Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-04-2015 / 200.162.665-01


ECLI:NL:GHARL:2015:2528

Inhoudsindicatie
Verzet tegen eiswijziging in hoger beroep. Geen relevante stellingen ingenomen. Bezwaren verworpen.
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2015-04-07
Publicatiedatum
2015-04-08
Zaaknummer
200.162.665-01
Procedure
Hoger beroep kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden


afdeling civiel recht


zaaknummer gerechtshof 200.162.665/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 3552828 VV EXPL 14-133)


rolbeschikking van de eerste enkelvoudige kamer in de zaak van:


[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. E. Bosch, kantoorhoudend te Zwolle,


tegen


[geïntimeerde] ,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.S.J. Top, kantoorhoudend te Amsterdam.



1Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis van 10 december 2014 van de kantonrechter Overijssel, team kanton en handelszaken, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter).


2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 6 januari 2015;

- de memorie van grieven tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis (met producties) van [appellante];

- de akte uitlating eiswijziging van [geïntimeerde], waarbij zij verzet aantekent tegen de eiswijziging door [appellante].


3De beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.


3.2

[geïntimeerde] drijft een onderneming die zich bezig houdt met het verzorgen van zwemlessen. Met ingang van [in 2011] is [appellante] in dienst getreden bij [geïntimeerde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden. [appellante] vervulde aldaar de functie van zweminstructrice. In de loop van 2011 is de functie van [appellante] uitgebreid met coördinerende taken.

3.3

[appellante] heeft op 6 juni 2011 een éénmanszaak opgericht, genaamd [X].


3.4

Met ingang van 1 januari 2013 is tussen [geïntimeerde] en [X], vertegenwoordigd door [appellante], een overeenkomst gesloten voor de duur van minimaal één jaar. De overeenkomst houdt in (samengevat) dat [X] als opdrachtnemer werkzaamheden zal uitvoeren voor [geïntimeerde] als opdrachtgever, bestaande uit het geven van zweminstructie, aquasporten en taken die voortvloeien uit de functie van coördinator voor de vestigingen van [geïntimeerde] zwemscholen in [plaats 1], [plaats 2] en [plaats 3]. In de overeenkomst is bepaald dat uitdrukkelijk geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.


3.5

Bij brief van 24 september 2013 heeft [geïntimeerde] voormelde overeenkomst opgezegd met ingang van 1 januari 2014.


3.6

Met ingang van 1 februari 2014 is tussen [geïntimeerde] en [X], vertegenwoordigd door [appellante], een overeenkomst gesloten. De overeenkomst houdt in (samengevat) dat [X] als opdrachtnemer werkzaamheden zal uitvoeren voor [geïntimeerde] als opdrachtgever, bestaande uit coördinerende en organisatorische zaken betreffende de locaties van [geïntimeerde]. In de overeenkomst is bepaald dat uitdrukkelijk geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.


3.7

[geïntimeerde] heeft het aantal uren dat [appellante] per week werkt met ingang van september 2014 teruggebracht van 29,7 naar 15.


3.8

In eerste aanleg heeft [appellante] gevorderd dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


"1. vast te stellen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen niet rechtsgeldig is geëindigd en dat de ‘opdrachtovereenkomst’ zich in feite laat kwalificeren als een arbeidsovereenkomst, en op die gronden de navolgende vorderingen toe te wijzen;


2. [geïntimeerde] te veroordelen om mevrouw [appellante] in staat te stellen met ingang van drie dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis haar gebruikelijke werkzaamheden voor 29,7 uur per week te hervatten, zulks op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 3.000,- per week dat daaraan door [geïntimeerde] geen gehoor wordt gegeven;


3. [geïntimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen zeven dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans binnen een door U E.A. Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, aan mevrouw [appellante] te betalen:

a. het achterstallige salaris, althans de onbetaald gelaten ‘facturen’ ter hoogte van € 4.419,33;

b. de wettelijke rente over het achterstallige salaris, althans de onbetaald gelaten ‘facturen’, zulks vanaf het moment dat [geïntimeerde] in verzuim is met betaling van die facturen (veertien dagen na dagtekening daarvan) tot aan de dag der algehele voldoening;

c. de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris, althans de onbetaald gelaten ‘facturen’, zulks ex artikel 7:525 BW;

d. de wettelijke rente over de wettelijke verhoging, te rekenen vanaf het moment dat [geïntimeerde] in verzuim is met de betaling daarvan tot aan de dag der algehele voldoening;


4. [geïntimeerde] te veroordelen de salarisbetalingen op reguliere wijze te hervatten tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, alsmede daarover salarisspecificaties te verstrekken waaruit blijkt dat voor mevrouw [appellante] sociale premies worden afgedragen;


5. te bepalen dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan een eventuele naheffing van premies werknemersverzekeringen op mevrouw [appellante] te verhalen;


6. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke ad € 392,- aan mevrouw [appellante];


7. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen de door U E.A. Kantonrechter in goede justitie te begroten nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief de nakosten, te berekenen vanaf zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis."


3.9

In het bestreden vonnis van 10 december 2014 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten van [geïntimeerde] verwezen.


3.10

In haar memorie van grieven, tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis, heeft [appellante] toegelicht dat haar loonvordering is opgelopen alsmede dat zij wegens ziekte niet heeft kunnen werken vanaf 11 december 2014. [appellante] wijzigt haar vordering zoals aangehaald in rechtsoverweging 3.8 onder (3) als volgt:


"[geïntimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen zeven dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen arrest, althans binnen een door uw hof in goede justitie te bepalen termijn, aan mevrouw [appellante] te betalen:


a) Het achterstallige salaris, althans de onbetaald gelaten ‘facturen’, ter hoogte van € 5.930,01 inclusief BTW / bruto;

b) het (achterstallige) salaris over de periode van 11 december 2014 tot de dag waarop mevrouw [appellante] zich beter meldt dan wel hersteld wordt verklaard door een bedrijfsarts, zulks berekend op basis van een werkweek van 29,7 uur;

c) de wettelijke rente over het achterstallige salaris, althans de onbetaald gelaten ‘facturen’, zulks vanaf het moment dat [geïntimeerde] in verzuim is met betaling van die facturen (veertien dagen na dagtekening daarvan) tot aan de dag der algehele voldoening.

d) de wettelijke rente over het onder b genoemde achterstallige salaris, zulks vanaf het moment dat [geïntimeerde] in verzuim is met betaling daarvan tot aan de dag van algehele voldoening;

e) de wettelijke verhoging over het onder a en b genoemde achterstallige salaris ex artikel 7:625 BW;

f) de wettelijke rente over de wettelijke verhoging, te rekenen van het moment dat [geïntimeerde] in verzuim is met de betaling daarvan tot aan de dag der algehele voldoening."


3.11

[geïntimeerde] verzet zich tegen de eiswijziging in hoger beroep, met als conclusie dat de eisvermeerdering van [appellante] rechtsgrondslag mist en daarom moet worden afgewezen.


3.12

Het hof overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan [appellante] de bevoegdheid toekomt haar eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.


3.13

De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In alle gevallen geldt dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR: 2008:BC4959, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).


3.14

Het hof stelt vast dat de eiswijziging voldoet aan de in 3.13 vermelde "in beginsel strakke regel", nu [appellante] haar eiswijziging in de memorie van grieven tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging.


3.15

De bezwaren van [geïntimeerde] komen erop neer dat de vorderingen van [appellante] op de gewijzigde grondslag niet voor toewijzing in aanmerking komen. Dit zijn echter inhoudelijke argumenten die geen rol spelen bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de eiswijziging. Relevante stellingen ten aanzien van de onderhavige beoordeling heeft [geïntimeerde] niet ingenomen, aangezien [geïntimeerde] niet eens heeft gesteld dat zij door de eiswijzing van [appellante] in haar verdediging wordt bemoeilijkt, dan wel dat het geding erdoor wordt vertraagd, dan wel dat anderszins sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde. In de bezwaren van [geïntimeerde] ziet het hof dan ook geen enkele aanleiding voor het oordeel dat zij door de eiswijziging van [appellante] onredelijk in haar verdediging wordt bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ambtshalve ziet het hof evenmin grond voor een dergelijk oordeel.


3.16

Wat (de advocaat van) [geïntimeerde] heeft bewogen om zich bij afzonderlijke akte te verzetten tegen de eiswijziging van [appellante], is het hof niet duidelijk geworden. Deze omstandigheid kan een rol spelen bij de in het eindarrest uit te spreken kostenveroordeling. Het hof wijst [geïntimeerde] erop dat zij haar inhoudelijke bezwaren tegen de vordering van [appellante] in haar memorie van antwoord dient te verwerken en niet kan volstaan met verwijzing naar de inhoud van haar akte uitlating eiswijziging.


3.17

De slotsom luidt dat de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging zullen worden verworpen. Het hof zal in hoger beroep derhalve recht doen op de gewijzigde eis van [appellante]. De (hoofd)zaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.


De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


verwerpt de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging van [appellante];


verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 19 mei 2015 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde].


Deze rolbeschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 7 april 2015 in bijzijn van de griffer.