Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-04-2015 / 14/00985 en 14/00986


ECLI:NL:GHARL:2015:3203

Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Investeringsaftrek. Uitgesloten bedrijfsmiddelen. Woning of opvangcentrum?
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2015-04-29
Publicatiedatum
2015-05-22
Zaaknummer
14/00985 en 14/00986
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2015/1133
  • V-N 2015/63.10 met annotatie van Redactie
  • FutD 2015-1266
  • NTFR 2015/1844 met annotatie van Mr. C. Bruijsten
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem


nummers 14/00985 en 14/00986

uitspraakdatum: 29 april 2015


Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van


de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)


tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 augustus 2014, nummer AWB 13/5937 en AWB 13/5942, in het geding tussen de Inspecteur en


[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)




1Ontstaan en loop van het geding


1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.479. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 854.

1.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 32.369. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 24.

1.3

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de aanslagen en heffingsrentebeschikkingen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 5 augustus 2014 gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.382, de aanslag Zvw verminderd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 18.412 en de heffingsrentebeschikkingen dienovereenkomstig verminderd.

1.5

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaak betrekking hebben.


1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [A] en [B], als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [C] namens de Inspecteur.

1.8

Ter zitting zijn tevens de zaken van de echtgenote van belanghebbende met de nummers 14/00987 en 14/00988 behandeld.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.


2De vaststaande feiten


2.1

Belanghebbende is getrouwd met [A] (hierna: zijn echtgenote). Het echtpaar heeft vier kinderen, waarvan er in 2009 meestentijds één uitwonend was.

2.2

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn beiden vennoot van [D] v.o.f. (hierna: de vof). Ten behoeve van de vof heeft het echtpaar heeft op 14 oktober 2008 de eigendom van de onroerende zaak “[E]” aan de [a-straat] 2A te [Z] verworven (hierna: de onroerende zaak). Dit betreft een voormalige pastorie. De onroerende zaak is gelegen in de kern van het dorp op een perceel van bijna 3.000 m2. Na de verwerving van de onroerende zaak hebben belanghebbende en zijn echtgenote daarin ongeveer € 260.000 geïnvesteerd teneinde de onroerende zaak geschikt te maken voor de exploitatie van de onderneming. Na de verbouwing heeft de onroerende zaak een grote woonkamer, een grote keuken, dertien slaapkamers, vijf badkamers, een ruimte met twee wasmachines en wasdrogers alsmede een kantoor. De deur van het kantoor is voorzien van een code-slot. Op verschillende plaatsen zijn camera’s opgehangen ter bescherming van alle bewoners van de onroerende zaak, onder wie belanghebbende en zijn gezin. De inrichting van de onroerende zaak is zo uitgevoerd, dat daaraan geen grote schade kan worden aangebracht. Er is één ruimte gecreëerd die uitsluitend voor belanghebbende en zijn gezinsleden toegankelijk is. Dit is een kleine kamer op de eerste verdieping waar de kinderen van belanghebbende zich kunnen terugtrekken wanneer zij daaraan behoefte hebben. Bij een recente wijziging van het bestemmingsplan van de gemeente [F] heeft de onroerende zaak de bestemming gezinshuis voor jongeren met 24-uurs zorg gekregen.

2.3

Belanghebbende is met zijn gezin in de onroerende zaak gaan wonen.

2.4

De vof heeft een franchiseovereenkomst gesloten met Stichting [G]. Deze zorgorganisatie plaatst jongeren met een zorgvraag onder meer bij gezinsvervangende huizen. Een jongere wordt een verblijf in de onroerende zaak aangeboden, nadat belanghebbende en zijn echtgenote daarvoor toestemming hebben gegeven.

2.5

Het betreft jongeren tussen acht en drieëntwintig jaar oud, zowel jongens als meisjes, die veelal een laag tot zeer laag IQ hebben en kampen met opvoedingsproblemen en ernstige gedragsbeperkingen. De jongeren komen allen uit pleeggezinnen, (gesloten) instellingen of internaten. Het merendeel van de jongeren heeft een zogenoemde LVG-3 indicatie gekregen van het CIZ. Deze indicatie houdt in dat de jongere in aanmerking komt voor het zorgzwaartepakket 3 voor licht verstandelijk gehandicapten. De bevoorschotting die de vof voor de jongeren met deze indicatie van Stichting [G] ontvangt, bedraagt € 81.738 per jaar (2009). Het cliëntprofiel dat hoort bij dit zorgzwaartepakket luidt als volgt:

“De cliënt verblijft gedurende een afgebakende periode in een omgeving waar huisvesting, huishoudelijke ondersteuning en begeleiding met een behandelend karakter wordt geboden. Er is sprake van een duidelijk omschreven behandelklimaat dat zich uitstrekt tot alle leefsferen. De cliënt wordt behandeld aan de hand van een voor de cliënt vastgesteld behandelplan dat zich richt op het leren van sociale vaardigheden, het aanleren van praktische vaardigheden, het verbeteren van vrijetijdsbesteding, het ontwikkelen en aanleren van emotionele vaardigheden, versterken van motorische ontwikkeling, versterking van autonomie, verbetering van het sociale netwerk en seksuele opvoeding. In verband met specifieke problematiek verblijf binnen een kleine overzichtelijke groep en intensieve betrokkenheid vereist.

Door de instelling wordt regelmatig contact onderhouden met de ouders/thuissituatie, de school van het kind en verder met bijvoorbeeld de gezinsvoogd, maatschappelijk werk en eventueel andere externe betrokkenen.


Op het gebied van sociale redzaamheid hebben de cliënten veel hulp nodig. Zij kunnen taken vaak met veel moeite zelf uitvoeren en hebben daarbij veel hulp of zelfs overname nodig.


Ook ten aanzien van het psychosociaal/cognitief functioneren hebben de cliënten vaak hulp, toezicht of sturing nodig.


De ADL [Hof: algemene dagelijkse levensverrichtingen] kan de cliënt in principe zelf uitvoeren, maar ten aanzien van vrijwel alle aspecten is veel toezicht en stimulatie nodig.


Ten aanzien van mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen.


Er is doorgaans geen sprake van verpleging.


Er is sprake van ernstige gedragsproblematiek. De cliënt heeft continu sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag, reactief gedrag met betrekking tot interactie, zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag, angsten en psychosomatiek.


Bijkomende psychiatrische problematiek komt regelmatig voor.


De aard van het begeleidingsdoel is gericht op het reguleren van de gedragsproblematiek, op ontwikkeling en waar mogelijk op vermaatschappelijking.

De cliënt heeft een structurele zorgbehoefte, op zowel geplande als niet geplande tijden. De zorgverlening is voortdurend in de nabijheid of 24 uur per dag direct te leveren.


De dominante grondslag voor dit cliëntprofiel is meestal een verstandelijke handicap (functiestoornis) met de verbijzondering dat integrale behandeling noodzakelijk is.”


2.6

Na hun komst verblijven de jongeren veelal jarenlang in de onroerende zaak. Wanneer de jongeren achttien jaar oud zijn kan om verlenging van de opvang worden gevraagd tot maximaal hun drieëntwintigste levensjaar. Zij hebben een normale dagbesteding. Veelal gaan de jongeren naar het bijzonder onderwijs. Ook kunnen zij deelnemen aan sportverenigingen. De maaltijden worden gemeenschappelijk gebruikt.


2.7

Per jongere wordt een behandelplan opgesteld, waarin onder meer is beschreven welke ontwikkelingen men bij de jongere tracht te bewerkstelligen. De indicatie LVG houdt in dat verdere ontwikkeling van de jongere nog mogelijk is.

2.8

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn beiden gekwalificeerd als gezinsgroepouder. Zijn echtgenote heeft de bevoegdheden om medicijnen toe te dienen. Zij hebben ervaring als gezinsgroepouder opgedaan bij [H] Groep. De vof is gecertificeerd voor de jongerenopvang.

2.9

Sinds 2012 hebben belanghebbende en zijn echtgenote de mogelijkheid zich geregeld enkele dagen terug te trekken uit de onroerende zaak en tot rust te komen, omdat twee andere gezinsgroepsouders die bekend zijn met de jongeren, hun zorg- en begeleidingstaken overnemen.

2.10

De vennoten drijven een onderneming voor de inkomstenbelasting. De onroerende zaak was bij ingebruikname keuzevermogen. In de aangifte IB/PVV 2008 heeft belanghebbende de onroerende zaak in zijn geheel aangemerkt als ondernemingsvermogen.

2.11

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.382. Hierin is verzocht om investeringsaftrek en zijn afschrijvingen, waaronder willekeurige afschrijvingen, voor de investeringen in het pand in aanmerking genomen.

2.12

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2009 om nadere informatie verzocht. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de investeringsaftrek en willekeurige afschrijving beoordeeld. Hij heeft beide faciliteiten afgewezen.


3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen


3.1

In geschil is of de Inspecteur de onroerende zaak terecht heeft aangemerkt als een woonhuis als bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 (tekst 2009) en daarmee als een uitgesloten bedrijfsmiddel voor de investeringsaftrek. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende beantwoordt deze ontkennend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.



4Beoordeling van het geschil


4.1

Ingevolge artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 (tekst 2009) behoren voor de investeringsaftrek niet tot de bedrijfsmiddelen woonhuizen en woonschepen, met inbegrip van de gedeelten van andere zaken die dienen voor bewoning.

4.2

In de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1962-1963, 5380, nr. 19, blz. 34 en 35) is het volgende opgenomen over het uitsluiten van de investeringsaftrek voor woonhuizen:

“De ondergetekenden kunnen niet instemmen met de mening van zeer vele leden dat personenauto's en woonhuizen ten onrechte van de investeringsaftrek worden uitgezonderd. Weliswaar zijn deze zaken in de gevallen waarin zij anders dan als handelsvoorraad deel uitmaken van het vermogen van een onderneming in de regel als bedrijfsmiddelen aan te merken, doch dit impliceert nog niet dat de stimulans van de investeringsaftrek zich dan ook op die zaken moet richten. (…) Voor het overige gaat het hier om zaken die weliswaar tot een bedrijfsvermogen kunnen behoren, maar in vele gevallen ook privé-objecten zijn, zodat zich het gevaar van discriminatie tussen ondernemers en particulieren voordoet. De ondergetekenden kunnen niet inzien dat er dringende redenen zijn dit gevaar te accepteren, te minder waar de onderhavige zaken in het kader van de industrialisatie slechts een secundaire functie hebben. Met betrekking tot woonhuizen geldt nog in het bijzonder, dat de fiscale subsidie welke in het verlenen van investeringsaftrek voor de als bedrijfsmiddel tot het vermogen van een onderneming behorende woonhuizen gelegen zou zijn, de algemene subsidies ten behoeve van de woningbouw zou doorkruisen. De ondergetekenden zien niet voorbij dat in bepaalde gevallen het bedrijfsbelang van een onderneming onder de bestaande omstandigheden belangrijke investeringen kan eisen ten behoeve van de huisvesting van het personeel, doch zij achten een bijzondere fiscale voorziening daarvoor toch niet verantwoord.

(…) Voor een goed begrip van deze kwestie willen zij er hier wel nadrukkelijk op wijzen dat het uiteindelijk niet gaat om de juridische vraag of deze zaken als (echte) bedrijfsmiddelen kunnen worden aangemerkt, doch om de beleidsvraag of het landsbelang vordert dat investeringen in dit soort zaken met behulp van een fiscale faciliteit worden aangemoedigd.”


4.3

De Hoge Raad heeft het volgende overwogen over een gelijksoortige uitzondering in de investeringsregeling, die was opgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (HR, 8 mei 1985, nr. 22963, BNB 1985/242):

“Voor de toepassing van artikel 61a, lid 5, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moeten onder woonhuizen worden verstaan opstallen welke naar aard en inrichting woningen zijn en bestemd zijn als zodanig te worden gebruikt. Een opstal is bestemd om als woning te worden gebruikt indien en voor zover ten tijde van de investering de opstal als woning in gebruik is dan wel de investerende ondernemer het voornemen heeft aanstonds of na korte tijd de opstal als woning in gebruik te nemen of aan een ander als woning in gebruik te geven.”


4.4

In het arrest van 26 juni 1963, nr. 15 039, BNB 1963/252 heeft de Hoge Raad overwogen:

“dat in art. 8a, lid 3, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 onder woonhuizen moeten worden verstaan opstallen, welke naar aard en inrichting woningen zijn en bestemd zijn als zodanig te worden gebruikt;

dat uit hetgeen het Hof feitelijk vaststelde omtrent den aard van de verbouwing blijkt, dat ook na die verbouwing de in het geding zijnde panden naar aard en inrichting woningen zijn;

dat het Hof heeft vastgesteld, dat zij ten tijde van den aankoop bestemd waren om te worden gebruikt als inrichting voor zwakzinnigen, waarna het Hof de vraag heeft gesteld of in zodanig gebruik kan worden gezien gebruik als woning;

dat het Hof die vraag ontkennend heeft beantwoord, aangezien de gehuisveste personen uitsluitend in gemeenschappelijke ruimten, welke het karakter van particuliere woning missen, verblijven, welke verblijfsruimten zelve evenmin als het daarin aanwezige meubilair ter vrije beschikking van de aanwezige zwakzinnigen staan;

dat het middel terecht opwerpt dat de zojuist weergegeven omstandigheden op zich zelve niet uitsluiten, dat de zwakzinnigen de panden gebruiken als woning;

dat belanghebbende heeft gesteld, dat de panden worden gebruikt als gesticht, waarin zwakzinnigen worden verpleegd;

dat indien juist mocht zijn - hetgeen door den Inspecteur is ontkend - dat de zwakzinnigen tijdens hun verblijf in de panden worden verpleegd in dier voege dat aan de verpleging overwegende betekenis moet worden toegekend, de panden niet als woonhuizen worden gebruikt”


4.5

De Inspecteur is van mening dat de onroerende zaak naar aard en inrichting een woning is die bestemd is als woning te worden gebruikt. De begeleiding van de jongeren is niet aan te merken als verpleging, zodat het onder 4.4 genoemde arrest BNB 1963/252 niet van toepassing is.

4.6

Belanghebbende stelt dat wel aan de voorwaarden van BNB 1963/252 is voldaan, omdat gelet op de complexe zorgvraag een behandeling dient plaats te vinden die het opvoeden van kinderen ver te boven gaat.

4.7

Het Hof overweegt dienaangaande het volgende. De onderneming richt zich met name op de begeleiding van licht verstandelijk gehandicapte jongeren met ernstige gedragsproblematiek. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld, dat deze begeleiding moet gebeuren met rust, regelmaat, structuur en veiligheid, waarvoor het bieden van een gezinsomgeving de beste behandelwijze is. Daarvoor is het noodzakelijk dat belanghebbende en zijn gezin samen met de jongeren in de onroerende zaak een huishouden voeren. Het samenwonen met de jongeren maakt daardoor deel uit van de bedrijfsvoering van de vof. Een fysieke splitsing van de onroerende zaak in een gedeelte dat als woonhuis aan belanghebbende en zijn gezin ter beschikking staat en een bedrijfsgedeelte is niet mogelijk omdat het wonen en de bedrijfsactiviteiten onlosmakelijk met elkaar vervlochten zijn. Dientengevolge wordt de onroerende zaak feitelijk nagenoeg geheel bedrijfsmatig gebruikt. De onroerende zaak is daarmee naar aard en inrichting een 24-uurs opvang voor jongeren, die bestemd is als zodanig te worden gebruikt. Dit wordt benadrukt door het gebrek aan privacy voor belanghebbende en zijn gezin in de onroerende zaak. De kinderen van belanghebbende hebben enkel de mogelijkheid zich af te zonderen in een speciaal daarvoor aangewezen kamer en belanghebbende en zijn echtgenote trekken zich vanaf 2012 geregeld enkele dagen terug uit de onroerende zaak om zich te kunnen ontspannen.

4.8

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever voor woonhuizen geen investeringsaftrek wil verlenen, omdat bij woonhuizen die weliswaar tot een bedrijfsvermogen kunnen behoren, maar in vele gevallen ook privé-objecten zijn, zich het gevaar voordoet van discriminatie tussen ondernemers en particulieren. Om de gestelde begeleidingsdoelen te bereiken is het onmisbaar dat ook belanghebbende en zijn gezin in de onroerende zaak verblijven, omdat men samen met de jongeren een gezinssituatie wil creëren. Het wonen van belanghebbende en zijn gezin gaat daarmee op in de uitoefening van de onderneming. Door de aanwezigheid van de jongeren in de onroerende zaak is geen sprake van een woonhuis voor particulieren als bedoeld door de wetgever. De discriminatie die de wetgever vreesde, doet zich in het onderhavige geval dan ook niet voor.

4.9

Reeds hierom is het Hof van oordeel dat belanghebbende terecht heeft gesteld dat geen sprake is van een woonhuis. Ten overvloede overweegt het Hof nog het volgende. Uit het onder 4.4 genoemde arrest BNB 1963/252 volgt, dat panden die na verbouwing geschikt zijn gemaakt voor de huisvesting van zwakzinnigen niet als woonhuis gebruikt worden, indien de zwakzinnigen tijdens hun verblijf in de panden verpleegd worden in die zin dat aan de verpleging overwegende betekenis moet worden toegekend. In het onderhavige geval worden de jongeren tijdens hun verblijf, afgezien van de begeleiding bij het toedienen van medicijnen, niet verpleegd. Wel is er een indicatie door het CIZ dat de jongeren een structurele zorgbehoefte hebben, waarbij gedurende de gehele dag direct zorg verleend moet kunnen worden. Voor de begeleiding wordt een aanzienlijk bedrag per jongere ter beschikking gesteld. De onderneming biedt de jongeren naast huisvesting, voeding en verzorging een intensieve en professionele begeleiding aan. Het doel van deze begeleiding is dat de jongere zijn gedragsproblematiek kan reguleren, zich leert ontwikkelen en zo mogelijk in staat is terug te keren naar het (pleeg)gezin dan wel zelfstandig of begeleid te wonen. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn ervaren en professionele gezinsbegeleiders. Zo nodig huren belanghebbende en zijn echtgenote andere professionals in zoals psychologen en behandelcoördinatoren, die - indien mogelijk - de behandeling in de onroerende zaak doen plaatsvinden. Naar het oordeel van het Hof heeft de geboden behandeling een dusdanige omvang en intensiteit, dat deze van overwegende betekenis is voor het verblijf van de jongeren in de onroerende zaak, zodat de onroerende zaak voor de jongeren niet aangemerkt kan worden als een woonhuis.

4.10

Nu geen sprake is van een woonhuis, bestaat recht op investeringsaftrek en willekeurige afschrijving. Tussen partijen is dan niet in geschil dat de uitspraak van de Rechtbank gevolgd kan worden.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.



5Proceskosten


5.1

Belanghebbende heeft betoogd dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van de werkelijke proceskosten. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260). Deze regel sluit niet uit dat ook in andere gevallen – bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan verregaand onzorgvuldig handelt – aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb (zie Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, LJN: BP2975, BNB 2007/260).


5.2

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de Inspecteur het verwijt treft dat bij het opleggen van de onderhavige aanslagen, reeds duidelijk was dat die aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden. Evenmin heeft belanghebbende voldoende gesteld, dat zijn verzoek moet worden toegewezen op andere gronden, zoals verregaand onzorgvuldig door de Inspecteur. Er bestaat dan ook geen grond af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb.

5.3

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 1.470 [2 punten (verweerschrift en zitting)  wegingsfactor 1  € 490  factor 1,5 voor samenhangende zaken (nummers14/00985 tot en met 14/00988)] aan kosten van door een derde beroepsmatig in hoger beroep verleende rechtsbijstand, waarbij aan belanghebbende en zijn echtgenote ieder de helft wordt toegekend, alsmede € 20 aan reis en verblijfkosten.


6Beslissing


Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 755 en

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 493.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.


De beslissing is op 29 april 2015 in het openbaar uitgesproken.



De griffier, De voorzitter,






(S. Darwinkel) (R.F.C. Spek)


Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 1 mei 2015.





Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.