Gerechtshof Amsterdam, 16-02-2016 / 13/00663 tot en met 13/00672


ECLI:NL:GHAMS:2016:565

Inhoudsindicatie
Beroepen zijn door de rechtbank wegens gebrek aan belang terecht niet-ontvankelijk verklaard, nu de belastingaanslagen reeds bij uitspraak op bezwaar tot nihil zijn verminderd. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade dient desondanks wel te worden behandeld. In dezen is voor het toekennen daarvan geen grond aanwezig. Verder heeft de rechtbank de juiste wegingsfactor toegepast.
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2016-02-16
Publicatiedatum
2016-02-24
Zaaknummer
13/00663 tot en met 13/00672
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2016/421
  • V-N 2016/28.17.9
  • FutD 2016-0522
  • FutD 2016-0523
  • NTFR 2016/1027 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 13/00663 tot en met 13/00672


16 februari 2016


uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer


op de hoger beroepen van


[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. drs. S. Bharatsingh),


tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 12/4213 tot en met 12/4215 en 12/4217 tot en met 12/4223 van de rechtbank Noord- Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen


belanghebbende


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(mr. B. Swart).



1Ontstaan en loop van het geding


1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen (jaren 1990 en 1991) en aanslagen (jaren 2001 tot en met 2008) in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) en in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd (in de tabellen en ook overigens hierna wordt onder ‘boete’ mede verstaan ‘de verhoging al of niet na – gedeeltelijke – kwijtschelding’):


Jaar IB Boete
Belastbaar inkomen uit werk en woning uit sparen en beleggen
1990 f 95.695 f 13.536
2001 € 48.269 € 14.735 € 4.420
2002 € 53.261 € 14.735 € 4.420
2003 € 52.425 € 15.082 € 4.524
2004 € 55.927 € 15.714 € 4.714
2005 € 53.732 € 16.256 € 4.876
2006 € 57.857 € 16.760 € 5.028
2007 € 60.927 € 1.494 € 448
2008 € 60.412 € 17.290 € 5.187

Jaar VB Boete
Belastbaar vermogen
1991 f 458.000 f 3.664

Voormelde (navorderings)aanslagen en boeten zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2002 (IB 1990 en VB 1991), 31 december 2004 (IB 2001 en 2002), 29 december 2006 (IB 2003 en 2004), 22 december 2008 (IB 2005 en 2006), 31 december 2010 (IB 2007) en 3 mei 2011 (IB 2008).


1.2.

Na tegen de hiervoor gemelde (navorderings)aanslagen en tegen de boetebeschikkingen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 27 juli 2012, de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 (inclusief de daarbij behorende verhogingen) vernietigd en de overige aanslagen en boeten verminderd tot de volgende bedragen:


Jaar IB Boete
Belastbaar inkomen uit werk en woning uit sparen en beleggen
2001 € 48.269 € 811 € 145
2002 € 53.261 € 717 € 129
2003 € 52.425 € 727 € 130
2004 € 55.927 € 739 € 132
2005 € 53.732 € 383 € 73
2006 € 57.857 € 24 € 4
2007 € 60.927 € 0 € 0
2008 € 60.412 € 0 € 0

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de rechtbank als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):


“De rechtbank:

 verklaart het beroep inzake de boetebeschikking voor het jaar 2005 gegrond;

 vernietigt de uitspraak op bezwaar van 27 juli 2012 voor zover het deze boete betreft;

 vermindert de boetebeschikking voor het jaar 2005 tot € 57;

 bevestigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aan eiser opgelegde aanslag ib/pvv 2005 voor het overige;

 verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991 niet-ontvankelijk;

 verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 2001 tot en met 2008 ongegrond;

 wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep van € 944;

 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.”


1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende (in één geschrift) ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 1 november 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.


1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.



2Tussen partijen vaststaande feiten


2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:


“2.1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxemburg in Luxemburg documenten en microfiches van deze bank ontvreemd.


2.2.

Op 27 oktober 2000 zijn de gegevens die betrekking hebben op de microfiches door de Belgische autoriteiten op basis van richtlijn 77/799/EEG in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen aan het (Nederlandse) Ministerie van Financiën verstrekt.


2.3.

Op de microfiches stonden gegevens van twee rekeningen met nummer 123052 op naam van eiser en zijn toenmalige echtgenote. Per 31 januari 1994 stonden op de rekeningen twee saldi met een totaal bedrag van ƒ 231.571.


2.4.1.

Op 9 juli 2002 heeft verweerder eiser verzocht informatie te verschaffen over een in het buitenland aangehouden bankrekening. Eiser is daarbij verzocht een daartoe bijgevoegde verklaring in te vullen en deze te retourneren. Naar aanleiding daarvan is tussen eiser en verweerder diverse malen gecorrespondeerd.


2.4.2.

Eiser heeft de gevraagde informatie niet verstrekt. Verweerder heeft daarop ter behoud van rechten de navorderingsaanslagen vb 1991 en ib/pvv 1990 vastgesteld naar een geschat bedrag.


2.5.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor de jaren 2001 tot en met 2008 gedaan. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangiftes op 8 november 2004 (2001 en 2002), op 27 oktober 2006 (2003 en 2004), op 10 juli 2008 (2005 en 2006) en op 15 december 2010 (2007 en 2008) een voornemen tot afwijking van de aangifte en kennisgeving boete (als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna: AWR, tekst 2008 en eerder) verzonden. Bij brieven van 31 december 2004 (2001 en 2002), van 20 december 2006 (2003 en 2004), van 22 december 2008 (2005 en 2006) en van 31 december 2010 (2007 en 2008) heeft verweerder aan eiser een mededeling (als bedoeld in artikel 67g van de AWR) verzonden.


2.6.1.

Op 6 januari 2003 heeft eiser pro forma bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen vb 1991 en ib/pvv 1990 en heeft hij verzocht om uitstel voor de motivering van het bezwaar. Bij brief van 29 januari 2003 heeft eiser ingestemd met het voorstel van verweerder d.d. 28 januari 2003 om het bezwaar aan te houden totdat onherroepelijk uitspraak zou zijn gedaan in soortgelijke procedures.


2.6.2.

Op 2 februari 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen ib/pvv 2001 en 2002. Op 9 februari 2007 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen ib/pvv 2003 en 2004. Op 22 januari 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslagen ib/pvv 2005 en 2006. Op 2 februari 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2007 en op 8 juni 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2008. In deze bezwaarschriften heeft eiser eveneens verzocht uitstel van motivering te verlenen en zich akkoord verklaard met aanhouding van het bezwaar totdat onherroepelijk zou zijn beslist op de in 2.6.1 genoemde soortgelijke procedures alsmede in de procedures van eiser bij het Gerechtshof te Amsterdam (met o.a. kenmerk BK-04/02830).


2.7.

Op 8 maart 2012 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij onder meer naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2012, nrs. 10/05100 en 11/01420 (de procedures over de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen ib/pvv 1991-2000 en vb 1992-2000) het aanhouden van de bezwaren niet langer noodzakelijk acht. Verweerder heeft eiser daarop verzocht de bezwaren te motiveren en rekeningafschriften met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2008 te verstrekken.


2.8.1.

Vervolgens hebben eiser en verweerder mondeling overleg gehad waarin is besloten dat verweerder zal uitgaan van een door eiser opgesteld saldo-overzicht (bijlage 75 bij het verweerschrift) dat de gemachtigde in december 2007 in het kader van een procedure voor andere jaren aan het gerechtshof heeft toegestuurd. Voorts heeft verweerder op 28 maart 2012 op verzoek van eiser een vaststellingsovereenkomst opgemaakt in het kader van een compromis met betrekking tot de nog lopende bezwaarschriften.


2.8.2.

Verweerder heeft op 16 mei 2012 op verzoek van eiser een gewijzigde vaststellingsovereenkomst opgemaakt voor alle in geschil zijnde belastingjaren. Op 15 juni 2012 heeft verweerder opnieuw op verzoek van eiser een gewijzigde vaststellingsovereenkomst opgemaakt.


2.8.3.

Op 5 juli 2012 heeft eiser meegedeeld de vaststellingsovereenkomst niet te zullen ondertekenen.


2.9.

Bij brief van 19 juli 2012 heeft verweerder aan eiser meegedeeld de navorderingsaanslagen vb 1991 en ib/pvv 1990 te zullen vernietigen en voor de aanslagen ib/pvv 2001-2008 uit te zullen gaan van de eerder gemaakte berekeningen (die als bijlage bij de concept-vaststellingsovereenkomst van 15 juni 2012 waren gevoegd).”


2.2.

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit.



3Geschil in hoger beroep


3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of, en zo ja: tot welk bedrag, belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.

Tevens is in geschil de hoogte van de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding.


3.2.

In hoger beroep is de door de rechtbank tot € 57 verminderde boete met betrekking tot de IB over het jaar 2005 niet in geschil.


3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.



4Beoordeling van het geschil


4.1.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep inzake de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991

4.1.1.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot nihil. Het aanwenden van het rechtsmiddel van beroep bij de rechtbank kon belanghebbende derhalve, ongeacht de gronden waarop het steunt, ten aanzien van die belastingaanslagen niet in een betere positie brengen zodat belanghebbende bij het instellen van het rechtsmiddel geen belang had. De omstandigheid dat belanghebbende in beroep heeft verzocht om toekenning van vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maakt dit niet anders nu voor de behandeling en toewijzing van een dergelijk verzoek – anders dan bij een verzoek tot toekenning van vergoeding van schade op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – niet vereist is dat het beroep ontvankelijk (en gegrond) is.

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep gericht tegen de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.


4.1.2.

Anders dan de rechtbank is het Hof evenwel van oordeel dat in een geval als het onderhavige – waarin belanghebbende betoogt dat de behandelingsduur onredelijk lang is geweest en hij deswege verzoekt om vergoeding van immateriële schade – de omstandigheid dat de desbetreffende belastingaanslagen bij de uitspraak op bezwaar zijn verminderd tot nihil geen reden is een dergelijk verzoek niet in behandeling te nemen.

Een ander oordeel zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat een belastingplichtige zich met een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens een onredelijk lange duur van de bezwaarfase niet tot de belastingrechter zou kunnen wenden indien een belastingaanslag ten onrechte is opgelegd en bij de uitspraak op bezwaar wordt verminderd tot nihil, maar wel in de gevallen dat een belastingaanslag terecht is opgelegd en bij de uitspraak op bezwaar wordt gehandhaafd, of een belastingaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd en bij de uitspraak op bezwaar conform het standpunt van belanghebbende tot een lager bedrag wordt verminderd. Dit terwijl juist de belastingrechter in al die gevallen moet worden gezien als de rechter die bij uitstek aangewezen is om een dergelijk verzoek inhoudelijk te beoordelen.

Het Hof vindt voor zijn oordeel steun in de strekking van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50). Op grond van de artikelen 8:88, 8:89 en 8:90 van de Awb (genoemde artikelen zijn ingevoerd bij inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten) zou de belastingrechter in dezen bij uitsluiting bevoegd zijn geweest kennis te nemen van het verzoek tot schadevergoeding indien de bepalingen van overgangsrecht en het bepaalde in artikel V van bedoelde wet daaraan niet in de weg hadden gestaan.


4.1.3.

Het Hof zal de duur van de besluitvorming omtrent de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991 derhalve meenemen in de beantwoording van de vraag of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade.


4.2.

Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade


4.2.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639,

ECLI:NL:HR:2011:BO5046, onder meer het volgende overwogen:


“3.3.1 (...) Dit beginsel [Hof: het beginsel van de rechtszekerheid] noopt ertoe dat

belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht (...) Aangezien dit vereiste

berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt

aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM. (...) Uit die

jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere

omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade

worden verondersteld. (...)


3.3.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet (...)

aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad

van 22 april 2005, nr. 37984, UN A09006, BNB 2005/337.”


4.2.2.

Op grond van het arrest van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:A09006,

neemt het Hof tot uitgangspunt:

- dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg (de duur van de bezwaarfase inbegrepen)

niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar na

aanvang van de termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;

- dat als bijzondere omstandigheid – waarvan de redelijkheid van de duur van de

behandeling mede afhankelijk is – onder meer is aan te merken de ingewikkeldheid van

de zaak, waartoe bijvoorbeeld kan worden gerekend de aard en omvang van de fiscale

problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede de verknochtheid van het

belastbare en/of beboetbare feit met andere belastbare en/of beboetbare feiten

betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n). Ook de invloed van de

belanghebbende en/of diens gemachtigde op het procesverloop kan van betekenis zijn.


4.2.3.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270,

ECLI:NL:HR:2013:BX6666, moet ervan worden uitgegaan dat in belastingzaken waarin de

bezwaarfase en de beroepsprocedure tezamen (de ‘eerste fase’) onredelijk veel tijd in beslag

hebben genomen, de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan

een halfjaar overschrijdt en de beroepsprocedure voor zover zij meer dan anderhalfjaar in

beslag neemt.


4.2.4.

In zijn arrest van 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, heeft de Hoge

Raad overwogen dat indien meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn

behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, voor die

zaken gezamenlijk slechts éénmaal het tarief van € 500 per halfjaar wordt gehanteerd,

waarbij de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden berekend vanaf de datum

van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.


4.2.5.

Het onderhavige verzoek ziet op de (volgens belanghebbende onredelijk lange) duur

van de behandeling van het bezwaar en van het beroep bij de rechtbank. Gelet op het hiervoor genoemde arrest van 21 maart 2014 dient de behandelingsduur van die

zaken gezamenlijk te worden beoordeeld. In termen van voormeld arrest van 22 april 2005

gaat het hier om de beoordeling van de vraag of de redelijke behandelingstermijn in de

‘eerste fase’ is overschreden.


4.2.6.

Met inachtneming van het vorenoverwogene stelt het Hof vast dat in deze zaken

waarin het (oudste) bezwaarschrift is ingekomen op 6 januari 2003 en (in alle zaken) uitspraak op bezwaar is gedaan op 27 juli 2012, de langste behandelingsduur van het bezwaar (afgerond naar boven) 9 jaar en 7 maanden heeft bedragen. De behandelingsduur van de zaken in de ‘eerste fase’ – het tijdsverloop tussen de indiening van het (eerste) bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank – heeft 10 jaar en 9 maanden bedragen. Afgerond naar boven komt de behandelingsduur in de ‘eerste fase’ neer op 22 halve jaren. Het tijdsverloop in de ‘eerste fase’ (tot aan de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank) geeft gelet op de in 4.2.2 en 4.3.3 vermelde uitgangspunten in beginsel

aanleiding tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.


4.2.7.

Bij de beantwoording van de vraag of de zaken binnen een redelijke termijn zijn

behandeld, kunnen bijzondere omstandigheden in aanmerking worden genomen. Met name of zaken moeten worden gekwalificeerd als zeer complex omdat daarin een veelheid van feitelijke en rechtsvragen speelt.


4.2.8.

Naar het oordeel van het Hof is te dezen inderdaad sprake van zeer complexe zaken,

zowel juridisch als feitelijk. Een complicerende factor was voorts gelegen in de noodzakelijke afstemming en coördinatie door de Belastingdienst bij de behandeling van en de standpuntbepaling jegens een groot aantal belastingplichtigen; voor de rechterlijke instanties gold als vergelijkbare complicerende factor het bewaken van consistentie in haar uitspraken.


4.2.9.

Op grond van de in 4.2.8 genoemde bijzondere omstandigheden zijn termen

aanwezig af te wijken van de in 4.2.2 en 4.2.3 vermelde standaardtermijnen en wel in die zin

dat de redelijke behandelingsduur voor de bezwaarfase in het onderhavige geval wordt gesteld op anderhalfjaar en voor de behandeling van de beroepsprocedure op tweeëneenhalfjaar. De redelijke behandelingsduur voor de ‘eerste fase’ beloopt in deze derhalve in beginsel vier jaar (acht halve jaren).


4.2.10.

Voorts acht het Hof van betekenis dat belanghebbende – die in deze steeds werd vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde – in een aantal bezwaarschriften heeft verzocht om uitstel van de motivering van het bezwaar totdat in andere procedures is beslist (IB 90, VB 91, IB 2005, IB 2006, IB 2007, IB 2008) en ten aanzien van de beslissing op het bezwaar inzake alle belastingaanslagen uitdrukkelijk heeft ingestemd met aanhouding van de uitspraak op bezwaar totdat was beslist in andere procedures. Het tijdsverloop tussen de verzoeken om uitstel van motivering c.q. de instemming met de aanhouding, en de uitspraken in de andere procedures (de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2012, genoemd in overweging 2.7 van de rechtbank) dient in beginsel voor rekening van belanghebbende te blijven. Dat tijdsverloop besloeg de periode van 6 januari 2003 tot 27 januari 2012, derhalve iets meer dan negen jaar.


4.2.11.

Belanghebbende diende er evenwel rekening mee te houden dat – voor zover het de voor 1 januari 2008 ingediende bezwaren betreft – indien hij niet zou instemmen met de aanhouding van de bezwaren de inspecteur de destijds geldende maximale termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar van een jaar zou benutten en daarenboven machtiging van de Minister zou vragen en krijgen om de uitspraak met een jaar te verdagen (artikel 25, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tekst tot 1 januari 2008). Uit de van de zijde van belanghebbende ter zitting van de rechtbank overgelegde stukken blijkt immers dat een dergelijke handelwijze door de inspecteur ook ten aanzien van de afhandeling van de bezwaren van belanghebbende betreffende andere jaren is gevolgd.


4.2.12.

Het onder 4.2.11 overwogene geeft het Hof aanleiding het tijdsverloop van negen jaren berekend onder 4.2.10 slechts voor een gedeelte van zeven jaar voor rekening van belanghebbende te doen komen.


4.2.13.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de tijd gemoeid met de ‘eerste fase’ in totaal 22 halve jaren heeft belopen (zie 4.2.6) waarvan 14 halve jaren aan belanghebbende moet worden toegerekend (zie 4.2.12). Nu het Hof een tijdsverloop van 8 halve jaren in dezen redelijk vindt (zie 4.2.9) is de redelijke behandelingstermijn niet overschreden en bestaat geen grond voor het toekennen van vergoeding wegens immateriële schade.


4.3.

Met betrekking tot de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding


4.3.1.

De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 944, welk bedrag de rechtbank heeft berekend als 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1. Belanghebbende betwist de toegepaste wegingsfactor.


4.3.2.

Nu slechts één door belanghebbende bij de rechtbank ingesteld beroep gegrond is verklaard (het beroep inzake de boetebeschikking met betrekking tot de IB over het jaar 2005) en alle overige door belanghebbende bij de rechtbank ingestelde beroepen niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verklaard en voorts het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade is afgewezen, bestond geen grond als wegingsfactor voor samenhang een hogere factor dan één in aanmerking te nemen.


4.3.3.

Voor zover de wegingsfactor betrekking heeft op het gewicht van de zaak, geldt dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van de eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (vgl. Hoge Raad, 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293). Nu het geschil in de zaak waarin het beroep gegrond is verklaard voor wat betreft de hoofdzaak alleen betrekking had op een relatief geringe boete over het jaar 2005 – die volgens beide partijen verminderd moest worden van € 73 naar € 57 – (ter zitting van de rechtbank heeft belanghebbende blijkens de uitspraak van de rechtbank verklaard dat, indien de boete met betrekking tot de IB over het jaar 2005 verminderd wordt tot € 57, de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de heffingsrentebeschikkingen niet in geschil zijn) ziet het Hof geen aanleiding af te wijken van het oordeel van de rechtbank en wegens het gewicht van de zaak een hogere wegingsfactor dan één in aanmerking te nemen.


Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank dient – met verbetering van gronden – te worden bevestigd.



5Kosten


Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.



6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, P.F. Goes en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 16 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.


















Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.