Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-06-2015 / 200.151.678-01


ECLI:NL:GHARL:2015:4631

Inhoudsindicatie
Eiswijziging in hoger beroep. Niet gebleken dat de uitbreiding van de vordering op een andere feitelijke grondslag steunt. Geen sprake van vertraging of bemoeilijking van de verdediging. Bezwaren verworpen.
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
200.151.678-01
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden


afdeling civiel recht


zaaknummer gerechtshof 200.151.678/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/128161 / HA ZA 13-206)


rolbeschikking van 23 juni 2015 in de zaak van:


[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante in principaal appel, verweerster in incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.D. Kalmijn, kantoorhoudend te Leeuwarden,


tegen


[geïntimeerde],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel, eiseres in incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.V. Kleijn, kantoorhoudend te Utrecht.



1Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 2 april 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank).


1.2

Het dictum van het beroepen vonnis luidt:


in conventie


6.1

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 118.809,11 (honderdachttienduizend achthonderdennegen euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over de saldi van de aan dit bedrag ten grondslag liggende facturen met ingang van de dagen waarop de betaling van deze facturen gestelde termijnen zijn verstreken, tot de dag van volledige betaling,


6.2

veroordeelt [appellante] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 6.633,71,


6.3

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


6.4

wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie


6.5

wijst de vorderingen af,


6.6

veroordeelt [appellante] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.421,00,


in conventie en reconventie


6.7

veroordeelt [appellante] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [appellante] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.


2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 17 juni 2014;

- het exploot van anticipatie van 27 juni 2014;

- de memorie van grieven in principaal appel (met producties) van [appellante];

- de memorie van antwoord in principaal appel van [geïntimeerde], tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis (met producties);

- de akte van [appellante], waarbij zij verzet aantekent tegen de eiswijziging door [geïntimeerde].


2.2

In hoger beroep vordert [appellante] in principaal appel vernietiging van het vonnis van de rechtbank, het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie en het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] in reconventie, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties zowel in conventie als in reconventie.


2.3

[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellante] en in incidenteel appel tot gedeeltelijke vernietiging van het beroepen vonnis en tot veroordeling van [appellante] tot betaling (naast de veroordeling in onderdeel 6.1 van het vonnis van de rechtbank, zoals aangehaald in 1.2) van € 20.705,58 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, kosten rechtens zowel in principaal als in incidenteel appel.


3De beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.


3.2

[geïntimeerde] drijft een onderneming die zich toelegt op recycling van bouw- en slooppuin tot granulaat. [appellante] drijft een onderneming op het gebied van grond-, water- en wegenbouw.


3.3

Voor een project in Gorredijk (de aanleg van een fietsbrug in opdracht van de provincie Fryslân) heeft [appellante] medio 2012 grondstoffen besteld bij [geïntimeerde], waaronder 13.470 ton hydraulisch menggranulaat. [appellante] heeft het menggranulaat verwerkt in de verhardingslaag van de brug, welke laag fungeert als fundering voor de daarop aan te brengen laag met asfalt.


3.4

Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de kwaliteit van het door [geïntimeerde] geleverde granulaat.


3.5

[appellante] heeft - zonder medewerking van [geïntimeerde] - een aanpassing aan de fundering doorgevoerd door een bindmiddel toe te voegen aan de aanwezige fundering.


3.6

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 118.809,11 in hoofdsom, zijnde het bedrag dat [geïntimeerde] aan [appellante] in rekening had gebracht voor het granulaat.


3.7

In reconventie heeft [appellante] gevorderd (samengevat) dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 115.828,59 ter zake van directe kosten die gevolg zijn van het gebrekkige granulaat, € 177.632,32 ter zake van geleden schade als gevolg van het gebrekkige granulaat alsmede tot vergoeding van de overige schade, nader op te maken bij staat.

3.8

De rechtbank heeft op de vorderingen beslist zoals hiervoor in 1.2 is weergegeven.


3.9

Aan haar eisvermeerdering legt [geïntimeerde] ten grondslag dat zij op 22 april 2014 ter zake van het geleverde granulaat nog een factuur aan [appellante] heeft verzonden die niet is meegenomen bij de vordering in eerste aanleg.


3.10

[appellante] verzet zich tegen de eiswijziging in hoger beroep, stellende dat de factuur waarvan [geïntimeerde] thans betaling vordert, betrekking heeft op een ander tijdvak dan in eerste aanleg in het geding was. Het gaat daarom om een geheel nieuwe vordering, zodat aan [appellante] door de eisvermeerdering een feitelijke instantie wordt ontnomen. De eiswijziging leidt voor [appellante] tevens tot een onredelijke bemoeilijking van haar verdediging, omdat andere feiten aan de gewijzigde eis ten grondslag liggen en zal tot vertraging van het geding leiden, aldus [appellante].


3.11

Het hof overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan [geïntimeerde] de bevoegdheid toekomt haar eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.


3.12

De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eisende partij is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In alle gevallen geldt dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).


3.13

Het hof stelt vast dat de eiswijziging voldoet aan de in 3.12 vermelde "in beginsel strakke regel", nu [geïntimeerde] de eiswijziging in haar memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging/vermeerdering.


3.14

Wat de feitelijke grondslag van de additionele vordering betreft heeft [geïntimeerde] uitgebreid uiteengezet - en met producties onderbouwd - dat de factuur van 22 april 2014 betrekking heeft op de levering van granulaat aan [appellante] ten behoeve van het project in Gorredijk op 16 oktober 2012. In het licht hiervan gaat het hof voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van [appellante] dat de additionele vordering van [geïntimeerde] op een andere feitelijke grondslag zou steunen, zodat van een geheel nieuwe vordering niet gesproken kan worden.


3.15

Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat haar door de eisvermeerdering een feitelijke instantie wordt onthouden, oordeelt het hof dat aan het wettelijk stelsel inherent is dat op de gewijzigde eis slechts door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf dan ook niet doorslaggevend. In de argumenten van [appellante] ziet het hof geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zij zich tegen de nieuwe vordering niet adequaat zouden kunnen verweren, reeds omdat zij daartoe voldoende gelegenheid krijgt. In haar memorie van antwoord in incidenteel appel kan [appellante] immers op alle stellingen van [geïntimeerde] reageren.


3.16

In de bezwaren van [appellante] ziet het hof dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zij door de eiswijziging van [geïntimeerde] onredelijk in haar verdediging wordt bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ambtshalve ziet het hof evenmin grond voor een dergelijk oordeel.


3.17

De conclusie luidt dat de bezwaren van [appellante] tegen de eiswijziging zullen worden verworpen. Het hof zal in hoger beroep derhalve recht doen op de gewijzigde eis van [geïntimeerde] De (hoofd)zaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.


De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:


verwerpt de bezwaren van [appellante] tegen de eiswijziging van [geïntimeerde];


verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 4 augustus 2015 voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van [appellante].


Deze rolbeschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 juni 2015 in bijzijn van de griffer.