft gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt en deze ruimte ook heeft benut. Niet kan worden gezegd dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv. Dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij het overleggen van medische informatie die een ander licht op de zaak kan werpen dan het Uwv daarover heeft doen schijnen en in die zin in bewijsnood is komen te verkeren, is niet gebleken. Ook overigens is niet aannemelijk dat medische formatie heeft ontbroken waardoor de rechter geen goed beeld van de beperkingen van appellant heeft kunnen krijgen.


3.6.

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling de belastbaarheid van appellant met de FML van 14 november 2016 niet heeft overschat.


3.7.

Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling en de daartegen aangevoerde gronden wordt als volgt overwogen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft tweemaal het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd voor de twee data in geding. Bepalend voor de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum 22 juli 2009 zijn de functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), conciërge (SBC-code 261010) en electronicamonteur (SBC-code 267040). Bepalend voor de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum 1 mei 2012 zijn, naast wederom de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), de functies machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en snackbereider (SBC-code 111071).


3.8.

Appellant heeft gesteld dat wegens de beperking voor arbeid met verhoogd persoonlijk risico de functie soldering technician (SBC-code 111180) niet passend is. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft de functie passend geacht ondanks de signalering, omdat niet gesteld kan worden dat appellant geen soldeerboutje kan vasthouden en het gebruik daarvan in geringe mate voorkomt. Daar komt bij dat appellant op 21 december 2012 bij neuroloog Schelhaas heeft toegelicht dat het roken van cannabis de aanvallen van duizeligheid in frequentie heeft doen afnemen, dat hij om financiële redenen is gestopt met het gebruik van cannabis, dat hij meer hinder is gaan ondervinden van de aanvallen, maar dat de slaappillen die hij de afgelopen periode heeft gekregen de situatie hebben doen verbeteren. Wat er ook zij van de vraag of die verbetering heeft plaatsgevonden na 1 mei 2012, zoals appellant heeft gesteld, Schelhaas heeft geconcludeerd dat de aanvallen hooguit enkele seconden duren, waarbij appellant volkomen helder bij bewustzijn blijft en dat de aanvallen worden uitgelokt door houdingsverandering. Tijdens het solderen zal geen sprake zijn van houdingsverandering en bij een aanval blijft appellant bij bewustzijn. De Raad onderschrijft om deze redenen de visie van het Uwv dat de functie passend kan worden geacht.


3.9.

Met betrekking tot de gronden die zien op een noodzaak tot het kunnen vertreden heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht opgemerkt dat de functie geen signaleringen kent op het punt van zitten.


3.10.

Appellant heeft over de functies met de SBC-code 264122 gesteld dat in die functies te veel moet worden geknield. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van

11 mei 2017 uiteengezet dat in die functies geen sprake is van meerdere uren per dag knielen, zoals appellant veronderstelt, maar van een incidentele belasting. In de FML is als toelichting bij de beperking genoteerd dat appellant niet kan hurken, maar wel incidenteel kan knielen om bijvoorbeeld iets van de grond op te rapen. Ook over de overige punten heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de functies toch passend zijn. Dat geldt ook voor de functie conciërge (SBC-code 261010).


3.11.

Met betrekking tot de stelling dat de functies de belastbaarheid wat betreft traplopen overschrijden, wordt als volgt overwogen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op

14 juni 2018 gerapporteerd dat appellant beperkt is geacht op dit onderdeel en dat hij ten minste in een keer de trap op of af kan. In de CBBS-methodiek wordt dan de waarde gekozen waarbij minimaal vier maal per uur traplopen mogelijk is, waarbij wordt uitgegaan van vijftien treden. Bij een lagere frequentie is een hoger aantal treden mogelijk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt gevolgd in het standpunt dat de functies passend zijn.


3.12.

Op basis van de beschikbare gegevens is aannemelijk gemaakt dat appellant op

22 juli 2009 en op 1 mei 2012 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.


4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van

21 december 2016 ongegrond moet worden verklaard.


5.1.

Omdat het Uwv pas na het instellen van hoger beroep een afdoende motivering van het besluit op bezwaar van 21 december 2016 heeft gegeven bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.


5.2.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.


5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.


5.4.

In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak uitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van. Vanaf het besluit op bezwaar van 27 september 2012 tot de uitspraak van de Raad van 17 juli 2015 is minder dan drie en een half jaar verstreken. Na de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brieven van 29 september 2015 en 7 oktober 2015 een nader standpunt ingenomen. Vanaf dat moment tot aan de uitspraak van de Raad van 29 juli 2016 is minder dan een jaar verstreken.


5.5.

In een geval als dit, waarin vervolgens een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn eveneens in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.


5.6.

De Raad neemt voor de vraag of na het besluit op bezwaar van 21 december 2016 sprake is van overschrijding van de redelijke termijn de periode vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift in aanmerking. De nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure na toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bedraagt anderhalf jaar.


5.7.

In dit geval heeft de behandeling vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift op

30 januari 2017 tot deze uitspraak een jaar en bijna acht maanden geduurd. Dat is een overschrijding met minder dan twee maanden. Deze overschrijding dient te worden toegerekend aan de Staat. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door de Staat aan appellant te betalen vergoeding van geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op € 500,-.


5.8.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond

88 maanden geduurd en daarmee is de redelijke termijn, met 40 maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een totale schadevergoeding van

€ 3.500,-. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag € 3.000,-.













BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 2016 ongegrond;
  • - veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
  • - veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 3.000,-;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- aan appellant vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.




(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum




(getekend) H. Achtot




KS