Centrale Raad van Beroep, 07-03-2018 / 16/2189 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:656

Inhoudsindicatie
Werkgeefster mag de IVA-uitkering in mindering brengen op de loonbetaling aan werkneemster. Uit het oogpunt van de bedoeling van de uitzonderingsbepaling van art.4, lid 2, Inkomensbesluit, is niet in te zien dat, vanaf het moment waarop vaststaat dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, voor het laten prevaleren van de IVA-uitkering boven de loondoorbetaling rechtens en feitelijk verschil bestaat tussen de situatie waarin de IVA-uitkering met een verkorte wachttijd is toegekend en de situatie waarin de IVA-uitkering zonder wachttijd is toegekend. In de artikelsgewijze toelichting is voor dit onderscheid geen objectieve en redelijke rechtvaardiging te lezen. Ook het Uwv heeft geen rechtvaardiging hiervoor gegeven. De situatie waarin de IVA-uitkering niet is toegekend met een verkorte wachttijd, maar zonder wachttijd, moet vanaf het moment van toekenning gelijk behandeld worden als de in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit, omschreven situatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-07
Publicatiedatum
2018-03-08
Zaaknummer
16/2189 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

162189 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 februari 2016, 15/1890 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 7 maart 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H. den Besten, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Voor appellante zijn verschenen [naam X] , [naam Y] en [naam Z] , bijgestaan door mr. Den Besten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. Roele.



OVERWEGINGEN


1.1.

[Naam werkneemster] (werkneemster) heeft een dienstverband met (de rechtsvoorgangster van) [naam stichting] ( [naam stichting] ) gecombineerd met een dienstverband met appellante. Werkneemster is in 2006 uitgevallen uit het werk bij [naam stichting] . Haar werkzaamheden voor appellante, die veel lichter van aard waren, heeft zij voortgezet. Het Uwv heeft werkneemster met ingang van 22 november 2008 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 100%. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft werkneemster een

WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangen. De inkomsten uit het werk bij appellante heeft het Uwv met de uitkering verrekend.


1.2.

Werkneemster is op 25 mei 2013 uitgevallen uit haar werk bij appellante. Bij besluit van 7 november 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat werkneemster met ingang van 25 mei 2013 niet langer recht heeft op een WGA-uitkering maar op een IVA-uitkering. Aan dit besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige waaruit volgt dat appellante volledig arbeidsongeschikt is en verbetering van haar belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten.


1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 7 november 2014 bezwaar gemaakt, omdat daarin is vermeld dat 70% van het loon dat zij aan werkneemster doorbetaalt gedurende de periode van 25 mei 2013 tot 23 mei 2015 op de WIA-uitkering in mindering komt. Volgens appellante komt haar het recht toe om de WIA-uitkering grond van artikel 7:629, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in mindering te brengen op het loon dat zij in verband met de uitval wegens ziekte gedurende een periode van 104 weken aan werkneemster doorbetaalt.


1.4.

Bij besluit van 24 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en zijn beslissing dat het loon op de WIA-uitkering in mindering komt gehandhaafd op de grond dat in het dienstverband van werkneemster met appellante nog geen periode is geweest waarin gedurende 104 weken achtereen op grond van artikel 7:629 van het BW het loon is doorbetaald.


2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft in beroep zijn standpunt gewijzigd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn nadere opvatting dat de IVA-uitkering geen betrekking heeft op de bedongen arbeid van werkneemster bij appellante en appellante zich daarom niet met succes kan beroepen op artikel 7:629, vijfde lid, van het BW.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat in feite sprake is van een vervroegde IVA-uitkering. Appellante ontkent niet dat zij op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW gehouden is om vanaf 25 mei 2013 gedurende 104 weken loon door te betalen aan werkneemster. Zij komt alleen op tegen het bedrag dat op de IVA-uitkering in mindering wordt gebracht, omdat het loon volgens haar niet prevaleert.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Dat werkneemster nu een IVA-uitkering ontvangt vloeit voort uit twee dienstverbanden. Zowel bij uitval uit het werk bij [naam stichting] als bij uitval uit het werk bij appellante is er een loondoorbetalingsverplichting gedurende 104 weken en komt loon in mindering op de uitkering.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hoger beroep ligt de vraag voor of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.


4.2.

Het Uwv heeft vastgesteld dat voor werkneemster op grond van artikel 48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA met haar ziekmelding bij appellante op 25 mei 2013 – en dus zonder dat een wachttijd gold – recht op een IVA-uitkering is ontstaan omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.


4.3.

In artikel 52, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald op welke wijze inkomen in mindering wordt gebracht op een IVA-uitkering. Op grond van artikel 52, vierde lid, van de Wet WIA is bij het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Inkomensbesluit) bepaald wat onder inkomen wordt verstaan.


4.4.

In artikel 3:4, eerste lid, van het Inkomensbesluit is neergelegd dat het loon dat door de werkgever wordt betaald niet als inkomen wordt aangemerkt, indien sprake is van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van die wet. In dat artikellid is, voor zover van belang, bepaald dat het Uwv op aanvraag van de verzekerde een verkorte wachttijd vaststelt indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.


4.5.

In de nota van toelichting bij het Inkomensbesluit is onder “3.2 Specifieke uitzonderingen van de Wet WIA” onder meer opgenomen:


“In artikel 3:4 zijn specifieke uitzonderingen voor de Wet WIA geregeld. Het eerste lid heeft betrekking op de situatie dat de verkorte wachttijd in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA is toegepast. De hoofdregel bij samenloop tussen een WIA-uitkering en loon of loondoorbetaling bij ziekte, is dat het loon gedeeltelijk wordt verrekend met de WIA-uitkering. Op deze hoofdregel wordt in artikel 3:4, eerste lid, een uitzondering gemaakt. Ingevolge artikel 23, zesde lid, Wet WIA geldt een verkorte wachttijd als indien duidelijk is dat de zieke werknemer duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. In dat geval kan de wachttijd voor de IVA-uitkering worden verkort. De duur van de verkorte wachttijd bedraagt ten minste 13 weken en ten hoogste 78 weken. Dit betekent dat de zieke werknemer reeds na die verkorte wachttijd aanspraak heeft op een IVA-uitkering. Daarnaast heeft de werknemer, zolang nog geen 104 weken zijn verstreken, ook aanspraak op loondoorbetaling. Ingevolge voornoemde hoofdregel zou deze prevaleren, waardoor de hoogte van de IVA-uitkering nul zou bedragen. Dit is uiteraard niet de bedoeling. Daarom wordt voor deze situatie een uitzondering gemaakt in die zin dat in dit geval de IVA-uitkering prevaleert boven de loondoorbetaling. Ingevolge artikel 7:629, vijfde lid, BW kan de werkgever het loon verminderen met deze WIA-uitkering.”


4.6.

In zijn uitspraak van 28 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3741) heeft de Raad – in een situatie waarin een werkgever gedurende 104 weken loon had doorbetaald, daarna afwijzend was beslist op een WIA-aanvraag voordat, na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid, voor de werknemer recht op IVA-uitkering was ontstaan – over het met ingang van 1 maart 2012 ingetrokken Inkomensbesluit Wet WIA onder meer overwogen:


“ 5.4.2. De in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit genoemde uitzondering op het uitgangspunt dat de loondoorbetaling prevaleert boven de IVA-uitkering, is beperkt tot situaties waarin een

IVA-uitkering is toegekend nadat met toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA de wachttijd is verkort. Appellante meent dat de situatie waarin een IVA-uitkering is toegekend zonder wachttijd rechtens en feitelijk gelijk is aan de in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit omschreven situatie, zodat ook dan aanleiding bestaat om de IVA-uitkering te laten prevaleren boven de loondoorbetaling.


5.4.3.

Niet in geschil is dat toepassing van artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit leidt tot ongelijke behandeling, nu de daarin neergelegde uitzondering slechts bij een bepaalde groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikte verzekerden geldt. De vraag die voorligt is, of daarmee het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.


5.4.4.

In de artikelsgewijze toelichting op genoemd artikellid staat onder meer het volgende:

“De ziekmelding heeft geen invloed op de hoogte van de WIA-uitkering die de betrokkene ontvangt. Deze blijft door toepassing van artikel 4, eerste lid, van dit besluit ongewijzigd. Met andere woorden, loondoorbetaling en ziekengeld prevaleren boven een verhoging van de WIA-uitkering.

Op deze hoofdregel wordt door artikel 4, tweede lid, van dit besluit een uitzondering gemaakt. Ingevolge artikel 23, zesde lid, Wet WIA geldt een verkorte wachttijd als duidelijk is dat de zieke werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In dat geval kan de wachttijd voor de

IVA-uitkering worden verkort naar ten minste dertien weken. Dit betekent dat de zieke werknemer reeds na die verkorte wachttijd aanspraak heeft op een IVA-uitkering. Daarnaast heeft de werknemer, zolang nog geen 104 weken zijn verstreken, ook aanspraak op loondoorbetaling. Ingevolge voornoemde hoofdregel zou deze prevaleren, waardoor de hoogte van de IVA-uitkering nul zou bedragen. Dit is uiteraard niet de bedoeling. Daarom wordt voor deze situatie een uitzondering gemaakt in die zin dat in dit geval de IVA-uitkering prevaleert boven de loondoorbetaling. Ingevolge artikel 7:629, vijfde lid, BW kan de werkgever het loon verminderen met deze WIA-uitkering.”


5.4.5.

Uit het oogpunt van de bedoeling van de uitzonderingsbepaling van meergenoemd artikel 4, tweede lid, is niet in te zien dat, vanaf het moment waarop vaststaat dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, voor het laten prevaleren van de IVA-uitkering boven de loondoorbetaling rechtens en feitelijk verschil bestaat tussen de situatie waarin de IVA-uitkering met een verkorte wachttijd is toegekend en de situatie waarin de IVA-uitkering zonder wachttijd is toegekend.


5.4.6.

In de artikelsgewijze toelichting is voor dit onderscheid geen objectieve en redelijke rechtvaardiging te lezen. Ook het Uwv heeft geen rechtvaardiging hiervoor gegeven.


5.4.7.

Uit 5.4.2 tot en met 5.4.6 volgt dat de situatie waarin de IVA-uitkering niet is toegekend met een verkorte wachttijd, maar zonder wachttijd, vanaf het moment van toekenning gelijk behandeld moet worden als de in artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit, omschreven situatie.”


4.7.

Vastgesteld wordt dat de tekst van artikel 3:4, eerste lid, van het Inkomensbesluit gelijk is aan de tekst van het in de aangehaalde uitspraak aan de orde zijnde artikel 4, tweede lid, van het Inkomensbesluit Wet WIA. Er is geen aanleiding om in de onderhavige zaak anders te overwegen dan in de aangehaalde uitspraak. Het door het Uwv benadrukte feit dat de situatie in de aangehaalde uitspraak verschilde van de situatie in de onderhavige zaak omdat voor appellante met ingang van 25 mei 2013 niet een tweede loondoorbetalingsverplichting aanving, is daarvoor geen grond. Voor het oordeel in de aangehaalde uitspraak is niet de duur van de betalingsverplichting op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW redengevend geweest, maar de door de regelgever miskende overeenkomst tussen een aanspraak op een IVA-uitkering met verkorte wachttijd en een aanspraak op die uitkering zonder wachttijd zonder dat sprake is van een rechtvaardiging voor een verschil in behandeling. Dat betekent dat ook in de onderhavige zaak de IVA-uitkering, waarvoor werkneemster zonder wachttijd in aanmerking is gebracht, vanaf 25 mei 2013 gelijk moet worden behandeld als de in dit geval in artikel 3:4, eerste lid, van het Inkomensbesluit omschreven situatie.


4.8.

Uit 4.7 volgt dat de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten, ontkennend wordt beantwoord. Het oordeel van de rechtbank dat appellante geen beroep toekomt op artikel 7:629, vijfde lid, van het BW en dat de

WIA-uitkering van werkneemster correct is berekend, is onjuist. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand blijven. De Raad kan zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het besluit van 7 november 2014 wordt herroepen voor zover daarbij onder “Berekening van uw uitkering” is vastgesteld dat “uw huidige maandinkomen” tot een bedrag van € 922,94 op het WIA-maandloon in mindering komt met als toelichting “betreft de loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte van uw werkgever over de periode van 25-05-2013 tot 23-05-2015”. Appellante zal de IVA-uitkering dus in mindering mogen brengen op de loonbetaling aan werkneemster.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Bij de aangevallen uitspraak is al over de proceskosten in eerste aanleg beslist. De kosten van rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op € 1.002,-.



















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • - herroept het besluit van 7 november 2014 voor zover daarbij een bedrag van € 922,94 op het WIA-maandloon in mindering is gebracht en bepaalt dit bedrag op nihil;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.002,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 503,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.




(getekend) M. Greebe




(getekend) M.A.A. Traousis




KS