Centrale Raad van Beroep, 28-11-2018 / 18/411 WMO15


ECLI:NL:CRVB:2018:3790

Inhoudsindicatie
Niet toekennen van een proceskostenvergoeding. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2016 ongegrond verklaard en de rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, ondanks de geconstateerde gebreken, in stand gelaten. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel omdat daaruit niet volgt dat het besluit van 10 oktober 2016 is herroepen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-28
Publicatiedatum
2018-11-30
Zaaknummer
18/411 WMO15
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

18411 WMO15


Datum uitspraak: 28 november 2018



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2017, 17/4536 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.S. Dobosz, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dobosz. Het college is niet verschenen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft het college de aanvraag van appellant om gebruik te mogen maken van opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 afgewezen.


1.2.

Bij besluit van 27 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2016 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen door zonder nader onderzoek te concluderen dat appellant zelfredzaam was en dat het beroep op schending van de hoorplicht slaagt. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het (vernietigde) bestreden besluit in stand gelaten omdat appellant geen recht op opvang heeft, omdat hij dit niet nodig heeft. De rechtbank heeft aanleiding gezien het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep ten bedrage van € 990,-.


3.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de veroordeling in de proceskosten. Volgens appellant had de rechtbank het college ook moeten veroordelen in de kosten van het bezwaar. Hiervoor bestond aanleiding nu de rechtbank heeft overwogen dat het college niet zonder nader onderzoek kon oordelen dat appellant zelfredzaam was en het beroep op de hoorplicht slaagt. Als appellant nog belang had gehad bij het verlenen van opvang, had het college een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en dat zou hebben geleid tot een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase.


3.2.

Het college stelt zich op het standpunt dat de vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank niet kan leiden tot het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.


4.2.

Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:97) volgt dat van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Hiervan is geen sprake nu bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2016 ongegrond is verklaard en de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, ondanks de geconstateerde gebreken, in stand heeft gelaten. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel omdat daaruit niet volgt dat het besluit van 10 oktober 2016 is herroepen.


4.3.

Wat in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018.




(getekend) L.M. Tobé




(getekend) W.M. Swinkels





md