Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-06-2013 / 11/00670 en 11/00671


ECLI:NL:GHARL:2013:CA2824

Inhoudsindicatie
Project Bank Zonder Naam: Geen belang bij 8:29 procedure. Navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 1996 zijn niet voortvarend opgelegd. Toepassing verlengde navorderingstermijn niet toegestaan. Geen immateriële schadevergoeding. Het Hof acht redelijke termijn niet overschreden.
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2013-06-11
Publicatiedatum
2013-06-12
Zaaknummer
11/00670 en 11/00671
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2013/1388
  • FutD 2013-1501 met annotatie van Fiscaal up to Date
Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 11/00670 en 11/00671


uitspraakdatum: 11 juni 2013


Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 30 augustus 2011, nummers AWB 08/5277 en 08/5278, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1995 en een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting over het jaar 1996 opgelegd, beide met een verhoging van 100%, van welke verhoging bij beschikking niets is kwijtgescholden. Bij beschikkingen is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de kwijtscheldingsbesluiten gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft, naar het Hof begrijpt, de beroepen inzake de kwijtscheldingsbesluiten gegrond verklaard, de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht.

1.4. Het beroepschrift van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 23 september 2011 ter griffie ingekomen. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend, belanghebbende een conclusie van dupliek.

1.5. Het beroepschrift van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 6 oktober 2011 ter griffie ingekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2013 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen mr. A. Namens de Inspecteur is verschenen B, bijgestaan door C. Ter zitting heeft de Inspecteur het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.7. De Inspecteur heeft met dagtekening 15 mei 2013 een brief aan het Hof gezonden. In deze brief schrijft de Inspecteur dat het niet zijn bedoeling is te verzoeken om heropening van het onderzoek. Het Hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Een afschrift van de brief is aan deze uitspraak gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen, gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD, Team Internationaal, welke gegevens bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1 tot en met B12.

2.2. In de Nota van 18 februari 2005 staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De twaalf bijlagen bevatten onder meer gegevens over bank- en beleggingsrekeningen, de standen van die rekeningen per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 en namen van rekeninghouders.

2.3. Door de FIOD-ECD is een onderzoek ingesteld naar de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, welk onderzoek zich heeft gericht op de – nadere – identificatie van de rekeninghouders. Daarbij zijn de ontvangen gegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt waarbij de (vermoedelijke) gerechtigden nader werden geïdentificeerd en hun burgerservice¬nummer (ook wel: sofinummer) werd vermeld (“sofiëring”).

2.4. De bewerkte gegevens zijn door de FIOD-ECD op 1 maart 2006 overgedragen aan een landelijke toezichtorganisatie, waarna voor een projectmatige aanpak is gekozen en het project Bank Zonder Naam (hierna: het project) van start is gegaan. Doel van het project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens om te komen tot een gelijke behandeling van de belastingplichtigen die het aangaat. Ten behoeve van het project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek bevat alle aspecten van het project. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de websites van de Belastingdienst en van het ministerie van Financiën.

2.5. De resultaten van het identificatieproces zijn verspreid binnen de Belastingdienst, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bank en beleggings¬rekeningen en de opbrengsten daarvan) alsnog bij de desbetreffende belastingplichtigen in de belastingheffing te betrekken.

2.6. Bij de gegevens die door de Belgische autoriteiten zijn overgelegd bevinden zich renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 waarop is vermeld dat bij Van Lanschot een rekening wordt aangehouden op naam van ‘D E’, met rekeningnummer 00000. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote aangemerkt als houders van deze rekening.

2.7. Na daarover met belanghebbende te hebben gecorrespondeerd, heeft de Inspecteur aan belanghebbende de in geding zijnde navorderingsaanslagen opgelegd.

2.8. F, opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD ECD heeft met dagtekening 13 maart 2008 het volgende verklaard:

“In opdracht van het Management team van de FIOD ECD en de officier van justitie (…) heb ik een onderzoek ingesteld in de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens. In eerste instantie heeft het onderzoek zich gericht op de identificatie van rekeninghouders.

Vormen van identificatie

Er zijn twee vormen van identificatie geweest. Een identificatie aan de hand van per rekeninghouder beschikbare geïndividualiseerde informatie, als adres en telefoonnummer. Daar dit slechts voor ruim 200 rekeningen beschikbaar was heeft de overige identificatie tot op heden plaats gevonden aan de hand van geautomatiseerde identificatie. Dit proces-verbaal heeft betrekking op deze tweede vorm van identificatie.

Soorten tenaamstellingen

De gegevens van alle te naamgestelde rekeningen die genoemd staan op de van de Belgische autoriteiten ontvangen gegevens zijn verwerkt in een digitaal bestand. Er komen verschillende vormen van tenaamstelling van de rekening voor. (…)

Onderzoek tenaamstelling naar personen

Het cliëntenbestand (…) is (…) gematcht met de gegevens uit het systeem Beheer van Relaties (BVR). (…)

Matchen

Bestand enkele namen

Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit naam en letters, is gematcht met BVR op de vraag hoe vaak een naam, in combinatie met de voorletters in de volgorde zoals genoemd in de bronbestanden, voorkomt. (…)

Bestand dubbele namen

Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit een dubbele naam en in sommige gevallen voorzien van letters, is gematcht met het BVR op de vraag hoe vaak de combinatie van namen in het BVR, aan elkaar gekoppeld via een bestaande huwelijksrelatie, voorkomt. ”

2.9. G, projectleider Landelijke toezichtsorganisatie bij de Belasting¬dienst, heeft met dagtekening 20 september 2011 het volgende verklaard:

“De periode tussen ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten en het starten van het daadwerkelijke project (d.m.v. het versturen van brieven aan belastingplichtige in maart 2007) kan getypeerd worden als voorbereidingsperiode. De identificatie en sofiëring van de rekeninghouders aan de hand van de renseignementen hebben voor een groot gedeelte plaatsgevonden door de dienstonderdelen (voorheen) de FIOD ECD en Belastingdienst/CPP. (…) Zoals hiervoor vermeld is op 1 maart 2005 de brief met dagtekening 18 februari 2005 van de Belgische Belastingautoriteiten binnengekomen bij het toenmalig Hoofd van de Belastingdienst/FIOD ECD/Team Internationaal. Nadat diverse partijen zijn geïnformeerd over deze bulk aan informatie is bij de FIOD ECD capaciteit vrij gemaakt om de ontvangen gegevens te identificeren en te sofiëren.

Op dat moment was nog geen sprake van een project. Er bestond geen projectorganisatie en/of projectadministratie en er is naar mijn weten geen gedetailleerd overzicht bijgehouden waarin (bijvoorbeeld) de diverse werkzaamheden uitgebreid staan omschreven. (…)

Nadat alle interne betrokken partijen waren ingelicht, is gestart met het veredelen van de gegevens. Hiertoe zijn allereerst de ontvangen papieren documenten gedigitaliseerd, zodat vervolgens digitaal allerlei bestanden met elkaar konden worden vergeleken.

Voor een toelichting op de geautomatiseerde zoekslag (…) wil ik verwijzen naar het Procesverbaal Geautomatiseerde Identificatie, zoals die op 13 maart 2008 is opgemaakt. In de periode april 2005 - maart 2006 zijn voor deze identificatie slag veel bestanden gemaakt, variërend van 1 tot 26 per maand. Recente navraag (…) heeft mij een overzicht opgeleverd, waaruit blijkt dat er 80 bestanden (…) zijn gemaakt (…).

Naast de geautomatiseerde zoekslagen zijn er gedurende deze periode ook diverse handmatige zoekslagen geweest. (…)

Sofieer en identificeeractiviteiten vinden doorgaans door diverse mensen plaats, die onafhankelijk van elkaar werken. Bij twijfel worden steeds nieuwe zoekslagen gedaan, er is steeds met grote zorgvuldigheid geopereerd. ”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslagen en beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van de navorderingsaanslagen en dienovereenkomstige vermindering van de boeten en de heffingsrente.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat hij bepaalde (gedeelten van) stukken ten onrechte niet heeft overgelegd met een beroep op art. 8:29 Awb. Belanghebbende heeft het Hof verzocht de zaak te verwijzen naar de geheimhoudingskamer, althans te beslissen of de Inspecteur zich terecht heeft beroepen op art. 8:29 Awb. Gelet op de na te nemen beslissing heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof geen belang bij dit verzoek. Het Hof zal het verzoek daarom passeren.

4.2. De in geding zijnde navorderingsaanslagen zijn niet opgelegd binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat de navorderingsaanslagen betrekking hebben op inkomsten die zijn opgekomen, onderscheidenlijk op vermogen dat werd aangehouden in het buitenland, zodat de bevoegdheid tot navordering pas is vervallen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Belanghebbende stelt daartegenover dat de Inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend heeft gehandeld, dat de verlengde navorderingstermijn in zoverre buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het Europese recht en dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.

4.3. Het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie verzet zich er niet tegen dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderings¬aanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan (Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, LJN BI8987 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot), en Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43.050bis, LJN BJ9092).

4.4. In verband met het vorenoverwogene is van belang op welk tijdstip de Nederlandse belastingautoriteiten de beschikking kregen over aanwijzingen van het bestaan van (de inkomsten uit) de vermogensbestanddelen waarop de in geding zijnde navorderingsaanslagen betrekking hebben.

4.5. Bij de beoordeling van deze vraag stelt het Hof voorop dat naar zijn oordeel de FIOD ECD in dezen heeft te gelden als (onderdeel van) de belastingautoriteit en dat -bij de beantwoording van de vraag of met redelijke voortvarendheid een aanslag is opgelegd- het handelen van de FIOD-ECD aan de Inspecteur moet worden toegerekend.

4.6. Ook is het Hof van oordeel dat met de ontvangst in februari 2005 van de hiervoor vermelde gegevens van de Belgische autoriteiten de FIOD ECD, en daarmee de Nederlandse belastingautoriteit, beschikte over aanwijzingen als hiervoor bedoeld. Op grond van deze aanwijzingen kon de Belastingdienst immers belanghebbende aanmerken als de rechthebbende op (de inkomsten uit) deze tegoeden. Naar ’s Hofs oordeel geldt gelet op het hiervoor vermelde arrest X en Passenheim-van Schoot – de eis van voortvarend handelen ook bij de verwerking van deze aanwijzingen door de FIOD-ECD. Daarbij moeten, zoals de Inspecteur terecht bepleit, doeltreffendheid, snelheid en zorgvuldigheid met elkaar in balans zijn. Met inachtneming van die factoren, moet voortvarend worden gehandeld. De eis van voortvarend handelen geldt voortdurend, gedurende alle fasen van de ontvangst van de gegevens tot het vaststellen van de belastingaanslagen.

4.7. De belastingautoriteiten moet voor het verwerken van de aangeleverde gegevens een redelijke verwerkingstijd worden gegund (vgl. Hoge Raad van 27 mei 1992, nr. 28.101, BNB 1992/303). Daartoe behoort in ieder geval de tijd die noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting.

4.8. Belanghebbende betwist dat de Nederlandse belastingautoriteiten voortvarend hebben gehandeld. In verband daarmee heeft de Inspecteur een overzicht gegeven van de handelingen die hij en de FIOD ECD hebben verricht tussen de ontvangst van de gegevens in februari 2005 en de vaststelling van de in geding zijnde navorderingsaanslagen in december 2007.

4.9. De Inspecteur heeft verklaard dat verschillende perioden kunnen worden onderscheiden. In de onderzoekfase (tot maart 2006), hebben de volgende werkzaamheden plaatsgevonden: opstarten van behandeling, veredelen van de ontvangen gegevens en identificeren en sofiëren van rekeninghouders. De Inspecteur heeft verwezen naar de hiervoor onder 2.8 en 2.9 aangehaalde verklaringen. In de besluit en inrichtingsfase (maart tot augustus 2006) is overleg geweest, hebben besprekingen plaatsgevonden en is afgestemd met het ministerie van Financiën. In de projectfase (augustus 2006 tot maart 2007) is een projectteam samengesteld, zijn een projectorganisatie en een projectapplicatie opgezet, is een draaiboek opgesteld, zijn bijeenkomsten voor regiotrekkers georganiseerd, zijn ontvangen gegevens geverifieerd, zijn posten voor mogelijk strafrechtelijk onderzoek geselecteerd en is in overleg met de Landsadvocaat gestart met de voorbereiding van civiele kortgedingprocedures. In maart 2007 zijn de gegevens overgedragen aan de bevoegde inspecteur, waarna deze belanghebbende heeft benaderd en uiteindelijk de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aldus nog steeds de Inspecteur.

4.10. In de periode tussen februari 2005 (ontvangst van de gegevens) en maart 2006 is de behandeling opgestart en zijn de gegevens veredeld, door daaraan persoonsgegevens, waaronder sofinummers, toe te voegen. Uit de hiervoor onder 2.9 aangehaalde verklaring volgt dat een geautomatiseerde zoekslag heeft plaatsgevonden, waarop ook de hiervoor onder 2.8 aangehaalde verklaring betrekking heeft, en daarnaast diverse handmatige zoekslagen. De geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan, zo heeft de Inspecteur ter zitting verklaard, een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed. Op grond van de beschrijving van de werkzaamheden zoals deze uit de verschillende verklaringen naar voren komt, is het het Hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk waarom deze fase meer dan een jaar heeft moeten duren. Het Hof acht niet aannemelijk dat daarmee bij een voortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit enkele maanden zou zijn gemoeid. De Inspecteur heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat niet meer tijd is genomen dan noodzakelijkerwijs was gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking stonden. Derhalve moeten de navorderingsaanslagen, met inbegrip van de verhogingen en de kwijtscheldingsbesluiten, worden vernietigd.

4.11. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Het hoger beroep is ook in zoverre gegrond.

5. Immateriële schadevergoeding

5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het onderhavige geschil langer heeft geduurd dan redelijk is. Hij heeft, onder verwijzing naar Hoge Raad 10 juni 2001, nrs. 09/02639, LJN BO5046, 09/05112, LJN BO5080, en 09/05113, LJN BO5087, aanspraak gemaakt op een vergoeding van de door hem daardoor geleden (immateriële) schade.

5.2. In dat verband is het volgende van belang. Het geschil is aangevangen door de indiening door belanghebbende van bezwaarschriften op 8 januari 2008. Bij brief van 17 april 2008 heeft belanghebbende de gronden van de bezwaren ingediend. De Inspecteur heeft op 14 oktober 2008 op die bezwaarschriften uitspraak gedaan. Op 20 november 2008 heeft belanghebbende beroepschriften ingediend, die op 25 maart 2009 zijn gemotiveerd. De Rechtbank heeft de Inspecteur bij brief van 3 april 2009 uitgenodigd de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Na verkregen uitstel heeft de Inspecteur bij brief van 17 juni 2009 aan deze uitnodiging voldaan. Bij brief van 17 september 2009 heeft hij zijn verweerschrift aangevuld. Bij brief van dezelfde datum heeft hij met een beroep op artikel 8:29 van de Awb meegedeeld dat uitsluitend de Rechtbank kennis zal mogen nemen van bepaalde (delen van) overgelegde stukken. Nadat belanghebbende daarop bij brief van 12 oktober 2009 had gereageerd, heeft de Rechtbank het verzoek om geheimhouding behandeld ter zitting van 8 maart 2010. De Rechtbank heeft op het verzoek beslist op 22 maart 2010. De Inspecteur heeft de beslissing opgevolgd en ter uitvoering daarvan bij brief van 15 april 2010 stukken overgelegd. De Rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 28 juni 2011 en uitspraak gedaan op 30 augustus 2011.

5.3. Tussen de indiening van het bezwaarschrift en de uitspraak van de Rechtbank zijn twee jaren en bijna acht maanden verstreken. Het Hof acht daarmee de redelijke termijn niet overschreden, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, de noodzaak van een zogenoemde geheimhoudingsprocedure en de invloed die belanghebbende en zijn raadsman hebben gehad op dat tijdsverloop, onder meer door zowel het bezwaarschrift als het beroepschrift eerst geruime tijd na de indiening te motiveren.

5.4. Met de termijn tussen de indiening van het hogerberoepschrift op 6 oktober 2011 en deze uitspraak is de redelijke termijn niet overschreden. Evenmin is dat het geval met de termijn tussen de indiening van het bezwaarschrift op 8 januari 2008 en deze uitspraak in hoger beroep.

6. Kosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting van het Hof. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 3,5 punten (beroepschrift, verweerschrift, dupliek en verschijnen ter zitting) × 1 (gewicht van de zaak) × € 472, ofwel op € 1.652 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslagen, de kwijtscheldingsbesluiten en de heffingsrente¬beschikkingen;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.652; en

- gelast de Staat het griffierecht ad € 112 aan belanghebbende te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 11 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,


(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)


Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.