Centrale Raad van Beroep, 02-01-2018 / 16/6375 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:65

Inhoudsindicatie
Verlaging norm van alleenstaande norm + 10% naar norm van alleenstaande + 7,2% in verband met wegvallen toeslag verzorging kinderen en gewijzigd beleid. Voor omvang zorg is omgangsregeling uit beschikking rechtbank leidend. Niet aannemelijk gemaakt dat omvang groter was.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-01-02
Publicatiedatum
2018-01-22
Zaaknummer
16/6375 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2018/41
Uitspraak

166375 PW, 17/4154 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van 30 augustus 2016, 15/3715 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)



Datum uitspraak: 2 januari 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.S. Teunissen en S.N. Ramdin.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is [in] 2006 gescheiden. Uit het huwelijk met zijn ex-echtgenote heeft appellant twee kinderen, geboren in 1999 en 2001. Het college heeft appellant met ingang van 9 september 2011 bijstand verleend op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande, zijnde 70% van de gehuwdennorm. In verband met de kosten van appellant voor de met zijn ex-echtgenote gedeelde zorg voor zijn kinderen, heeft het college deze norm met ingang van 15 februari 2012 met 10%, zijnde de helft van een toeslag voor een alleenstaande ouder, verhoogd tot 80% van de gehuwdennorm.


1.2.

Bij besluit van 6 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de aan appellant verleende bijstand met ingang van

1 januari 2015 teruggebracht naar de norm voor een alleenstaande, zijnde 70% van de gehuwdennorm. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat met ingang van 1 januari 2015 de Participatiewet (PW) op de bijstand van appellant van toepassing is ten gevolge waarvan de toeslag op de bijstand van appellant in verband met de kosten voor de zorg van zijn kinderen vervalt. De norm voor een alleenstaande ouder is per 1 januari 2015 gelijk aan die voor een alleenstaande. Alleenstaande ouders en co-ouders kunnen vanaf 1 januari 2015 een beroep doen op een alleenstaande ouder-kop (alo-kop) als onderdeel van het kindgebonden budget, een toeslag die wordt uitbetaald door de Belastingdienst. Het is in geval van co-ouderschap aan de verzorgende ouders zelf om bij verdeling van de zorg, ook de middelen uit het kindgebonden budget onderling te verdelen.


2.1.

Bij tussenuitspraak van 7 maart 2016 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld de aan het bestreden besluit 1 klevende gebreken te herstellen door hetzij een aanvullende motivering, hetzij door het nemen van een nieuw besluit op bezwaar na of tegelijkertijd met intrekking van bestreden besluit 1. Het college diende te onderzoeken of appellant een relevante wijziging in de omstandigheden had kunnen aanvoeren die tot bijstelling van de kinderalimenatie had kunnen leiden en wanneer appellant daarin niet is tekortgeschoten, na te gaan op welke wijze met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand van appellant kan worden afgestemd. Het college heeft vervolgens een nadere motivering ingediend.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand blijven.


4. Bij besluit van 17 mei 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant alsnog met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW afgestemd op de feitelijke situatie van appellant. Hierbij heeft het college op grond van de omgangsregeling, vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2014, de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2015 verhoogd met 7,2% en gewijzigd vastgesteld op 77,2% van de gehuwdennorm. Dit heeft onder andere geleid tot een nabetaling van bijstand over de periode vanaf 1 januari 2015 tot en met 30 april 2017.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.


5.2.

Nu het college bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, betekent dit dat de rechtbank dit besluit terecht heeft vernietigd, zij het op een andere grond. Het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen voor zover aangevochten.


5.3.

Gelet op bestreden besluit 2 en het verhandelde ter zitting is thans nog in geding de vraag of het college de bijstand van appellant vanaf 1 januari 2015 terecht heeft vastgesteld

op 77,2% van de gehuwdennorm. Appellant voert aan dat hij, gelet op de omvang van zijn zorgtaken, recht heeft op bijstand ter hoogte van 80% van de gehuwdennorm.


5.4.

Tussen partijen staat vast dat de ex-echtgenote van appellant niet in aanmerking komt voor de alo-kop. Verder staat vast dat appellant niet voldoet aan de criteria van co-ouderschap uit het per 1 januari 2015 van toepassing zijnde beleid van het college, in welk beleid, anders dan in het beleid dat gold tot 1 januari 2015, als criterium is opgenomen dat het verblijf van de kinderen en de kosten daarvan gelijkelijk over appellant en zijn ex-partner moeten zijn verdeeld, wat niet het geval is. Appellant stelt zich op het standpunt dat een afstemming van 10% van de gehuwdennorm in de rede ligt, gelijk aan de afstemming van zijn bijstand vóór de invoering van de PW. Hierbij heeft hij aangevoerd dat het ondoenlijk is om precies te berekenen wat de omvang van zijn zorg voor zijn kinderen is. Aan de hand van een door appellant zelf opgesteld overzicht van het verblijf van zijn kinderen over het jaar 2015 stelt appellant dat hij meer dan 40% van de totale tijd voor zijn kinderen zorgt.


5.5.

Anders dan appellant betoogt, heeft het college de in overweging 4 genoemde omgangsregeling uit de beschikking van de rechtbank tot uitgangspunt kunnen nemen voor de hoogte van de afstemming van de bijstand van appellant. Appellant heeft weliswaar aangevoerd dat het feitelijk verblijf van zijn kinderen bij hem meer is dan in deze beschikking is vermeld, maar appellant heeft dat niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Uit deze beschikking is op te maken dat appellant en zijn ex-partner gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen en dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hun moeder hebben. Voorts is met deze beschikking vast komen te staan dat de kinderen eenmaal per veertien dagen, van woensdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, en ook de helft van de schoolvakanties bij appellant verblijven. Deze regeling houdt concreet in dat de kinderen, buiten de schoolvakanties om gedurende twaalf weken, 4,5 dag per twee weken bij appellant verblijven. Volgens deze regeling verblijven de kinderen van appellant 132 dagen per jaar bij appellant, wat neerkomt op 36,2% van de tijd op jaarbasis.


5.6.

Indien het in 5.5 vastgestelde percentage van 36,2 wordt afgezet tegen een toeslag van 20% op de norm voor een alleenstaande, zoals aan de orde was in de situatie van een alleenstaande ouder vóór 1 januari 2015, levert dit een percentage op van 7,2. Opgeteld bij de norm voor een alleenstaande - 70% van de gehuwdennorm - betekent dit dat het college de bijstand van appellant terecht heeft vastgesteld op 77,2% van de gehuwdennorm.


5.7.

Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard. Dit brengt tevens mee dat het verzoek van appellant om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente dient te worden afgewezen.


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2017 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.002,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2018.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) S.A. de Graaff


HD