Centrale Raad van Beroep, 20-12-2018 / 15/2916 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:4257

Inhoudsindicatie
1) Loongerelateerde WGA uitkering juist vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 39%. 2) Mate van arbeidsongeschiktheid toegenomen naar 42,4%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-12-20
Publicatiedatum
2019-01-08
Zaaknummer
15/2916 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

152916 WIA, 17/3759 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 19 maart 2015, 14/2898 (aangevallen uitspraak 1) en van 4 april 2017, 16/3125

(aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade





Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 20 december 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat, hoger beroepen ingesteld.


Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Voor appellante zijn verschenen haar broer en mr. Frissart‑Kallenbach. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante heeft gewerkt als wetenschappelijk onderzoeker. Zij heeft zich met neuropsychische klachten ziek gemeld nadat ze in mei 2011 was gevallen met de fiets. Bij besluit van 27 september 2013 heeft het Uwv appellante per 21 november 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 39%. Bij besluit van 10 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 september 2013, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 april 2014, ongegrond verklaard.


1.2.

Appellante heeft meldingen gedaan van verslechtering van haar gezondheid per 20 september en per 22 november 2014. Bij besluit van 8 april 2015 heeft het Uwv te kennen gegeven dat de hoogte van de uitkering niet wijzigt. Bij besluit van 15 april 2016

(bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

8 april 2015, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 april 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

13 april 2016, ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 februari 2017 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 april 2015 alsnog gegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 42,4% en de resterende verdiencapaciteit is daaraan aangepast.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beschikbare medische informatie, waaronder die van de behandelend sector, bij zijn beoordeling betrokken. De daarin gesignaleerde prikkelovergevoeligheid,

concentratie- en geheugenstoornissen zijn onderkend en naar aanleiding daarvan zijn beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 onderschreven.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 niet‑ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als periode in geding aangemerkt de periode van 20 september 2014 tot en met 8 april 2015. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Alle naar voren gebrachte klachten zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De vastgestelde medische belastbaarheid is op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom, ondanks de door appellante ervaren toegenomen klachten, de op 11 september 2013 vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen aanpassing behoeft. De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 3 onderschreven.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer beperkingen kent, in het bijzonder op het vlak van persoonlijk functioneren, dan door het Uwv is aangenomen en dat de geduide functies voor haar niet geschikt zijn. Naar de mening van appellante heeft het Uwv zich ten onrechte geen moeite getroost om een medische expertise te laten verrichten door een deskundige. Het enkele feit dat de aangezochte deskundige, prof. dr. S. Visser, niet heeft gereageerd op het verzoek om een expertise te verrichten, had de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding mogen geven om van het inschakelen van een deskundige af te zien. De in geding gebrachte informatie had voor de rechtbank aanleiding moeten zijn om te twijfelen aan de medische beoordeling. Ten onrechte heeft de rechtbank afgezien van het inschakelen van een deskundige. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Naar haar mening is geen sprake van equality of arms, nu de door haar ingeschakelde artsen niet beschikken over de expertise tot het vaststellen van beperkingen en deze expertise exclusief op het terrein van de verzekeringsartsen ligt. Daarnaast heeft appellante medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat bij haar sinds kort coeliakie is geconstateerd en dat inmiddels rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van een autisme spectrum stoornis. Deze nieuwe informatie ondersteunt haar stelling dat zij meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Waar het betreft de arbeidskundige grondslag heeft appellante naar voren gebracht dat de bij bestreden besluit 3 betrokken functies in een eerdere fase, als zijnde ongeschikt, waren vervallen. Ten slotte heeft zij om schadevergoeding verzocht.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat haar beperkingen in de FML van 11 september 2013 onjuist zijn vastgesteld. Zij verkeert tegenover het Uwv in een ongelijke positie, omdat zij niet in staat is op gelijke voet een medische beoordeling over haar belastbaarheid te geven, zodat het inschakelen van een deskundige is aangewezen.


4.1.2.

In de in 3.1 genoemde uitspraak van 30 juni 2017 heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Daarbij is overwogen dat de kern van het beginsel van equality of arms erin is gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld.


4.1.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt de betrokkene in de procedure bij de bestuursrechter alle gelegenheid geboden zich – desgewenst onderbouwd met medische gegevens – te verzetten tegen het medisch oordeel van de tegenpartij. Met name in beroep en in hoger beroep heeft appellante ter ondersteuning van haar standpunt brieven van behandelaars ingezonden waarin een groot aantal onderzoeksbevindingen is opgenomen, waaronder die van de behandelend huisarts, neuroloog, neuropsycholoog, revalidatiearts, psychiater, klinisch psycholoog en psychotherapeut. In die gegevens zijn de klachten, aandoeningen, adviezen en gevolgen voor de belasting van appellante tot uitdrukking gebracht.


4.1.4.

Uit wat is overwogen in 4.1.3 blijkt dat appellante in de procedure voldoende ruimte heeft gehad om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar medische situatie heeft onderschat en dat zij die ruimte ook heeft benut. Niet kan worden gezegd dat de door appellante ingebrachte stukken van de behandelaars naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien aan de in de rapporten van de verzekeringsartsen beantwoorde vraag of de medische klachten en aandoeningen van appellante tot afdoende beperkingen in de FML hebben geleid. Daarvoor is niet vereist dat van de kant van appellante evenzeer een verzekeringsgeneeskundig rapport had moeten worden ingebracht. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms en dat op die grond geen aanleiding bestaat een deskundige in te schakelen.


4.1.5.

Er is geen aanleiding te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellante ten tijde hier van belang heeft onderschat. Op 11 september 2013 heeft de verzekeringsarts een FML opgesteld, waarvan in de loop van de procedures, zoals blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts van 27 maart 2015 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 april 2016, door de artsen van het Uwv geen afstand is genomen, omdat uit de (medische) onderzoeksbevindingen van de in 4.1.3 bedoelde (behandelend) artsen en therapeuten in feite geen somatische of psychiatrische oorzaak voor de klachten van appellante is gevonden die aanleiding zouden geven tot zwaardere of andere beperkingen. De op verzoek van appellante enkele malen uitgestelde behandeling ter zitting in verband met door haar verwachte nadere medische bevindingen hebben, behoudens de door de huisarts in december 2017 gemelde coeliakie (glutenallergie) ook geen wezenlijk nieuwe inzichten opgeleverd. In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 juli 2018 en 15 oktober 2018 is na de ingezonden informatie van de huisarts over coeliakie nogmaals vermeld dat appellante is aangewezen op een rustige werkomgeving. Bij de vaststelling van de FML zijn beperkingen aangenomen in verband met stresserend werk en in verband met lichamelijk zwaar werk. Bij alle daaropvolgende latere beoordelingen zijn die beperkingen gehandhaafd. De verzekeringsarts concludeert dat er een discrepantie blijft tussen de ervaring van de klachten door appellante en de objectiveerbare bevindingen. Waar het betreft de na de data in geding vastgestelde coeliakie heeft de verzekeringsarts opgemerkt dat deze diagnose retrospectief niet zo ernstig is dat andere beperkingen hadden moeten worden vastgesteld. Het in oktober 2018 in een intake door de klinisch neuropsycholoog geuite vermoeden van een autisme spectrum stoornis, kan reeds op de grond dat deze vermoedens in 2018 worden geuit en nadere gegevens ontbreken geen betekenis krijgen voor de vastgestelde beperkingen op de hier van belang zijnde data.

Nu moet worden geconcludeerd dat de beperkingen, zoals deze vermeld zijn in de FML van 11 september 2013, in lijn zijn met de medische bevindingen van de behandelend en ingeschakelde beoordelend artsen en informatie van de overige behandelaars en rapporteurs, is in die (medische) gegevens ook geen aanleiding gelegen om een deskundige in te schakelen.


4.1.6.

Appellante wordt gevolgd in het standpunt dat het geen vervolg geven aan het voornemen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om prof. dr. S. Visser als externe deskundige in te schakelen wegens het uitblijven van een reactie van deze deskundige op zich onvoldoende redengevend is om van inschakeling af te zien. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 april 2016 blijkt dat deze na het uitblijven van een reactie van de beoogde deskundige besloten heeft de rapportage van Kempenhaeghe, Academisch centrum voor epileptologie, af te wachten. Mede op basis van de van Kempenhaeghe verkregen informatie, afkomstig van neuroloog dr. R.H.C. Lazeron, heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen argument is voor andere pathologie dan somatisch onverklaarbare, lichamelijke klachten. Het had op de weg van het Uwv gelegen om aan appellante kenbaar te maken dat op grond van de verkregen informatie besloten is af te zien van het inschakelen van de externe deskundige. Nu op basis van de alsnog verkregen informatie voldoende grond aanwezig was om geen deskundige in te schakelen is het uitblijven van een toelichting op het niet inschakelen van de deskundige onvoldoende reden om de besluitvorming als onzorgvuldig aan te merken.


4.2.

Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ook los van de medische beoordeling de arbeidskundige grondslag van de bestreden besluiten 1 en 3 onjuist is. Naar haar mening is de toelichting op de overschrijdingen van de belastbaarheid onvoldoende. Daarnaast zijn aan bestreden besluit 3 functies ten grondslag gelegd die eerder als ongeschikt waren aangemerkt.


4.2.1.

Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat de toelichting op de signaleringen in het Resultaat functiebeoordeling (RF) onvoldoende is. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 26 september 2013 alle signaleringen die voorkomen bij de functies die aan bestreden besluit 1 ten grondslag zijn gelegd toegelicht. Soortgelijke toelichting heeft plaatsgevonden in het arbeidskundig rapport van

30 januari 2017 waar het betreft de signaleringen bij de functies die aan bestreden besluit 3 ten grondslag liggen. Appellante heeft niet onderbouwd dat in de functies een andere, zwaardere belasting voorkomt dan in het RF is opgenomen.


4.2.2.

Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat aan bestreden besluit 3 functies ten grondslag zijn gelegd die eerder als ongeschikt waren verworpen. In de plaats van de in bezwaar als ongeschikt aangemerkte functies (magazijn, expeditiemedewerker en productiemedewerker hout en bouw) zijn in het rapport van 30 januari 2017 de overigens geselecteerde functies (inpakker en administratief medewerker afhandelingen) bij de beoordeling in beroep betrokken. Laatstgenoemde functies zijn niet eerder als ongeschikt aangemerkt.


4.3.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.2.2 leiden tot de slotsom dat de hoger beroepen van appellante niet slagen en de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak 1 en de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en H.C.P. Venema en I.M.J. Hilhorst‑Hagen als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2018.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) B. Dogan




NW