Centrale Raad van Beroep, 14-11-2018 / 17/7544 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2018:3563

Inhoudsindicatie
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel en verwijst daarnaar. Niet significant afwijkende handtekeningen. Gang van zaken heeft zorgkantoor geen aanleiding moeten geven om bij appellante nadere informatie in te winnen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-14
Publicatiedatum
2018-11-16
Zaaknummer
17/7544 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

177544 AWBZ





Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2017, 17/62 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)



Datum uitspraak: 14 november 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Rotgans, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Voor appellante is mr. Rotgans verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is geboren [in] 1928. Zij ontving in de periode van 31 januari 2013 tot 9 oktober 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding individueel (klasse 1) en persoonlijke verzorging (klasse 3) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het aanvraagformulier is ondertekend op 20 maart 2013. Bij besluit van 3 juli 2013 is het aangevraagde pgb verleend. Per 9 oktober 2013 is het pgb beëindigd en omgezet in Zorg in Natura.


1.2.

Bij besluit van 4 maart 2015 is het pgb van appellante over de periode waarover dit is verleend vastgesteld op € 0,-. Het uitbetaalde bedrag van € 6.642,92 is daarbij teruggevorderd.


1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 4 maart 2015 bezwaar gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat er geen aanvraag van appellante tot stand is gekomen. Zij heeft de aanvraag niet ondertekend. De handtekening is niet goed gecontroleerd en vergelijking tussen de handtekening op het aanvraagformulier en het identiteitsbewijs is niet goed mogelijk omdat op de kopie van die laatste de handtekening niet goed zichtbaar is. Een van de dochters van appellante heeft de aanvraag ingediend en het pgb laten overmaken naar een bankrekening die zij voor appellante heeft geopend en waarvoor zij gemachtigd was voor het verrichten van transacties. Gevoegd bij de medische situatie van appellante had het zorgkantoor de aanvraag kritischer moeten beoordelen. Appellante zou niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het niet verantwoorden van het pgb. Vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid aan de zijde van appellante had de aan de vaststelling van het pgb voorafgaande belangenafweging in haar voordeel moeten uitvallen.


1.4.

Het zorgkantoor heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 maart 2015 bij besluit van 25 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft zicht op het standpunt gesteld dat, anders dan appellante meent, de aanvraag voor een pgb terecht is ingewilligd. Er was een indicatiebesluit en een aanvraag, ondertekend door appellante, met een kopie van haar identiteitsbewijs. De aanvraag voldoet aan de gestelde eisen en er was geen afwijzingsgrond van toepassing. Er is echter geen AWBZ-verzekerde zorg ingekocht door appellante. Dat appellante alle administratie uit handen heeft gegeven aan haar dochter maakt dit niet anders, zij blijft immers zelf verantwoordelijk. Het zorgkantoor heeft geen aanleiding gezien om af te zien van terugvordering.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de handtekening op het aanvraagformulier niet significant afwijkt van de handtekening op het rijbewijs van appellante en dat daarom niet aannemelijk is geworden dat zij de aanvraag niet heeft ondertekend. De rechtbank is verder van oordeel dat de medische stukken die zijn overgelegd onvoldoende onderbouwing vormen voor de stelling dat appellante ten tijde van belang niets heeft geweten van het aan haar verleende en uitgekeerde pgb. De stelling van appellante dat het zorgkantoor de aanvraag kritischer had moeten beoordelen omdat er signalen van fraude waren, is door de rechtbank niet gevolgd omdat de gang van zaken niet zo onalledaags was dat het zorgkantoor fraude had kunnen of behoren te vermoeden. Zelfs indien appellante zou worden gevolgd in de stelling dat misbruik heeft plaatsgevonden door haar dochter, hoefde de belangenafweging in dit geval niet anders uit te vallen. Deze omstandigheid doet immers niet af aan het feit dat appellante geld heeft ontvangen waarop zij geen recht had en dat dit op geen enkele wijze is te wijten aan handelen van het zorgkantoor.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald en deze gedeeltelijk nader toegelicht en onderbouwd. Zonder nadere toelichting is volgens appellante niet te begrijpen waarom de rechtbank heeft overwogen dat de handtekening op de identiteitskaart niet significant afwijkt van die op het aanvraagformulier. De samenloop van omstandigheden had voor het zorgkantoor aanleiding moeten zijn voor nader onderzoek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel en verwijst daarnaar. In aanvulling daarop wordt erop gewezen dat niet in geschil is dat de handtekening die is gezet op de op 11 maart 2014 ingezonden adreswijziging van appellante is en evenmin significant afwijkt van de handtekening op het aanvraagformulier en de overige stukken. Voor het overige wijst de Raad op de overwegingen in zijn uitspraak van 20 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3226, in de zaak van wijlen de echtgenoot van appellante, voor wie op een blijkbaar zelfde of vergelijkbare wijze een pgb was aangevraagd. De hele gang van zaken, voor zover die zou afwijken van wat er in de zaak van wijlen de echtgenoot van appellante aan de orde was, is niet zo bijzonder dat deze het zorgkantoor aanleiding zou hebben moeten geven bij appellante nadere informatie in te winnen.


4.2.

Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.














BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.



(getekend) J.P.A. Boersma




(getekend) W.M. Swinkels




RB