Centrale Raad van Beroep, 07-03-2018 / 16/5578 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2018:650

Inhoudsindicatie
Pgb terecht ingetrokken en teruggevorderd. Niet voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Rsa. De verantwoording van de besteding van het pgb is de eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder, ook indien deze, zoals appellante, het beheer van het pgb volledig uitbesteed.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-07
Publicatiedatum
2018-03-08
Zaaknummer
16/5578 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

165578 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 juli 2016, 15/1608 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)



Datum uitspraak: 7 maart 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H.J.M. van Denderen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.


Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.


Mr. Van Denderen heeft zich als gemachtigde onttrokken.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Appellante is verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G.M. Bosma.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 een netto persoonsgebonden budget (pgb) van € 5.442,15 verleend voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.2.

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het Zorgkantoor het aan appellante voor het jaar 2014 verleende pgb ingetrokken en de over dat jaar onverschuldigd betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 11 november 2014 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante met de door haar in bezwaar overgelegde verantwoordingsstukken niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa. Appellante heeft met het geheel van stukken geen volledig, eenduidig, plausibel en objectief verifieerbaar beeld geleverd van de besteding van haar pgb voor het jaar 2014. Bij afweging van de betrokken belangen bestaat geen reden om af te zien van de intrekking en terugvordering van het pgb.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Appellante heeft aangevoerd dat geen sprake is van schending van de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Uit de stukken blijkt duidelijk dat appellante zorg heeft ontvangen van haar dochter en dat zij daarvoor heeft betaald. Als al sprake is van schending van de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa treft appellante daarvan geen verwijt, omdat haar dochter de verantwoording van het pgb voor appellante regelde.





4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een intrekkingsbesluit als bedoeld in artikel 2.6.12, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit moet ook worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.


4.2.

Het Zorgkantoor heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Rsa. De Raad deelt deze conclusie en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De betalingen die appellante aan haar dochter heeft gedaan, en waarbij de door het Zorgkantoor aan appellante verstrekte (kwartaal)voorschotten onmiddellijk en geheel werden doorbetaald aan de dochter, kunnen niet worden gerelateerd aan de overgelegde facturen. Deze kwartaalbetalingen stroken bovendien niet met de keuze voor een AWBZ-maandloon die is gemaakt in de zorgovereenkomst. Verder heeft de dochter meer uren gefactureerd dan is overeengekomen in de zorgovereenkomst. Het vorenstaande betekent dat het Zorgkantoor bevoegd was de verlening van het pgb in te trekken. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, biedt geen grondslag voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Gelet op de gebreken in de administratie is niet duidelijk geworden in hoeverre appellante haar pgb heeft besteed aan AWBZ‑zorg. Het betoog dat de dochter van appellante de administratie van het pgb heeft uitgevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De verantwoording van de besteding van het pgb is de eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder, ook indien deze, zoals appellante, het beheer van het pgb volledig uitbesteed.


4.3.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het intrekken van het pgb van appellante voor het jaar 2014 gebruik heeft gemaakt, heeft het Zorgkantoor aan appellante over dat jaar onverschuldigd voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering van die voorschotten over te gaan.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) B. Dogan



UM