Centrale Raad van Beroep, 30-10-2018 / 16/6707 WWB


ECLI:NL:CRVB:2018:3422

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand omdat appellant feitelijk niet meer op het uitkeringsadres verblijft.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-10-30
Publicatiedatum
2018-11-05
Zaaknummer
16/6707 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

166707 WWB


Datum uitspraak: 30 oktober 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 september 2016, 15/3966 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Seme, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seme. Als tolk is verschenen M. Cordes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Wal.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 22 mei 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant stond ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres) en huurde daar een kamer.


1.2.

Naar aanleiding van een rechtmatigheidsonderzoek, waaruit naar voren was gekomen dat appellant in augustus 2014 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en dit niet heeft doorgegeven aan het college, heeft het college bij brief van 23 september 2014 appellant verzocht om nadere informatie over zijn inkomsten. De brief is retour ontvangen door het college.


1.3.

Op 25 september 2014 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met zijn bijstandsconsulente. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat hij uit huis is gezet. Hij kon desgevraagd niet zeggen waar hij wel verbleef. De bijstandsconsulente heeft appellant toen meegedeeld dat hij zich zo snel mogelijk elders in [gemeente] moet inschrijven, omdat de bijstand wordt beëindigd als er geen adres bekend is. De bijstandsconsulente heeft vervolgens navraag gedaan bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente Zaanstad. Daaruit is naar voren gekomen dat de verhuurder op 18 september 2014 bij de afdeling Burgerzaken heeft gemeld dat appellant vanaf 1 september 2014 niet meer op het uitkeringsadres woont en dat het de verhuurder onbekend is waar appellant wel woont.


1.4.

Bij besluit van 24 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2014 ingetrokken. Aan de intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds 1 september 2014 niet meer woonachtig is op het uitkeringsadres en desgevraagd niet heeft doorgegeven waar hij dan wel verblijft. Hierdoor heeft appellant het college de mogelijkheid ontnomen om zijn feitelijke verblijfplaats te controleren. Appellant heeft niet onverwijld en uit eigen beweging informatie verstrekt over zijn hoofdverblijf. Daardoor heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2014 tot en met 24 november 2014.


4.2.

Voorop staat dat een belanghebbende verplicht is juiste en volledige informatie over zijn woon- en verblijfsituatie te verschaffen, aangezien die gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.


4.3.

Vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode feitelijk niet op het uitkeringsadres woonachtig was. Appellant heeft betwist dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en heeft daartoe aangevoerd dat hij bij zijn bijstandsconsulente tijdig melding heeft gemaakt van zijn situatie.


4.4.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant eerst op 25 september 2014 telefonisch contact heeft opgenomen met zijn bijstandsconsulente en heeft doorgegeven dat hij uit huis is gezet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder, omstreeks 1 september 2014, melding heeft gemaakt van zijn veranderde woonsituatie. Dat sprake zou zijn van een gebrekkige communicatiewijze dan wel gebrekkige interne informatieoverdracht bij de gemeente heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt. De gedingstukken bieden hiervoor ook geen aanknopingspunten. Daarbij moet worden aangetekend dat het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van appellant - als bijstandsgerechtigde - is om een wijziging in de woon- en leefsituatie op de juiste wijze door te geven. Appellant heeft tijdens het telefonisch gesprek op 25 september 2014 en ook nadien geen opgave gedaan van zijn feitelijke woonadres en/of verblijfplaats. Gelet hierop heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft geen concrete en verifieerbare gegevens over zijn feitelijk woonadres en/of verblijfplaats vanaf 1 september 2014 verstrekt.


4.6.

Gelet op 4.5 heeft het college terecht geconcludeerd dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2018.




(getekend) M. Hillen




(getekend) J.M.M. van Dalen





IJ