Centrale Raad van Beroep, 31-10-2018 / 13/6345 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:3409

Inhoudsindicatie
Geen onderzoek door reumatoloog, appellant is tweemaal door persoonlijke omstandigheden niet verschenen op de oproep. Bij comparitie meegedeeld niet meer te willen meewerken aan onderzoek door een reumatoloog. In overleg met partijen is verzekeringsarts ingeschakeld. Een aantal vragen is niet beantwoord, omdat machtiging voor opvragen informatie behandelend sector niet retour is gezonden. In rapport heeft deskundige uiteengezet dat de belastbaarheid in FML van 25 april 2013 een juiste weergave is van de voor appellant geldende beperkingen op de in deze zaak relevante data. Geen aanwijzing voor aannemen psychische beperkingen of meer fysieke beperkingen dan aangenomen. De aanwezige twijfel is niet volledig verdwenen, echter met toepassing van artikel 8:31 van de Awb niet in het voordeel van appellant worden uitgelegd. Medische grondslag bestreden besluit is op voldoende en draagkrachtige motivering gebaseerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-10-31
Publicatiedatum
2018-11-01
Zaaknummer
13/6345 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

136345 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 oktober 2013, 13/5063 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 31 oktober 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd antwoord gegeven op vragen van de Raad.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.H. Visser.


Het onderzoek is heropend na de zitting. Appellant heeft nadere medische informatie ingezonden. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarop gereageerd. Partijen hebben nogmaals hun standpunten uiteengezet.


Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 2 maart 2016. Namens appellant is mr. Van de Wetering verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.


Het onderzoek is heropend na de zitting.


De Raad heeft reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn als deskundige benoemd met de opdracht appellant te onderzoeken, kennis te nemen van het dossier en antwoord te geven op vragen van de Raad.


Nadat appellant zowel op 4 januari 2017 als op 3 mei 2017 om persoonlijke redenen geen gehoor had gegeven aan de opdracht van de deskundige om te verschijnen, is op 17 januari 2018 een comparitie gehouden. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader en mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.


Zoals afgesproken tijdens de comparitie is vervolgens verzekeringsarts L. Greveling‑Fockens benoemd als deskundige met de opdracht kennis te nemen van het dossier, in overleg te treden met een ter zake deskundige reumatoloog en om antwoord te geven op vragen van de Raad.


De deskundige heeft op 13 juni 2018 rapport uitgebracht.


Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1984 en is bekend met psoriasis en artritis psoriatica. Naar aanleiding van een aanvraag om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2010) is appellant op 8 oktober 2012 gezien op het spreekuur van een aan het Uwv verbonden verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft aangenomen dat voor appellant sinds 1 januari 2007 beperkingen tot het verrichten van arbeid gelden. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld van de voor appellant op 1 januari 2007, per datum einde wachttijd (52 weken na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag) en per 7 januari 2013 geldende beperkingen. Arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat de theoretische verdiencapaciteit van appellant nihil was, omdat er onvoldoende functies waren te selecteren. Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 7 januari 2013 in aanmerking gebracht voor een Wajong‑uitkering.


1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat bij dat besluit tevens is vastgesteld dat appellant wel kan werken. Volgens appellant heeft hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek van appellant op 25 april 2013 een nieuwe FML opgesteld, waarbij minder beperkingen tot het verrichten van arbeid zijn aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de op 25 april 2013 opgestelde FML diverse functies geselecteerd waarmee appellant in staat is 100% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij besluit van 15 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 januari 2013 ongegrond verklaard en met ingang van 16 juli 2013 het participatieplan en het recht op inkomensondersteuning ingetrokken.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij op de verschillende van belang zijnde data niet in staat was om ook fysiek niet al te zware arbeid te verrichten. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat gelet op de door appellant gevolgde opleidingen op basis van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) een hoger maatmaninkomen dan het minimumloon van toepassing is.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een eigen onderzoek verricht, alle informatie uit de behandelend sector meegewogen en inzichtelijk gemotiveerd waarom hij tot iets minder beperkingen tot het verrichten van arbeid is gekomen dan de verzekeringsarts. Verder bestaat volgens het Uwv, gelet op artikel 6, vierde lid, van het Schattingsbesluit, geen aanleiding om van een ander maatmaninkomen dan het minimumloon uit te gaan, omdat appellant weliswaar is begonnen aan het volgen van diverse universitaire opleidingen, maar geen van deze opleidingen met een diploma heeft afgerond.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hoger beroep heeft de discussie tussen partijen zich toegespitst op de vraag hoe ernstig de aandoeningen van appellant zijn en tot welke beperkingen die aandoeningen aanleiding geven. Die discussie is terug te vinden in de zich in het dossier bevindende medische stukken van de behandelend internist, de behandelend reumatoloog en de aan het Uwv verbonden verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad heeft aanvankelijk een reumatoloog en later een verzekeringsarts ingeschakeld om meer informatie te krijgen over de implicaties van de artritis psoriatica, over het verloop van het ziektebeeld van appellant en over de gevolgen daarvan voor het vaststellen van de belastbaarheid van appellant. Verder was ook onduidelijk of en zo ja, tot welke implicaties op psychisch vlak deze aandoening voor appellant heeft geleid.


4.2.

Onderzoek door de reumatoloog heeft niet plaats kunnen vinden, omdat appellant tweemaal door persoonlijke omstandigheden niet is verschenen op de oproep van de reumatoloog en tijdens de comparitie heeft meegedeeld niet meer te willen meewerken aan een onderzoek door een reumatoloog. In overleg met partijen is vervolgens een verzekeringsarts ingeschakeld die een aantal vragen niet heeft kunnen beantwoorden, omdat appellant een machtiging voor het opvragen van informatie bij de behandelend sector niet retour heeft gezonden aan de verzekeringsarts.


4.3.

De als deskundige ingeschakelde verzekeringsarts Greveling-Fockens heeft in haar rapport met een uitvoerige en goed te volgen motivering uiteengezet dat de belastbaarheid zoals neergelegd in de op 25 april 2013 opgemaakte FML een juiste weergave is van de voor appellant geldende beperkingen op de in deze zaak relevante data. In het bijzonder is van belang dat voor het aannemen van psychische beperkingen geen aanwijzing kan worden gevonden in de in het dossier aanwezige medische stukken. En evenmin kan in die stukken een aanwijzing worden gevonden voor het aannemen van meer fysieke beperkingen als gevolg van de bij appellant aanwezige aandoeningen.


4.4.

De twijfel die aanleiding heeft gegeven voor het inschakelen van een deskundige is niet volledig verdwenen, maar onder de gegeven omstandigheden kan die twijfel met toepassing van artikel 8:31 van de Awb niet in het voordeel van appellant worden uitgelegd.


4.5.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de slotsom dat de medische grondslag van het bestreden besluit op een voldoende en draagkrachtige motivering is gebaseerd. Het argument dat een onjuist maatmaninkomen is gehanteerd heeft het Uwv terecht en op juiste gronden weerlegd. Dat betekent dat het bestreden besluit ook in dit opzicht voldoende en daadkrachtig is gemotiveerd.


5. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2018.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) M.D.F. Smit-de Moor




IJ