Centrale Raad van Beroep, 19-11-2018 / 14/3090 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:3741

Inhoudsindicatie
De Raad komt, in het licht van de onder 4.3 genoemde rechtspraak, tot het oordeel dat de door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep geuite verwachting dat voor de langere termijn een verbetering van de functionele mogelijkheden te verwachten is, niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij appellante aan de orde zijn. Anders dan het Uwv stelt ligt een zodanige motivering niet besloten in het rapport van deskundige Erwteman, aangezien deze in zijn rapport van 4 maart 2018 slechts constateert dat appellante te kennen heeft gegeven dat er de laatste tijd sprake is van een geringe verbetering van de klachten door het gebruik van een lage dosering antidepressiva. Uit dit rapport volgt niet dat op de in geding zijnde data van 2 januari 2012 en 1 november 2013 sprake was van een behandelmogelijkheid met een concrete verwachting dat die na langere tijd tot verbetering van de functionele mogelijkheden kan leiden. Dit volgt evenmin uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 januari 2015, waarin deze stelt dat voor de langere termijn door een multidisciplinaire aanpak ingeslepen cognities kunnen worden behandeld, de psychische toestand van appellante kan verbeteren door evaluatie van medicatie en psychotherapie en een gespecialiseerd fysiotherapeutisch team de algehele conditie van appellante zou kunnen verbeteren. Deze motivering die, evenals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 april 2018, uitsluitend lijkt te zien op de bij appellante aanwezige aandoening ME/CVS, miskent de aard en de complexiteit van het ziektebeeld van appellante waarbij naast ME/CVS tevens sprake is van POTS, welke laatste aandoening volgens de deskundige een belangrijke factor vormt in de zeer ernstige beperkingen van appellante.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-19
Publicatiedatum
2018-11-28
Zaaknummer
14/3090 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

143090 WIA, 16/1287 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2014 (13/563) en 22 januari 2016 (15/740) (aangevallen uitspraken) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)



Datum uitspraak: 19 november 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft haar vader, [naam vader], hoger beroepen ingesteld.


Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.


Appellante heeft diverse keren nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting in de zaak 14/3090 WIA heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015

waar namens appellante haar vader, [naam vader], is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.


Het onderzoek is heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest.


Appellante heeft diverse stukken met bijlagen overgelegd.


Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 3 februari 2017 waarbij de zaak 16/1287 WIA gevoegd is behandeld. Namens appellante is haar vader, [naam vader], verschenen. Voor het Uwv is mr. Put verschenen.


Het onderzoek in de gedingen is heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest. De Raad heeft in beide gedingen dr. Th.M. Erwteman, internist-medisch adviseur, benoemd als deskundige. Op 4 maart 2018 heeft de deskundige een rapport uitgebracht.


Appellante heeft op het deskundigenrapport een zienswijze met nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.


Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.


Het nadere onderzoek ter zitting in beide gedingen heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2018. Voor appellante is haar vader, [naam vader], verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Put.



OVERWEGINGEN


1.1

Appellante, laatstelijk voltijds werkzaam als assistent projectleider, is op 17 maart 2008 voor haar werkzaamheden uitgevallen. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante, aansluitend op de voor haar geldende wachttijd, per 15 maart 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.


1.2.

Appellante heeft zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 2 januari 2012. Bij beslissing op bezwaar van 20 december 2012 (bestreden besluit 1) is vastgesteld dat appellante met ingang van 2 januari 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 35 tot 80%.


1.3.

In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2014 vastgesteld dat appellante vanaf 1 november 2013 volledig arbeidsongeschikt is en recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 23 januari 2015 (bestreden besluit 2) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juli 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante ongegrond verklaard. In de uitspraken heeft de rechtbank (kort gezegd) geoordeeld dat sprake is van zorgvuldige medische onderzoeken en dat er geen aanleiding is de medische beoordelingen van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) voor onjuist te houden. Uitgaande van de voor appellante vastgestelde functionele mogelijkheden heeft het Uwv terecht vastgesteld dat per

2 januari 2012 geen sprake is van een volledige arbeidsongeschiktheid en dat per

1 november 2012 sprake is van een volledige, maar niet duurzame, arbeidsongeschiktheid.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij als gevolg van ME/CVS en een ‘postural orthostatic tachycardia syndrome’ (POTS) volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en zij daarom per 2 januari 2012 en 1 november 2013 in aanmerking moet komen voor een IVA-uitkering.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit. Naar aanleiding van het rapport van deskundige Erwteman heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat zowel per 2 januari 2012 als per 1 november 2013 sprake is van een volledige, maar niet duurzame, arbeidsongeschiktheid.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is nog slechts in geschil of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 2 januari 2012, dan wel per 1 november 2013, geacht moet worden duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht bestaat op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. In het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (beoordelingskader) staat voorts vermeld:


“(…) als de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks zal verbeteren, gaan we er in beginsel vanuit dat dit ook in de periode daarna ongewijzigd van toepassing is. Er moet dus een goede reden zijn hiervan af te wijken. Dat is het geval wanneer op grond van kennis en ervaring vaststaat dat een behandeling, gegeven de aard of de complexiteit van het ziektebeeld, pas na langere tijd tot verbetering van de belastbaarheid kan leiden.”


4.4.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 2 januari 2012 en 1 november 2013 niet tevens duurzaam is. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarbij enerzijds verwezen naar het rapport van deskundige Erwteman, en anderzijds verwezen naar bestaande behandelmogelijkheden conform het protocol Chronisch Vermoeidheidssyndroom en de geldende CBO-richtlijn CVS. Ter zitting is door het Uwv nog gewezen op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 januari 2015 genoemde behandelmogelijkheden.


4.5.

De Raad komt, in het licht van de onder 4.3 genoemde rechtspraak, tot het oordeel dat de door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep geuite verwachting dat voor de langere termijn een verbetering van de functionele mogelijkheden te verwachten is, niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij appellante aan de orde zijn. Anders dan het Uwv stelt ligt een zodanige motivering niet besloten in het rapport van deskundige Erwteman, aangezien deze in zijn rapport van 4 maart 2018 slechts constateert dat appellante te kennen heeft gegeven dat er de laatste tijd sprake is van een geringe verbetering van de klachten door het gebruik van een lage dosering antidepressiva. Uit dit rapport volgt niet dat op de in geding zijnde data van 2 januari 2012 en 1 november 2013 sprake was van een behandelmogelijkheid met een concrete verwachting dat die na langere tijd tot verbetering van de functionele mogelijkheden kan leiden. Dit volgt evenmin uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 januari 2015, waarin deze stelt dat voor de langere termijn door een multidisciplinaire aanpak ingeslepen cognities kunnen worden behandeld, de psychische toestand van appellante kan verbeteren door evaluatie van medicatie en psychotherapie en een gespecialiseerd fysiotherapeutisch team de algehele conditie van appellante zou kunnen verbeteren. Deze motivering die, evenals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 april 2018, uitsluitend lijkt te zien op de bij appellante aanwezige aandoening ME/CVS, miskent de aard en de complexiteit van het ziektebeeld van appellante waarbij naast ME/CVS tevens sprake is van POTS, welke laatste aandoening volgens de deskundige een belangrijke factor vormt in de zeer ernstige beperkingen van appellante.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. De beroepen van appellante zijn gegrond en de bestreden besluiten moeten wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel worden vernietigd. Er is voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de besluiten van 3 mei 2012 en 14 juli 2014 te herroepen en te bepalen dat appellante per 2 januari 2012 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

Schadevergoeding


Wettelijke rente


5.1.

Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen IVA-uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


Redelijke termijn


5.2.1.

Appellante heeft in beide gedingen verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.


5.2.2.

Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.


5.2.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.


5.2.4.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 21 mei 2012 van het tegen het besluit van 3 mei 2012 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak ruim zes jaar en zes maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en zes maanden (30 maanden) overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-.


5.2.5.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv afgerond zeven maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is een maand. De behandeling in de rechterlijke fase heeft afgerond 70 maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is 29 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Uwv als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 83,33 (1/30 deel van € 2.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.416,67 (29/30 deel van € 2.500,-).


5.2.6.

De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure leidt niet tot een hogere schadevergoeding. Beide procedures hebben (in hoofdzaak) betrekking op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie door de tweede procedure is daarom geen sprake. Met betrekking tot deze procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn door de bestuursrechter is geschonden.


6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Het verzoek van de gemachtigde van appellante het Uwv te veroordelen tot een integrale vergoeding van door appellant gemaakte kosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen. In artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is een forfaitair vergoedingenstelsel neergelegd, waarvan slechts in bijzondere gevallen kan worden afgeweken. De door appellante genoemde omstandigheden worden niet als bijzonder aangemerkt. De kosten van rechtsbijstand worden op grond van het Bpb in het geding met nummer 14/3090 WIA begroot op € 250,50 in beroep, zijnde ½ punt (x € 501,-) voor het bijwonen van de nadere zitting door gemachtigde mr. P.A.M.H. van der Laan. Voorts is niet gebleken van andere proceshandelingen van Van der Laan die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

Het verzoek in het geding met nummer 14/3090 WIA, om vergoeding van de kosten van het door appellante in beroep overgelegde rapport van mr. G.J. Kruithof, verzekeringsarts/medisch adviseur/gerechtelijk deskundige, komt deels voor toewijzing in aanmerking. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat daarbij, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts), moet worden uitgegaan van een uurtarief van € 116,09 exclusief btw geldig vanaf 1 januari 2013. Uit de door gemachtigde van appellant overgelegde nota blijkt dat de werkzaamheden van Kruithof 12,5 uur in beslag hebben genomen. Conform artikel 9 van het Bts wordt dit afgerond naar 13 uur, zodat de vergoeding € 1.826,10 inclusief btw bedraagt. De kosten van onderzoeken in het CVS ME Medisch Centrum zijn gemaakt in het kader van diagnose en behandeling en kunnen op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van andere te vergoeden kosten is niet gebleken.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 20 december 2012 en 23 januari 2015;

- herroept de besluiten van 3 mei 2012 en 14 juli 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- stelt vast dat per 2 januari 2012 recht op IVA-uitkering bestaat;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 5.1 is vermeld;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 83,33;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.416,67;

- veroordeelt het Uwv in het geding 14/3090 WIA in de proceskosten van appellante in

beroep tot een bedrag van in totaal € 2.076,60;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

in beide gedingen van in totaal € 333,- (14/3090 WIA: € 42,- in beroep en € 122,- in hoger

beroep; 16/1287 WIA: € 45,- in beroep en € 124,- in hoger beroep) vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2018.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) W.M. Swinkels






TM