Centrale Raad van Beroep, 27-11-2018 / 17/6183 NIOAW


ECLI:NL:CRVB:2018:4021

Inhoudsindicatie
Tegen afzonderlijk intrekkingsbesluit te laat bezwaargemaakt. Intrekking staat vast zodat college verplicht is tot terugvordering. Geen dringende redenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-27
Publicatiedatum
2018-12-18
Zaaknummer
17/6183 NIOAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2019/32
Uitspraak

176183 NIOAW


Datum uitspraak: 27 november 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 juli 2017, 17/1718 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. E.F. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Uzun.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de norm voor gehuwden. Uit een onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat stortingen op de bankrekeningen van appellanten hadden plaatsgevonden en dat de herkomst daarvan aan het college onbekend was.


1.2.

Bij besluit van 7 juni 2016 heeft het college de aan appellanten verleende IOAW-uitkering met ingang van 1 oktober 2014 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op uitkering niet is vast te stellen, doordat appellanten geen inzicht hebben verschaft over de herkomst van de op hun bankrekeningen bijgeschreven bedragen.


1.3.

Bij besluit van 20 juni 2016 heeft het college de gemaakte kosten van de uitkering over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 april 2016 tot een bedrag van € 11.536,92 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 31 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij heeft het college tevens het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2016 ongegrond verklaard, met als motivering dat het besluit tot intrekking van de uitkering in rechte vaststaat zodat het college verplicht is de uitkering terug te vorderen.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit overwogen dat, voor zover het bezwaarschrift niet alleen tegen de terugvordering maar ook tegen de intrekking is gericht, dat bezwaar na afloop van de daartoe geldende termijn is ingediend, namelijk pas op 29 juli 2016, terwijl de termijn liep van 8 juni 2016 tot en met 20 juli 2016. De rechtbank heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit de medische stukken kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat appellanten niet in staat waren tijdig bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit. Van appellanten had verlangd kunnen worden dat zij zo nodig een derde hadden ingeschakeld om hun belangen te behartigen.


2.2.

De rechtbank heeft met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit overwogen dat de intrekking over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 april 2016 in rechte vaststaat. Het college was daarom op grond van artikel 25, eerste lid, van de IOAW gehouden de te veel betaalde uitkering terug te vorderen. De hoogte van het teruggevorderde bedrag van € 11.536,92 - is niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekkingsbesluit


4.1.

Appellanten hebben met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit aangevoerd dat het college en de rechtbank hebben miskend, dat het intrekkingsbesluit van 7 juni 2016 en het terugvorderingsbesluit van 20 juni 2016 als één geheel moeten worden gezien, vanwege de nauwe samenhang. Dit bekent volgens appellanten dat de bezwaartermijn met betrekking tot het intrekkingsbesluit eerst is gaan lopen nadat het terugvorderingsbesluit bekend was gemaakt. Dit brengt volgens hen mee dat zij tegen het intrekkingsbesluit tijdig bezwaar hebben gemaakt.


4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit zijn afzonderlijke besluiten, waartegen in overeenstemming met het voorgaande afzonderlijk bezwaar openstond. Het standpunt van appellanten zoals onder 4.1 verwoord, vindt dan ook geen steun in het recht.

4.3.

Niet in geschil is dat het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit is ingediend na afloop van de bezwaartermijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit is verzonden. Appellanten hebben aangevoerd, dat een eventuele termijnoverschrijding als verschoonbaar moet worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, omdat zij meenden dat zij pas bezwaar konden maken na ontvangst van het terugvorderingsbesluit. Wat appellanten hebben aangevoerd vormt echter geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. In dit verband is van betekenis dat in het intrekkingsbesluit is vermeld binnen welke termijn daartegen bezwaar openstond. Bovendien heeft het college er in dat besluit op gewezen dat appellanten over de terugvordering een apart besluit zouden ontvangen.


Terugvordering


4.4.

Het voorgaande betekent dat het intrekkingsbesluit van 7 juni 2016 in rechte is komen vast te staan. Het college was daarom ingevolge artikel 25, eerste lid, van de IOAW gehouden de ten onrechte verleende IOAW-uitkering van appellanten terug te vorderen.


4.5.

Appellanten hebben met betrekking tot de terugvordering aangevoerd dat de rechtbank er geheel aan voorbij is gegaan dat appellanten financieel gezien behoefte hadden aan een aanvulling op hun inkomen en dat het redelijk en billijk is dat alleen die aanvulling, voor zover appellanten daar recht op hadden, wordt teruggevorderd.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Nu het intrekkingsbesluit in rechte vaststaat, staat ook vast dat over de te beoordelen periode het recht op uitkering niet was vast te stellen en dat de uitkering terecht in zijn geheel is ingetrokken. Het college was daarom niet bevoegd om de terugvordering te beperken tot slechts een deel van de verstrekte uitkering. Het voorgaande brengt tevens mee dat niet kan worden gezegd dat de terugvordering onevenredig hoog is in verhouding tot het bedrag dat appellanten aan inkomsten hebben ontvangen. Aan het intrekkingsbesluit ligt immers ten grondslag dat het college de omvang van die inkomsten niet heeft kunnen vaststellen. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld dat het teruggevorderde bedrag aan uitkering onevenredig hoog is.


4.7.

Appellanten hebben ten slotte aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Die dringende redenen bestaan volgens appellanten hierin dat de onderhavige terugvordering, bezien in samenhang met de reeds bestaande schuldenlast, appellanten zwaar valt.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake van. De last van de schuld is inherent aan de terugvordering en daarmee niet uitzonderlijk. Van betekenis is in dit verband verder, dat appellanten bij de invordering de bescherming genieten, of deze zo nodig kunnen inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat dit meebrengt dat appellanten gedurende lange tijd de ontvangen uitkering moeten terugbetalen leidt niet tot een ander oordeel over deze beroepsgrond.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2018.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) F.H.R.M. Robbers







rh