Centrale Raad van Beroep, 24-10-2018 / 17/4142 WLZ


ECLI:NL:CRVB:2018:3324

Inhoudsindicatie
CAK heeft niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van evenredige belangenafweging gehandeld door niet gedeeltelijk van de invordering van het bedrag van € 11.115,94 af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-10-24
Publicatiedatum
2018-10-30
Zaaknummer
17/4142 WLZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

174142 WLZ


Datum uitspraak: 24 oktober 2018



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

25 april 2017, 16/2944 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


CAK



PROCESVERLOOP


Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door [naam X], heeft

mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. Namens appellant zijn verschenen mr. van der Kleij en [naam X]. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Boersma.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in 1989, heeft in de periode van 29 januari 2011 tot en met

2 juni 2015 zorg met verblijf ontvangen van Stichting [naam stichting]. In verband hiermee was hij voor de jaren 2012, 2013 en 2014 op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en het Bijdragebesluit zorg en voor het jaar 2015 op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en het Besluit langdurige zorg maandelijks een eigen bijdrage verschuldigd.


1.2.

CAK heeft bij besluit van 28 december 2015 de eigen bijdrage per 1 januari 2012 vastgesteld op € 292,98 per maand. Bij besluit van diezelfde datum heeft CAK de eigen bijdrage per 1 januari 2013 vastgesteld op € 370,26 per maand. CAK heeft bij besluit van

29 december 2015 de eigen bijdrage per 1 januari 2014 vastgesteld op € 375,93 per maand. Bij besluit van 5 januari 2016 heeft CAK de eigen bijdrage voor de periode van

1 januari 2015 tot en met 2 juni 2015 vastgesteld op € 422,18 per maand. Vervolgens heeft CAK met een factuur van 19 januari 2016 een bedrag van in totaal € 14.608,70 van appellant nagevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de verschuldigde eigen bijdragen voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 2 juni 2015.


1.3.

Het door appellant tegen de besluiten van 28 december 2015, 29 december 2015 en

5 januari 2016 gemaakte bezwaar is door CAK mede gericht geacht tegen de factuur van

19 januari 2016. Bij besluit van 23 mei 2016 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen de besluiten van 28 december 2015, 29 december 2015 en 5 januari 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de factuur van 19 januari 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard. CAK heeft gesteld dat hij voor de vaststelling van de eigen bijdrage afhankelijk is van de gegevens van verschillende partijen, waaronder het zorgkantoor. In dit geval is een probleem opgetreden, omdat een persoonsverwisseling heeft plaatsgevonden tussen appellant en zijn vader. Pas op 15 september 2015 heeft CAK van het zorgkantoor vernomen dat appellant vanaf 29 januari 2011 in een zorginstelling verblijft. CAK heeft daarna zo spoedig mogelijk de eigen bijdrage voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 2 juni 2015 vastgesteld. Voor het jaar 2012 heeft deze vaststelling binnen een redelijke termijn plaatsgevonden en voor de jaren 2013, 2014 en 2015 binnen de in de regelgeving gestelde termijn van 24 maanden nadat CAK in kennis is gesteld van het verlenen van de zorg. Volgens CAK is in dit verband geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Bij afweging van alle betrokken belangen heeft CAK geconcludeerd dat het onevenredig zwaar is om de vastgestelde eigen bijdrage voor het jaar 2012 in te vorderen en heeft van deze invordering afgezien. Voor de jaren 2013, 2014 en 2015 heeft CAK de eigen bijdrage geïnd binnen de geldende termijn van 36 maanden en valt de belangenafweging in het nadeel van appellant uit. CAK heeft de factuur van

19 januari 2016 herroepen en een bedrag van in totaal € 11.115,94 nagevorderd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover in dit geval van belang heeft de rechtbank daartoe overwogen dat de periode waarover de eigen bijdrage kan worden ingevorderd voor de jaren 2013 en 2014 niet wettelijk is begrensd en dat CAK voor het jaar 2015 binnen de termijn van 36 maanden is gebleven. De Algemene wet bestuursrecht, de AWBZ en de Wlz voorzien niet in een bevoegdheid voor CAK om de geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden of om van invordering daarvan af te zien. Het beroep dat appellant in dit verband op het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gedaan slaagt niet. Verder heeft CAK op consistente wijze toepassing gegeven aan het beleid in de Beleidsregel CAK inning eigen bijdrage AWBZ en Wmo. Van omstandigheden op grond waarvan CAK had moeten afwijken van zijn beleid is niet gebleken. CAK heeft voldoende rekening gehouden met de financiële situatie van appellant.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat CAK zijn bevoegdheid tot invordering moet uitoefenen met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van evenredige belangenafweging. Over het zorgvuldigheidsbeginsel heeft appellant aangevoerd dat CAK reeds lange tijd op de hoogte was van de persoonsverwisseling, maar heeft nagelaten daaromtrent zorgvuldig op te treden en verdere fouten te voorkomen. Aan dit zorgvuldigheidsgebrek diende CAK bij de invordering gevolgen te verbinden. Over de evenredige belangenafweging heeft appellant aangevoerd dat bij de invordering de bescherming die voortkomt uit de wettelijke beslagvrije voet niet volstaat, omdat de eigen bijdrage een financiële last vormt die daarin niet wordt verdisconteerd. Appellant heeft slechts een geringe aflossingscapaciteit, waardoor de afbetalingsregeling een onevenredig lange duur van achttien en een half jaar kent. CAK heeft onvoldoende rekening gehouden met de financiële situatie van appellant ten tijde van de invordering. Appellant heeft verder verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het reeds afgeloste bedrag.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is de vaststelling van de eigen bijdrage voor de periode van

1 januari 2012 tot en met 2 juni 2015 niet in geschil. Evenmin is in geschil dat CAK in dit geval geen bevoegdheid tot kwijtschelding van de geldschuld heeft. Zoals appellant ter zitting heeft toegelicht is uitsluitend in geschil of CAK in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van evenredige belangenafweging heeft gehandeld door niet gedeeltelijk van de invordering van het bedrag van € 11.115,94 af te zien.


4.2.

In dit verband is van belang dat CAK met appellant, naar aanleiding van zijn cijfermatig onderbouwde verzoek daartoe, een betalingsregeling heeft getroffen van € 50,- per maand. CAK heeft ter zitting te kennen gegeven dat, als sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, de betalingsregeling kan worden herzien en dat onderzoek naar de draagkracht van appellant kan plaatsvinden. CAK moet bij de invordering van de geldschuld rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Onder deze omstandigheden wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van evenredige belangenafweging zijn geschonden.


4.3.

Uit wat is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding is geen grond.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) B. Dogan





MD