Centrale Raad van Beroep, 28-12-2018 / 13/4495 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:4258

Inhoudsindicatie
1) WIA-uitkering terecht geweigerd. FML aangepast naar aanleiding van de bevindingen van de door de Raad geraadpleegde deskundige. Met aangepast FML zijn de geselecteerde functies nog steeds geschikt voor appellant. 2) Wajong-uitkering terecht geweigerd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-12-28
Publicatiedatum
2019-01-08
Zaaknummer
13/4495 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

134495 WIA, 13/4522 WWAJ


Datum uitspraak: 28 december 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juli 2013, 13/700, 13/1072 (aangevallen uitspraken)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H.A. de Boer, advocaat, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.


De Raad heeft aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek en prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater, benoemd als deskundige. De deskundige heeft appellant onderzocht en op 15 maart 2017 rapport uitgebracht.


Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven.


Op 8 mei 2017 heeft Van den Bosch desgevraagd gereageerd op de zienswijzen.


Desgevraagd heeft het Uwv een nadere reactie ingestuurd.


Appellant heeft hierop gereageerd.


Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1989, is in 1995 gediagnosticeerd met PDD-NOS en ADHD. Hij is op 15 oktober 2010 uitgevallen voor zijn werk als leerling metaalbewerker. J. Bakker, GZ‑psycholoog ZMW, heeft naar aanleiding van een psychologisch onderzoek op 16 juli 2012 geconcludeerd dat appellant behoefte heeft aan structuur, een veilige, voorspelbare omgeving en een vast aanspreekpunt op de werkvloer. Hij zou werk moeten doen waar geen druk op staat en waarbij hij niet wordt gestoord door anderen.


134495 WIA


1.2.1.

Op 17 juli 2012 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een verzekeringsarts heeft een medisch onderzoek verricht. Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft hij geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek, waardoor hij is aangewezen op werkzaamheden waarin rekening wordt gehouden met de beperkingen die zijn vermeld in de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 augustus 2012. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige volgt dat appellant door psychische klachten niet meer het werk kan doen dat hij deed voordat hij ziek werd. Wel kan hij werkzaamheden verrichten waarin rekening kan worden gehouden met de vastgestelde beperkingen. Met de geselecteerde voorbeeldfuncties zou appellant per uur meer kunnen verdienen dan hij in zijn vorige functie verdiende. In het arbeidsdeskundig rapport wordt geconcludeerd dat appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 7 september 2012 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WIA‑uitkering met ingang van 12 oktober 2012 afgewezen.


1.2.2.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een medisch onderzoek gedaan. In het rapport van 9 november 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat appellant ongeschikt is voor alle arbeid, wél moet rekening worden gehouden met de aan de kwetsbaarheid gebonden beperkingen ten aanzien van arbeid. Appellant is aangewezen op eenduidig werk door vaste, bekende werkwijzen, waardoor het werk voor een belangrijk deel voorspelbaar is. Als hem voldoende duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, is er geen noodzaak voor volledig voorgestructureerd werk. Appellant heeft meer dan gemiddeld tijd nodig om zich in te werken in een nieuwe taak of bij wijziging in het takenpakket. Appellant moet een vrij rustige werkomgeving hebben en is niet geschikt voor werk met een hoog handelingstempo of deadlines/productiepieken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 9 november 2012 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft gelet op deze nieuwe FML andere voorbeeldfuncties geselecteerd, waarmee het verlies aan verdienvermogen ten opzichte van het maatmanloon onverminderd minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van 23 januari 2013 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat niet is gebleken dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig zou zijn geweest en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de FML.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat zoals uit de gegevens van zijn behandelaars naar voren komt het nauwelijks voorstelbaar is dat hij langdurig loonvormende arbeid kan verrichten zonder weer ernstig overbelast te worden.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is of appellant met ingang van 12 oktober 2012 recht heeft op een WIA‑uitkering.


4.2.

De Raad heeft, omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling, aanleiding gezien om Van den Bosch als deskundige te benoemen. De deskundige heeft op 15 maart 2017 een rapport uitgebracht op basis van dossieronderzoek en persoonlijk onderzoek op 28 februari 2017. Hij is tot de conclusie gekomen dat op

12 oktober 2012 meer beperkingen voor appellant gelden dan de beperkingen die aangenomen zijn in de FML van 9 november 2012 en dan met name op de punten vallend onder persoonlijk functioneren.


4.3.

In reactie op het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 30 maart 2017 de FML aangepast en in overeenstemming gebracht met de door de deskundige vermelde beperkingen. Appellant heeft twee brieven van drs. P.A.I. Middelweerd, psychiater, van 20 mei 2016 en 10 april 2017 ingezonden. Desgevraagd heeft de deskundige op 8 mei 2017 een reactie gegeven op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 maart 2017 en op de door appellant ingebrachte gegevens van Middelweerd. In het rapport van 27 juni 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet waarom naar zijn mening de beperkingen als opgenomen in de FML onder 1.9.2 in samenhang met 1.9.3 rechtdoen aan de beperkingen van appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 juli 2017 geconcludeerd dat de geselecteerde voorbeeldfuncties ook voldoen aan de FML van

30 maart 2017.


4.4.

Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Van den Bosch heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken. Overeenkomstig het gestelde in het rapport van Van den Bosch heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast. Van den Bosch heeft gereageerd op de zienswijzen van appellant en van het Uwv en heeft daarin geen aanleiding gezien zijn conclusie omtrent de beperkingen te wijzigen. Daarbij is hij ook ingegaan op de brieven van Middelweerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 27 juni 2017 toegelicht dat de combinatie van beperkingen in het persoonlijk functioneren past bij het bij appellant bestaande probleem van de voortdurende keuzemogelijkheden. Deze nadere toelichting op de FML van 30 maart 2017 acht de Raad overtuigend. De brief van de Kwadrantgroep van 28 juli 2017 leidt niet tot een andere conclusie. De Raad wil niet afdoen aan de ervaringen van de begeleiders en familieleden van appellant, zij zijn echter geen artsen die medische beperkingen kunnen vastleggen.


4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML is er geen grond voor het oordeel dat appellant de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties niet zou kunnen verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zoals blijkt uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 juli 2017, daarmee ingestemd.


134522 WWAJ


5. Appellant heeft op 20 december 2012 tevens een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant wordt niet aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong omdat hij in staat is meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 februari 2013 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank blijkt uit de door appellant in geding gebrachte gegevens niet dat het medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is geweest. Tevens gaat de rechtbank uit van de passendheid van de geselecteerde voorbeeldfuncties en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Nu het recht op een Wajong‑uitkering pas ontstaat wanneer de belanghebbende niet meer dan 75% van het maatmanloon kan verwerven, heeft het Uwv terecht en op goede gronden geweigerd om appellant een Wajong‑uitkering te verstrekken.

7.1.

Appellant heeft ook in hoger beroep naar voren gebracht dat zijn beperkingen zijn onderbelicht en daarbij gewezen op verklaringen van zijn behandelaars waaruit naar voren komt dat het nauwelijks voorstelbaar is dat hij langdurig loonvormende arbeid kan verrichten zonder weer ernstig overbelast te worden.


7.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


8.1.

In geschil is of appellant jonggehandicapte is in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong 2010.


8.2.1.

Gelet op de datum van de aanvraag en de geboortedatum van appellant, zijn op deze aanvraag van toepassing de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong 2010. Er is sprake van een laattijdige aanvraag.


8.2.2.

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong 2010 is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.


8.2.3.

Artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong 2010 bepaalt dat indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, de ingezetene alsnog jonggehandicapte wordt met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.


8.2.4.

Het is vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 5 september 2014, ECLI:CRVB:2014:3041) dat in het geval van een laattijdige aanvraag in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong het Uwv bij een ingezetene die geen jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, van de Wajong is, ook moet beoordelen of hij alsnog jonggehandicapte is geworden omdat hij binnen vijf jaar na de dag waarop de periode van 52 weken, bedoeld in dit eerste lid, onderdeel a of b, is geëindigd, alsnog aan de voorwaarden is gaan voldoen.


9.1.

Gelet op wat is overwogen in 4.2 zijn in de FML van 9 november 2012 onvoldoende beperkingen opgenomen. Zoals is overwogen in 4.3 en 4.4 zijn in de FML van 30 maart 2017 de beperkingen van appellant wel juist weergegeven. Dit geldt zowel ten tijde van de in artikel 2:3, eerste lid, van de Wajong 2010 bedoelde wachttijd van 52 weken, als ten tijde van de in artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010 bedoelde periode. Daarbij heeft de Raad betrokken dat Van den Bosch heeft gesteld dat het niet voor de hand ligt om aan te nemen dat de functioneringsproblemen fluctueren over de tijd en evenmin dat er een verslechtering zou zijn opgetreden.


9.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML is er geen grond voor het oordeel dat appellant de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties niet zou kunnen verrichten.


9.3.

Appellant is dus geen jonggehandicapte is in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong 2010.


10. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 en overweging 9.1 volgt dat de bestreden besluiten in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet voorzien waren van een deugdelijke motivering, omdat eerst in hoger beroep een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven. De schending van artikel 7:12 van de Awb wordt onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant door deze schending niet is benadeeld. De conclusie is dat de bestreden besluiten in stand dienen te worden gelaten en de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd met verbetering van gronden.


11. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in deze samenhangende procedures te weten € 1.002,- voor de kosten in beroep en € 1.250,50 voor de kosten in hoger beroep, in totaal € 2.252,50.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraken;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.252,50,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 324,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2018.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) P. Boer




TM