Centrale Raad van Beroep, 22-11-2018 / 18/633 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:3737

Inhoudsindicatie
Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2016 waardoor dit besluit in rechte vaststaat. Voor zover appellant van opvatting is dat het college zijn toelage niet had mogen beëindigen zonder hem een TOR 2 toe te kennen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3523. Omvang van het geschil. Mogelijkheid van herziening. Geen sprake van gelijke gevallen. De stelling dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten van het namens appellant door mr. Kleine ingediend aanvullend bezwaarschrift, treft doel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-22
Publicatiedatum
2018-11-27
Zaaknummer
18/633 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

18/633 AW, 18/5075 AW

Datum uitspraak: 22 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2017, 16/4809 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Bots hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 18/679 AW e.v., 18/677 AW en 18/2700 AW, plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bots. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.M. Wijmans, drs. D. Kerpestein en F. Titahena.

In de gevoegde zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is als [naam functie] aangesteld bij de afdeling [naam afdeling] van de resultaatverantwoordelijke eenheid [naam eenheid] van de gemeente Amsterdam.


1.2.

Appellant ontving al vele jaren een toelage. Deze toelage, die in besluiten uit 2006 functietoelage is genoemd, werd toegekend vanwege het regelmatig werken op avonden en in de weekenden. De toelage werd alleen toegekend voor zover appellant daadwerkelijk voor de bedoelde werkzaamheden op afwijkende tijdstippen beschikbaar was. Deze toelage werd op de salarisspecificaties om administratieve redenen als persoonlijke toelage vermeld.

1.3.

In 2012 is binnen de gemeente Amsterdam het project ‘Handhaving NRGA’ gestart. Aanleiding voor het project was de ongewenst geachte situatie dat in de loop van de jaren zowel op individueel niveau als op diensttakniveau veel afwijkingen waren ontstaan ten opzichte van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA). De doelstelling van het project was een gemeentebrede strikte toepassing van de NRGA. In het kader van dit project zijn in 2013 en 2014 aan de directeuren en stadsdeelsecretarissen schriftelijke instructies gegeven over het terugdringen en afbouwen van bestaande afwijkingen van de NRGA.

1.4.

Bij besluit van 3 februari 2016, vervangen bij besluit van 12 mei 2016 en gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 17 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de toelage van appellant met ingang van 1 januari 2017 beëindigd.

1.5.

Met ingang van 1 juni 2016 is hoofdstuk 3 van de NRGA in zijn geheel vervangen door een nieuw beloningshoofdstuk. Het nieuwe hoofdstuk 3 was een gevolg van de CAO gemeenten 2013-2015, die (onder meer) voorziet in een harmonisatie, vereenvoudiging en modernisering van de regels over salaris, toelagen en vergoedingen voor alle gemeenten. De invoering van het nieuwe beloningshoofdstuk 3 had niet als doel te bezuinigen. Voor de situaties dat medewerkers er door de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 in inkomen op achteruit gaan, is overgangsrecht afgesproken. Voor de gemeente Amsterdam is dat overgangsrecht neergelegd in artikel 3.27 van de NRGA in verbinding met Bijlage R van de NRGA. Uit Bijlage R volgt dat, onder de daar gestelde uitgangspunten en voorwaarden, een toelage overgangsrecht 1 (TOR 1) kan worden toegekend - de TOR 1 ziet op de Amsterdamse eindejaarsuitkering - alsmede een toelage overgangsrecht 2 (TOR 2) - de TOR 2 ziet op bepaalde andere toelagen.


1.6.

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft het college aan appellant een TOR 1 toegekend. Voor een TOR 2 komt appellant volgens het college niet in aanmerking. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen, bepaald dat het college aan appellant met ingang van 1 januari 2017 een afbouwregeling van drie jaar toekent en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Het oordeel van de rechtbank komt er, kort samengevat, op neer dat het college de toelage van appellant niet had mogen beëindigen zonder hem alsnog een afbouwregeling van drie jaar aan te bieden. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien en doet dit als volgt. De rechtbank bepaalt dat de (oude) persoonlijke toelage van appellant per 1 januari 2017 eindigt en dat hij per die datum in aanmerking komt voor een afbouwtoelage van drie jaren, uiteraard met inachtneming van de reeds toegekende afbouwregeling die verweerder tot 1 januari 2018 nog op het oude bedrag heeft gehandhaafd. De rechtbank acht deze termijn redelijk, mede gelet op wat is bepaald in artikel 3.16 van de NRGA. Nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2016, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de beroepsgrond dat het college de toelage niet had mogen intrekken zonder hem een TOR 2 toe te kennen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft hem ten onrechte tegengeworpen dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2016. Het beëindigen van zijn toelage had moeten leiden tot het toekennen van een TOR 2. Door zelf in de zaak te voorzien is de rechtbank buiten de omvang van het geschil getreden en heeft de rechtbank hem de mogelijkheid tot herziening van het TOR-besluit ontnomen. De rechtbank creëert ongelijkheid door in gelijke gevallen aan collega’s wel een TOR 2 toe te kennen. De rechtbank heeft het college ten onrechte niet veroordeeld in de kosten van het aanvullend bezwaarschrift, ingediend door mr. C. Kleine.


3.2.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor zover appellant van opvatting is dat de rechtbank de rechtmatigheid had moeten beoordelen van het besluit van 23 mei 2016, waarbij is geweigerd aan appellant een TOR 2 toe te kennen, deelt de Raad deze opvatting niet. Nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2016, staat dit besluit in rechte vast. Voor zover appellant van opvatting is dat het college zijn toelage niet had mogen beëindigen zonder hem een TOR 2 toe te kennen, deelt de Raad deze opvatting evenmin. Hiertoe wordt kortheidshalve verwezen naar de uitspraak van heden in de zaken 18/679 AW e.v. (ECLI:NL:CRVB:2018:3523).


4.2.

Met het oordeel dat het college de toelage van appellant niet had mogen beëindigen zonder hem alsnog een afbouwregeling van drie jaar aan te bieden, is de rechtbank, anders dan appellant stelt, niet buiten de omvang van het geschil getreden. De Raad ziet, mede gelet op wat onder 4.1 is overwogen, niet in dat de rechtbank appellant de mogelijkheid van herziening van het TOR-besluit heeft ontnomen.

4.3.

De stelling dat de rechtbank ongelijke gevallen creëert door in gelijke gevallen aan collega’s wel een TOR 2 toe te kennen, treft geen doel. Van gelijke gevallen is immers geen sprake, nu de collega’s waarop appellant doelt wel rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de besluiten waarbij het college heeft geweigerd aan hen een TOR 2 toe te kennen. Overigens is van ongelijkheid tussen appellant en zijn collega’s als gevolg van de uitspraak van heden in de zaken 18/679 AW e.v. geen sprake meer, nu de Raad heeft geoordeeld dat ook de collega’s van appellant geen recht op een TOR 2 hebben. In plaats daarvan is aan hen dezelfde afbouwregeling toegekend die ook aan appellant is toegekend.


4.4.

De stelling dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten van het namens appellant door mr. Kleine ingediend aanvullend bezwaarschrift, treft wel doel.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen in de kosten van het aanvullend bezwaarschrift. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.


4.6.

De Raad zal het college veroordelen in de kosten van het aanvullend bezwaarschrift alsmede voor de proceskosten van appellant in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van in totaal

€ 1.503,-. Tevens bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het college niet is veroordeeld in de kosten van het aanvullend bezwaarschrift;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.503,-;

- bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 253,- aan appellant terugbetaalt.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2018.



(getekend) E.J.M. Heijs



(getekend) S.H.H. Slaats



JL