Centrale Raad van Beroep, 19-10-2018 / 17/2066 WWB-V


ECLI:NL:CRVB:2018:3230

Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-10-19
Publicatiedatum
2018-10-30
Zaaknummer
17/2066 WWB-V
Procedure
Verzet
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2018

17/2066 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2016, 14/5431







Partijen:


[verzoeker 1] en [verzoeker 2] te [woonplaats] (verzoekers)


het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)


PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met

artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht van 13 maart 2018 heeft de Raad het door verzoekers ingediende verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard.


Verzoekers hebben verzet gedaan.


Het verzet is behandeld ter zitting van 7 september 2018. [verzoeker 1] is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 13 maart 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekers niet in verzuim zijn geweest.


Voorafgaand aan de uitspraak van 13 maart 2018 is het door verzoekers gedane beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht afgewezen, omdat uit de door verzoekers overgelegde stukken blijkt dat zij niet aan de daaraan geldende criteria voldoen.


In verzet hebben verzoekers - samengevat weergegeven - te kennen gegeven dat het door de Raad gehanteerde criterium bij de beoordeling van de vraag of een betrokkene in aanmerking komt voor vrijstelling van het griffierecht in verband met betalingsonmacht geen correcte toepassing is van de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282. Voor zover dat criterium wel een juiste toepassing is van deze uitspraak leidt deze toepassing naar de mening van verzoekers tot schending van de toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zou moeten worden uitgegaan van het criterium van de beslagvrije voet.


De Raad heeft in zijn uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, geoordeeld dat bij onvoldoende financiële draagkracht heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, welk belang mede ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM kan in deze situatie niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. De Raad heeft voor die gevallen beslist welke criteria in bestuursrechtelijke zaken gehanteerd worden bij een beroep op betalingsonmacht. Om voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking te komen moet een rechtzoekende aannemelijk maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt

dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang.




Vaststaat dat verzoekers bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Verzoekers ontvingen samen op het moment dat zij griffierecht verschuldigd waren, per maand

€ 1.333,78 aan uitkering. Daarbij is niet van belang of verzoekers samen een verzoek om herziening indienen dan wel of zij individueel een dergelijk verzoek doen. In beide gevallen doet zich de situatie voor dat beide verzoekers gezamenlijk in aanmerking zijn gebracht voor bijstand naar de norm voor gehuwden. Anders dan verzoekers menen leidt de aangehaalde uitspraak van 13 februari 2015 er niet toe dat in hun situatie voor elk van verzoekers moet worden uitgegaan van een inkomen gebaseerd op de helft van de gehuwdennorm dan wel van het door verzoekers genoemde criterium van de beslagvrije voet.


Met de genoemde uitspraak van 13 februari 2015 heeft de Raad zich expliciet uitgesproken over het in acht te nemen criterium bij de beoordeling van de vraag wanneer een situatie van betalingsonmacht een belemmering vormt van het verdragsrechtelijk gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Er bestaat geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Raad bij uitspraak van 13 februari 2015 heeft gedaan.


Op basis hiervan voldoen verzoekers niet aan de criteria voor betalingsonmacht en is het beroep op betalingsonmacht terecht afgewezen.


Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.


Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018.




(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) C.A.E. Bon





MD