Centrale Raad van Beroep, 03-01-2018 / 16/6006 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:53

Inhoudsindicatie
Geen recht meer op ziekengeld. Geschikt voor laatst verrichte werkzaamheden. Door appellant is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op de datum in geding, te weten 6 oktober 2015, sprake was van een situatie waarin hij “zijn arbeid” niet kon verrichten als gevolg van zijn klachten. De in hoger beroep overgelegde informatie met betrekking tot de WW-uitkering alsmede het overzicht van ziekenhuisafspraken, geven geen aanleiding om de medische beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. Daarin worden, zoals terecht in het verweerschrift is vermeld, geen nieuwe medische feiten of andere omstandigheden weergegeven dan al bekend waren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-01-03
Publicatiedatum
2018-01-10
Zaaknummer
16/6006 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

16/6006 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 augustus 2016, 15/6907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.S. Nonnekes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1.

Appellant is van 2000 tot 1 oktober 2014 werkzaam geweest bij [BV] als chauffeur voor 40 uur per week. In verband met reeds langer bestaande lichamelijke klachten heeft hij vanaf 2012 tot en met het einde van het dienstverband gewerkt als koerier.


1.2.

Vanuit de situatie dat appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft hij zich op 10 november 2014 met hartklachten en klachten aan het rechterbeen ziek gemeld. Bij besluit van 27 mei 2015 is appellant met ingang van 9 februari 2015 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Naar aanleiding van de ziekmelding van 10 november 2014 heeft appellant enkele keren spreekuurcontact gehad met een sociaal medisch verpleegkundige van het Uwv. Op 31 augustus 2015 heeft appellant het spreekuur van een arts van het Uwv bezocht. Deze heeft appellant per 7 september 2015 geschikt geacht voor zijn laatst verrichte werkzaamheden van koerier.


1.3.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 31 augustus 2015 vastgesteld dat appellant per 7 september 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 oktober 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Vastgesteld is dat appellant met ingang van een andere datum, te weten 6 oktober 2015, geen recht heeft op ziekengeld. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 oktober 2015 ten grondslag gelegd.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank had eerder het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen om nadere rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en verzekeringsarts bezwaar en beroep in te brengen. Uitgaande van de werkzaamheden van koerier, zoals nader onderzocht en omschreven door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 april 2016, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zoals vermeld in het rapport van 6 oktober 2015 en aangevuld met het rapport van 26 april 2016, dat appellant met zijn beperkingen in staat moet worden geacht om deze werkzaamheden te verrichten. Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een juiste motivering van de geschiktheid van appellant voor de maatgevende werkzaamheden, is de rechtbank gekomen tot haar hiervoor weergegeven beslissing.


3.1.

Appellant heeft zich niet met de uitspraak van de rechtbank kunnen verenigen. In hoger beroep heeft hij zijn standpunt over zijn hartklachten herhaald en heeft hij benadrukt dat hij zich op 20 oktober 2015 opnieuw heeft ziek gemeld. Appellant heeft daartoe verwezen naar een afsprakenoverzicht van een ziekenhuis, een ziekmelding op een door hem ingediend Wijzigingsformulier WW en een zogeheten WZ-toelichting van het Uwv in het kader van de WW-uitkering. Ook heeft appellant naar voren gebracht dat hij niet begrijpt, als volgens het Uwv in mei 2015 nog sprake was van een arbeidsongeschiktheid waarvan in het eerstkomende jaar geen verandering is te verwachten, waarom hij dan op 6 oktober 2015 volledig arbeidsgeschikt wordt geacht.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Niet in geschil is dat voor appellant “zijn arbeid” koerierswerk is bij een werkgever soortgelijk aan [BV] .


4.2.

Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant zelf gezien en onderzocht. Hij heeft daarbij de beschikking gehad over informatie van de behandelend cardioloog en orthopeed. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie van de primaire arts niet kunnen onderschrijven, omdat appellant daags na de hersteldatum van 7 september 2015 opnieuw werd gedotterd. Op grond van alle dossiergegevens alsmede de bevindingen uit eigen onderzoek was de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel van mening dat ten tijde van zijn onderzoek op 6 oktober 2015 inmiddels weer een situatie was ontstaan die vergelijkbaar is met de situatie die de primaire arts aantrof op 31 augustus 2015. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is appellant aangewezen op energetisch licht en licht fysiek belastend werk, wat zijn laatste werk ook was. Alle medische problemen van appellant – hartklachten en hypertensie met pijn op de borst, diabetes mellitus, beenklachten rechts, knieklachten en mictieklachten – waren reeds aanwezig toen appellant zijn werkzaamheden van koerier verrichtte. De ziekmelding per 10 november 2014 was vanwege een cardiologische opname. Na behandeling stabiliseerde die situatie weer, zoals die ook weer is gestabiliseerd na de dotteringreep op 8 september 2015. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dan weer sprake van een belastbaarheidssituatie zoals die was toen appellant nog daadwerkelijk werkte, waardoor er geen reden is om van ongeschiktheid voor zijn (lichte) koerierswerk te spreken.


4.3.

Door appellant is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op de datum in geding, te weten 6 oktober 2015, sprake was van een situatie waarin hij “zijn arbeid” niet kon verrichten als gevolg van zijn klachten. De in hoger beroep overgelegde informatie met betrekking tot de WW-uitkering alsmede het overzicht van ziekenhuisafspraken, geven geen aanleiding om de medische beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. Daarin worden, zoals terecht in het verweerschrift is vermeld, geen nieuwe medische feiten of andere omstandigheden weergegeven dan al bekend waren.


5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant op 6 oktober 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.




(getekend) M. Greebe




(getekend) P. Boer




NW