Centrale Raad van Beroep, 19-12-2018 / 15/8303 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:4284

Inhoudsindicatie
Gronden hoger beroep in essentie herhaling van de gronden bezwaar en beroep. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd besproken en de overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Het in de rapporten van Uwv neergelegde, inzichtelijk en toereikend gemotiveerde, standpunt dat appellante op 1 december 2014 geschikt was voor haar eigen werk als productiemedewerker voor 32 uur per week wordt onderschreven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-12-19
Publicatiedatum
2019-01-08
Zaaknummer
15/8303 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

158303 ZW


Datum uitspraak: 19 december 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 oktober 2015, 15/1077 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. S.F. Nijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.


Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Janischka, kantoorgenoot van mr. Nijhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was sinds 31 maart 2013 in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) werkzaam als productiemedewerker voor 32 uur per week. Haar dienstverband is op

1 juli 2014 geëindigd. Op 9 juli 2014 heeft appellante zich, met ingang van 6 januari 2014, ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante per 2 juli 2014 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

Op 27 november 2014 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 1 december 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van productiemedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 november 2014 vastgesteld dat appellante per 1 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 januari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2015 ten grondslag.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv van het oordeel van zijn artsen heeft mogen uitgaan. Het medisch onderzoek is zorgvuldig verricht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle naar voren gebrachte klachten op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling, wat ook geldt voor de eigen bevindingen uit lichamelijk en psychisch onderzoek en voor de in het dossier aanwezige informatie van de behandelaars. Ook het dagverhaal geeft geen aanknopingspunten dat er reeds daarom van moet worden uitgegaan dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft. Het dagverhaal is maar een van de aspecten die worden betrokken bij het oordeel daarover en er zijn geen andere aanknopingspunten voor het oordeel dat er geen benutbare mogelijkheden zijn.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke situatie en de omstandigheden waarin zij verkeerde. Zij heeft in dit kader verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts uit 2012 in het kader van de Wsw-indicatie en een rapport van een verzekeringsarts van 15 oktober 2014 waarin appellante nog arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante heeft betoogd dat de in bezwaar en vervolgens in beroep tot stand gekomen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn gebaseerd op subjectieve bevindingen en dat deze niet overeenkomen met de bevindingen van haar behandelaars en haar eigen beleving. Gelet op de discrepantie tussen het dagverhaal en de waarnemingen van de verzekeringsartsen had het op de weg van het Uwv gelegen om uitgebreider onderzoek te doen. Appellante heeft er tevens op gewezen dat haar behandelaar, psychiater S. Herreman, in een brief van 6 november 2014 te kennen heeft gegeven dat gelet op de problematiek en de lange behandelduur, er verwacht mag worden dat de kwaliteit van leven van appellante verbetert, wat bereikt kan worden doordat appellante anders met haar klachten om kan gaan. Appellante heeft gesteld dat het dan ook op de weg van het Uwv had gelegen om appellante de tijd te geven voor de behandeling.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.


4.2.

De hogerberoepsgronden van appellante zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Deze gronden houden in dat appellante van mening is dat zij door haar psychische klachten op 1 december 2014 niet in staat was tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd besproken. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.


4.3.

Ter onderbouwing van haar stelling dat het Uwv haar medische situatie verkeerd heeft ingeschat, heeft appellante in de eerste plaats gesteld dat haar medische situatie ten tijde van de beoordeling in het kader van een Wsw-indicatie in 2012, dus voor de aanvang van de werkzaamheden per 31 maart 2013, beter was dan is aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn beoordeling in 2015. De veronderstelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante in staat is gebleken om met haar klachten werkzaamheden te verrichten, is volgens appellante dus niet juist. Ook heeft appellante erop gewezen dat zij tijdens een medisch onderzoek op 15 oktober 2014 nog volledig arbeidsongeschikt is geacht. Wat er van een en ander echter ook zij, in deze procedure staat centraal of het Uwv appellante terecht per 1 december 2014 geschikt heeft geacht voor haar eigen werk. Daarbij is niet doorslaggevend hoe de medische situatie in 2012 dan wel op 15 oktober 2014 was. Daarbij komt nog dat in het rapport van 15 oktober 2014 is overwogen dat appellante niet depressief overkomt en dat de verwachting is dat over enige tijd een verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Daarmee is niet op voorhand onverenigbaar dat appellante vervolgens per

1 december 2014 geschikt is geacht voor haar eigen werk.


4.4.

Wat betreft de beoordeling per 1 december 2014 geldt verder nog het volgende. Uit het rapport van 27 november 2014 blijkt dat de verzekeringsarts dossierstudie heeft verricht, de informatie van 6 november 2014 van de behandelend psychiater bij de beoordeling heeft betrokken en op 27 november 2014 uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat, gezien het huidige beeld met in het spreekuur ook adequaat functioneren, geen floride depressief beeld, cognitieve functiestoornissen of dreigend decompenserend toestandsbeeld, en voor het overige de chronische problematiek, er onvoldoende medisch objectiveerbare reden is op grond waarvan appellante ongeschikt geacht moet worden voor de eigen arbeid. Uit het rapport van

13 januari 2015 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht, appellante heeft gezien tijdens het spreekuur en enkele observaties heeft verricht. Deze verzekeringsarts heeft vermeld dat appellante na een kwartier de kamer verliet omdat ze het verder niet aankon, en dat een psychisch onderzoek niet goed mogelijk was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van de beoordeling door de verzekeringsarts. Het in deze rapporten neergelegde, inzichtelijk en toereikend gemotiveerde, standpunt dat appellante op 1 december 2014 geschikt was voor haar eigen werk als productiemedewerker voor 32 uur per week wordt onderschreven.


4.5.

Appellante heeft in hoger beroep informatie ingebracht van 15 januari 2016 van haar psychiater S. Herreman. In een rapport van 1 februari 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat deze informatie geen aanleiding geeft het standpunt over de arbeidsgeschiktheid van appellante per 1 december 2014 te wijzigen. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat feit is dat er op de spreekuren van de verzekeringsartsen geen duidelijke aanwijzingen waren voor een ernstige psychische ziekte, in die mate dat appellante arbeidsongeschikt zou moeten worden geacht voor laagdrempelig en heel makkelijk inpakwerk. Dit gemotiveerde standpunt wordt gevolgd.


5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) R.P.W. Jongbloed




RB