Centrale Raad van Beroep, 22-11-2018 / 15/2735 ANW


ECLI:NL:CRVB:2018:3723

Inhoudsindicatie
Geen recht op een nabestaandenuitkering. Appellante is niet arbeidsongeschikt te achten in de zin van de ANW. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante op medische gronden in staat is te achten om werkzaam te zijn in duurzaam loonvormende arbeid. De arbeidsdeskundige heeft toereikend gemotiveerd waarom appellante uitgaande van de bij haar bestaande in de FML vermelde beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voorgehouden functies. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-22
Publicatiedatum
2018-11-28
Zaaknummer
15/2735 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

152735 ANW, 16/7428 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 april 2015, 14/4799 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)


de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)



Datum uitspraak: 22 november 2018

PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A. el Kadi hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden waarop appellante heeft gereageerd.


Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. El Kali. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.F. Sturmans.


Het onderzoek is heropend na de zitting.


De Svb heeft vragen beantwoord en stukken overgelegd. Appellante heeft hierop nog gereageerd.


De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.


Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. El Kali. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.



OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft de Svb de aanvraag van appellante van 29 oktober 2013 om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (ANW) afgewezen, omdat haar echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW.


1.2.

Het tegen het besluit van 13 januari 2014 ingediende bezwaar is bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb overwogen dat er bij het besluit van 13 januari 2014 ten onrechte van is uitgegaan dat de echtgenoot van appellante niet verzekerd was voor de ANW. Nu appellante evenwel niet akkoord is gegaan met een verzoek om uitstel voor het nemen van een beslissing op bezwaar totdat de procedure – inhoudende een onderzoek door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante – zou zijn afgerond, kan niet worden vastgesteld of appellante recht heeft op een nabestaandenuitkering.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 16 juli 2014 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de Svb er terecht van is uit gegaan dat, nu appellante de uitkomst van het onderzoek door het Uwv naar de mate van haar arbeidsongeschiktheid niet heeft willen afwachten, niet is gebleken dat appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.


3.1.

De Svb heeft bij besluit van 28 september 2016 (bestreden besluit 2) aan appellante bericht dat uit het alsnog verrichte onderzoek door het Uwv is gebleken dat appellante niet arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de ANW.


3.2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit 2. De Svb heeft dit bezwaar bij besluit van 17 maart 2017 ongegrond verklaard. Nadat de rechtbank op 12 juli 2017 het beroepschrift tegen het bestreden besluit van 17 maart 2017 aan de Raad had doorgezonden, heeft de Raad partijen bericht dat, nu met bestreden besluit 2 niet volledig aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen, het hoger beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede wordt geacht te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.


4.1.

Appellante heeft – naast een groot aantal formele gronden tegen de besluitvorming – zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot op 26 juli 2013 wel in een relevante mate arbeidsongeschikt was. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij als gevolg van haar psychische klachten meer beperkingen heeft dan vermeld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 6 maart 2015 (FML). Voorts is zij van mening dat de functies in verband met haar analfabetisme niet geschikt voor haar zijn. Ook heeft appellante in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


4.2.

De Svb heeft verzocht het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Omvang hoger beroep


5.1.1.

Nu het hoger beroep van rechtswege mede is gericht tegen bestreden besluit 2, heeft de Svb ten onrechte het bezwaarschrift gericht tegen dat besluit in behandeling genomen. Om die reden komt de beslissing op bezwaar van 17 maart 2017 voor vernietiging in aanmerking. Dit leidt er tevens toe dat de gronden aangevoerd tegen (de wijze van de totstandkoming van) dat besluit verder geen bespreking meer behoeven.


5.1.2.

Naar ter zitting van de Raad van 18 oktober 2018 is gebleken, is tussen partijen met betrekking tot het recht van appellante op een nabestaandenuitkering nog slechts in geschil of de Svb naar aanleiding van de aanvraag van 29 oktober 2013 bij bestreden besluit 2 terecht heeft aangenomen dat appellante ten tijde van het overlijden van haar echtgenote niet arbeidsongeschikt was in de zin van de ANW. Gelet hierop staat nog slechts ter beoordeling bestreden besluit 2, hetgeen er tevens toe leidt dat de gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak en (de wijze van totstandkoming van) bestreden besluit 1 eveneens geen bespreking meer behoeven.


5.2.

Wettelijk kader


5.2.1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is, recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.


Artikel 11 van de ANW luidt:


1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.


5.2.2.

Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.


5.3.

Schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid


5.3.1.

Zorgvuldigheid van de besluitvorming


5.3.1.1. De verzekeringsarts van het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar de psychische klachten van appellante en daarbij de door appellante overgelegde informatie van de haar behandelend psychiaters betrokken. Weliswaar heeft die verzekeringsarts appellante zelf niet gezien doch appellante is wel onderzocht door de door het Uwv ingeschakelde arts C. Requier. Op basis van de voorhanden zijnde gedingstukken en het rapport van Requier – welke arts eveneens kennis heeft genomen van de informatie van de behandelend sector – heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante op medische gronden in staat is te achten om werkzaam te zijn in duurzaam loonvormende arbeid. Wat betreft de zorgvuldigheid van het onderzoek wordt tevens in overweging genomen dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 10 april 2018 nog nader heeft gereageerd op vragen van de Raad.


5.3.2.

Medische kant van de schatting


5.3.2.1. Wat betreft het onderzoek naar de beperkingen als gevolg van de lichamelijke en psychische klachten en de dienaangaande verwoorde conclusies kan de Raad zich vinden in het standpunt van de Svb. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 6 maart 2015 – bezien in samenhang met zijn rapport van 10 april 2018 en in acht genomen het rapport van de door het Uwv ingeschakelde arts Requier – ook inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij van mening is dat met de FML in voldoende mate rekening wordt gehouden met de bij appellante in verband met haar psychische klachten op het moment van overlijden van haar echtgenoot bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid. In zijn rapport van 10 april 2018 heeft die verzekeringsarts ook in voldoende mate onderbouwd waarom de lichamelijke klachten van appellante, nu deze klachten hun oorsprong vinden in anamnestische bezwaren, niet tot beperkingen leiden. Mede gelet op hetgeen hiervoor en bij 5.3.1.1 is overwogen ziet de Raad geen aanleiding een onderzoek door een deskundige te laten verrichten.



5.3.3.

Arbeidskundige kant van de schatting


5.3.3.1. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen, omdat zij de Nederlandse taal in het geheel niet beheerst. Dit betoog kan niet leiden tot het door appellante gewenste resultaat. Op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004, mogen functies worden geduid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven. Hiertoe wordt onder andere gerekend de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. Bij uitspraak van 17 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:70, heeft de Raad geoordeeld dat in het kader van de ANW bij de beoordeling van de verdiencapaciteit artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 dient te worden toegepast.


5.3.3.2. De arbeidsdeskundige heeft toereikend gemotiveerd waarom appellante uitgaande van de bij haar bestaande in de FML vermelde beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voorgehouden functies. Weliswaar heeft die arbeidsdeskundige in verband met het feit dat appellante de Nederlandse taal niet beheerst de functie “Magazijn, expeditie medewerker” (SBC-code 111220) laten vervallen omdat daarvoor teveel schriftelijke instructies worden gegeven, doch er resteren nog voldoende eenvoudige functies om de schatting op te baseren. In ieder geval drie van de resterende functies hebben opleidingsniveau 1, terwijl geen eisen worden gesteld aan de schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal. Het gaat om zeer eenvoudige werkzaamheden waarvoor de instructie mondeling, met behulp van tekeningen of voorbeelden, kan plaatsvinden. Wat betreft het opleidingsniveau verwijst de Raad nog naar zijn vaste rechtspraak, volgens welke rechtspraak opleidingsniveau 1 betekent dat geen eisen worden gesteld aan rekenen, lezen of schrijven (zie de uitspraak van 3 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3868). Uitgaande van de resterende functies is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 45%.


5.4.

Conclusie


5.4.1.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3.3.2 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd en komt het besluit van 17 maart 2017 voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen bestreden besluit 2 dient ongegrond te worden verklaard.


6. Overschrijding redelijke termijn en proceskosten


6.1.

Appellante heeft in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.


6.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.


6.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.


6.4.

Voor de situatie van appellante betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 18 februari 2014 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en ruim negen maanden verstreken. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat in deze zaak de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim negen maanden overschreden. De Svb heeft zich ter zitting bereid verklaard om een vergoeding van € 500 ter zake van overschrijding van de redelijke termijn voor zijn rekening te nemen aangezien de besluitvorming in bezwaar langer dan een half jaar zou hebben geduurd als het advies van het Uwv was afgewacht. Aldus beschouwd heeft de overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden in de bezwaarfase en in de rechterlijke fase. Aan appellante zal een schadevergoeding van € 1.000,- worden toegekend, waarvan € 500,- te betalen door de Svb en € 500,- te betalen door de Staat.


6.5.

Aanleiding bestaat om de Svb en Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante die kunnen worden gerelateerd aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze proceskosten worden begroot op € 501,- voor verleende rechtsbijstand (een punt voor het verzoek in het hoger beroep en een punt voor de toelichting ter zitting, wegingsfactor 0,5), waarvan ten laste van de Svb € 250,50 en ten laste van de Staat eveneens € 250,50.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 17 maart 2017;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 september 2016 ongegrond;

- veroordeelt de Svb tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 500,-;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 500,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 250,50;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 250,50.



Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2018.




(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum




(getekend) H. Achtot




md