Centrale Raad van Beroep, 27-11-2018 / 16/7612 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:3771

Inhoudsindicatie
Maatregel van 25% in verband met niet verschijnen op gesprek. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdig heeft afgemeld voor het gesprek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-27
Publicatiedatum
2018-12-03
Zaaknummer
16/7612 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak
16 7612 PW

Datum uitspraak: 27 november 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 november 2016, 16/1647 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.F. Roza, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. Namens appellante is verschenen mr. Roza. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontvangt vanaf september 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).


1.2.

Appellante is in het kader van een re-integratietraject opgeroepen voor de bijeenkomst “Voor Arbeid en Kansen” op 7 en 26 januari 2016. Op beide data is zij niet verschenen. Bij brief van 28 januari 2016 heeft een re-integratieconsulent appellante vervolgens uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op 11 februari 2016. In de brief heeft de re-integratieconsulent vermeld dat appellante nogmaals wordt uitgenodigd, dat de uitnodiging geen vrijblijvend karakter heeft en dat als appellante zonder bericht niet verschijnt dit gevolgen kan hebben voor haar bijstand. Tevens heeft de re-integratieconsulent in die brief vermeld dat als appellante om dringende redenen niet kan verschijnen op de afspraak, zij uiterlijk 24 uur van tevoren een nieuwe afspraak moet maken. Appellante heeft aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven.


1.3.

Bij besluit van 19 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellante van 1 maart 2016 tot en met 31 maart 2016 met 25% verlaagd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante zonder kennisgeving niet is verschenen op het gesprek op 11 februari 2016.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat zij zonder kennisgeving niet op het gesprek op 11 februari 2016 is verschenen. Zij heeft daartoe gesteld dat zij zich op 10 februari 2016, toen zij een operatieve ingreep moest ondergaan die aanvankelijk voor 12 februari 2016 stond gepland, telefonisch heeft afgemeld voor de afspraak op 11 februari 2016.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.

Artikel 18, tweede lid, van de PW bepaalt dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de PW, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet. De toepasselijke verordening is de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAZ en IOAW gemeente Zwolle 2015 (Verordening).


4.2.

Op grond van artikel 7c, aanhef en onder b, van de Verordening, voor zover van belang, leidt het niet verschijnen op een oproep of afspraak tot een verlaging van de uitkering met 25% voor de duur van één maand. Artikel 4 van de Verordening bepaalt dat het college afziet van verlaging als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.


4.3.

Vaststaat dat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor een gesprek met haar re-integratieconsulent op 11 februari 2016. Gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is uitsluitend in geschil of appellante daarvan een verwijt kan worden gemaakt. In dat kader houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of zij zich tijdig heeft afgemeld voor het gesprek op 11 februari 2016.


4.4.

De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat appellante geen enkel verwijt treft rust op haar.


4.5.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdig heeft afgemeld voor het gesprek op 11 februari 2016. De door appellante overgelegde verbruiksspecificatie van KPN van 12 februari 2016 met vermelding van een telefoongesprek op 10 februari 2016 om 12.25 uur van meer dan zeven minuten op het algemene nummer van de gemeente (14038) is daartoe niet voldoende. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat daaruit zonder nadere onderbouwing niet blijkt dat appellante zich heeft afgemeld voor het gesprek op 11 februari 2016. Verder is niet gebleken dat appellante heeft gebeld met het in de brief van 28 januari 2016 opgenomen rechtstreekse nummer van de re-integratieconsulent om het gesprek af te zeggen en een nieuwe afspraak te maken.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2018.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) Y. Itkal





md