Centrale Raad van Beroep, 07-03-2018 / 16/3647 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:696

Inhoudsindicatie
Loonsanctiebesluit staat in rechte vast omdat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 20 juni 2014. Brief van 12 november 2014 is geen verzoek om terug te komen van het loonsanctiebesluit. Het bezwaarschrift tegen het WIA-besluit is niet tevens te zien als gericht tegen het bekortingsbesluit, waardoor ook dat in rechte vaststaat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-07
Publicatiedatum
2018-03-13
Zaaknummer
16/3647 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

163647 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 april 2016, 15/8300 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[Appellante (stichting)] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 7 maart 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.J. Vaessen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Voor appellante is verschenen A. van Ede, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.



OVERWEGINGEN


1.1.

[naam werknemer] (werknemer) was werkzaam als [naam functie] in dienst van appellante toen hij zich wegens gedragsproblematiek en vervolgens ook wegens schouder- en armklachten met ingang van 27 juni 2012 heeft ziek gemeld. Naar aanleiding van de door werknemer ingediende aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante beoordeeld. Die beoordeling heeft geleid tot een besluit van 30 april 2014, waarbij het Uwv heeft bepaald dat appellante het loon van werknemer moet doorbetalen tot 25 juni 2015 omdat appellante niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit tot het opleggen van een loonsanctie heeft het Uwv bij besluit van

20 juni 2014 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.


1.2.

Bij brief van 12 november 2014 heeft appellante aan het Uwv verzocht de opgelegde loonsanctie te beëindigen omdat werknemer met ingang van 18 mei 2014 niet meer in staat was te werken of re-integratie-activiteiten te verrichten. Naar aanleiding van dat verzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 april 2015 de periode waarin appellante het loon van werknemer moet doorbetalen bekort tot en met 14 januari 2015.


1.3.

Bij besluit van 12 mei 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer met ingang van

15 januari 2015 recht heeft op een WIA-uitkering. Op 6 juni 2015 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 mei 2015. Volgens appellante moet als datum van ingang van de WIA-uitkering worden bepaald 25 juni 2014, direct aansluitend aan het einde van de wachttijd. Bij brief van 3 september 2015 heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat, nu geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 28 april 2015 tot bekorting van de loonsanctie tot 15 januari 2015, een eerdere ingangsdatum van de WIA-uitkering niet aan de orde kan zijn. Bij besluit van 1 december 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2015 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de loonsanctie en de bekorting van de loonsanctie in rechte vaststaan, zodat 15 januari 2015 als ingangsdatum van de WIA-uitkering juist is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat haar brief van

12 november 2014 tevens had moeten worden opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om terug te komen van het besluit van

30 april 2014. Het bezwaarschrift van 6 juni 2015 had moeten worden opgevat als mede gericht tegen het besluit van 28 april 2015. Nu de medische situatie van werknemer was gewijzigd zou handhaven van de loonsanctie volgens appellante in strijd komen met het reparatoire karakter van die sanctie.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt, gelet op wat in hoger beroep is aangevoerd, tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vastgesteld wordt dat het loonsanctiebesluit in rechte vaststaat, nu appellante geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 20 juni 2014. Dat besluit staat daarom in deze procedure niet ter discussie.


4.2.

Evenmin staat ter discussie dat inmiddels uit de beoordeling door het Uwv is gebleken dat werknemer al bij einde wachttijd per 25 juni 2014 geen mogelijkheden tot re-integratie had. Dat doet er evenwel niet aan af dat het loonsanctiebesluit vaststaat en dat appellante dat besluit uitsluitend via een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb alsnog ter discussie kan stellen.


4.3.

Appellante wordt niet gevolgd in het standpunt dat haar brief van 12 november 2014 moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van het loonsanctiebesluit van

30 april 2014. In die brief is uitdrukkelijk verzocht de loonsanctie per direct te beëindigen.

Appellante heeft in die brief vermeld dat bij werknemer op 13 juni 2014 een nieuwe medische aandoening is vastgesteld en in september 2014 is gebleken dat de behandeling nog niet is aangeslagen en de bijwerkingen van de medicatie toenemen. Daaruit hoefde het Uwv niet te begrijpen dat appellante beoogde dat de loonsanctie met terugwerkende kracht ongedaan zou worden gemaakt. Ter zitting heeft appellante bevestigd dat ook nadien geen afzonderlijk verzoek aan het Uwv is gedaan om van het loonsanctiebesluit terug te komen.


4.4.

Appellante wordt evenmin gevolgd in het standpunt dat zij met haar bezwaarschrift van

6 juni 2015 tegen het WIA-besluit van 12 mei 2015 tevens heeft beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van 28 april 2015 tot bekorting van de loonsanctie. In het bezwaarschrift is expliciet vermeld dat het is gericht tegen het besluit van 12 mei 2015. Appellante heeft voorts geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord op haar bezwaar, om haar mogelijke verderstrekkende bedoeling van het bezwaarschrift onder de aandacht te brengen van het Uwv. Ook het bekortingsbesluit van 28 april 2015 staat dus vast en ter zitting is bevestigd dat evenmin een verzoek aan het Uwv is gedaan om van dat besluit terug te komen.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij dit oordeel is er geen grond voor schadevergoeding zodat dat verzoek zal worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.



(getekend) M. Greebe




(getekend) M.A.A. Traousis




LO