Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-01-2017 / 15/01218 t/m 15/01220


ECLI:NL:GHARL:2017:328

Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Koop bouwkavel. Levering aan aandeelhouder. Onttrekking? Activering kosten.
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2017-01-17
Publicatiedatum
2017-01-27
Zaaknummer
15/01218 t/m 15/01220
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2017/208
  • V-N 2017/19.10.35
  • FutD 2017-0259
  • NTFR 2017/611 met annotatie van Mr. J. Gooijer
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem


nummers 15/01218 tot en met 15/01220

uitspraakdatum: 17 januari 2017



Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van


de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)


en het incidentele hoger beroep van


[X] BV, gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende),


tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juli 2015, nummers AWB 14/7764, 14/7767 en 14/7769, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.



1Ontstaan en loop van het geding


1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 177.168. Tevens is een bedrag van € 993 aan heffingsrente in rekening gebracht.


1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 364.572. Tevens is een bedrag van € 76 aan heffingsrente in rekening gebracht.


1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 97.741. Tevens is een bedrag van € 68 aan heffingsrente vergoed.


1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 en 26 september 2014 de aanslagen en beschikkingen heffingsrente voor de jaren 2007 en 2009 gehandhaafd, en bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2014 de aanslag Vpb 2008 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 359.247.


1.5.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 30 juli 2015 de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag Vpb 2007 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 137.951, de aanslag Vpb 2008 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 268.188, de aanslag Vpb 2009 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 63.574, de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, en de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 500.


1.6.

De Inspecteur heeft bij brief van 2 september 2015, ingekomen bij het Hof op 4 september 2015, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.


1.7.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank incidenteel hoger beroep ingesteld.


1.8.

De Inspecteur heeft bij brief van 25 januari 2016 gereageerd op het incidenteel hoger beroep.


1.9.

De Inspecteur heeft op 3 maart 2016 een conclusie van repliek ingediend.


1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016 te Arnhem. De zaken met de nummers 15/01218 tot en met 15/01220 en de nummers 15/01418 en 15/01419 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A] , bijgestaan door [B] , verbonden aan [C] BV te [D] (Gld.), en vergezeld van [E] . Namens de Inspecteur zijn verschenen drs. [F] en mr. [G] .


1.11.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.



2Feiten


2.1.

[A] houdt alle aandelen in belanghebbende.


2.2.

Op 6 mei 2001 heeft belanghebbende een bouwkavel te [H] , Portugal, gekocht van [I] (hierna: [I] ) voor f 36.500 (€ 16.562,98). Op dezelfde datum hebben belanghebbende en [I] eveneens een “koopovereenkomst inzake realisering [J] ” gesloten, inhoudende dat [I] op de hiervoor genoemde kavel een landhuis (hierna: het pand) gaat bouwen. De koopsom hiervoor bedraagt volgens het contract f 230.000 (€ 104.369).


2.3.

Op 23 oktober 2001 wordt bij notariële akte de bouwkavel niet geleverd aan belanghebbende, maar aan [A] .


2.4.

In de procedures over de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Vpb 2003 tot en met 2006 hebben partijen ter zitting van het gerechtshof Amsterdam een compromis bereikt. In het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2012, dat door partijen voor akkoord is ondertekend, is het volgende opgenomen:

“Ter zitting is een compromis bereikt over de volgende punten:

- Het economisch eigendom van het pand zit in de vennootschap.

- De door [A] te betalen huur bedraagt voor de jaren 2003 en 2004 € 8.250.

- In de jaren 2005 tot en met 2009 wordt geen huur in rekening gebracht.

- Voor de jaren 2010 tot en met 2012 wordt een huur in rekening gebracht van € 11.000.

- De bedragen van € 124.000 en € 100.000 zullen in de jaren 2003 respectievelijk 2004 ten gunste van het resultaat worden teruggeboekt. Pas in de jaren waarin de daadwerkelijke uitgaven worden gedaan zullen deze ten laste van het resultaat worden gebracht, dan wel geactiveerd worden.

- Ook de uit middelen van [A] gedane investeringen in het pand zullen worden geactiveerd. Dit resulteert in een lening van [A] aan de BV waarvan de verschuldigde rente in box 1 bij [A] in privé is belast.”


2.5.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in de uitspraken van 11 april 2013 onder meer het volgende opgenomen:

‘(…)

4. Beoordeling van het geschil


compromis ter zitting


4.1.1.

Ter zitting op 5 december 2012 hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt. In het terzake opgemaakte - en mede door partijen ondertekende - proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is dienaangaande opgenomen:

“Ter zitting is een compromis bereikt over de volgende punten:

- (…)


Nu niet is gebleken dat partijen daarbij van onjuiste uitgangspunten uitgaan, volgt het Hof partijen in hun eensluidende conclusie.


De voorzitter heeft daarop partijen in de gelegenheid gesteld het ter zitting gesloten compromis in onderling overleg en mede voor latere jaren cijfermatig uit te werken, waarna de hogere beroepen kunnen worden ingetrokken. Hierna heeft de voorzitter van de belastingkamer het onderzoek gesloten in afwachting van bericht van partijen.


4.1.2.

Nu bericht van intrekking is uitgebleven, doet het Hof uitspraak met inachtneming van het ter zitting bereikte compromis.


4.1.3.

In het compromis ligt besloten dat belanghebbende zich niet langer erop beroept dat op 25 maart 2008 een vaststellingsovereenkomst zou zijn gesloten, voor zover dit beroep zou strekken tot een andere uitkomst dan het ter zitting gesloten compromis. Voorts ligt in het compromis besloten dat aan de vergrijpboetes de feitelijke grondslag is komen te ontvallen.


cijfermatige uitwerking van het compromis


4.2.1.

Partijen zijn eensluidend tot de conclusie gekomen dat het economisch eigendom van het pand te Portugal berust bij [X] BV. De door de inspecteur bij het opleggen van de onderhavige belastingaanslagen aangebrachte correcties afschrijvingskosten en overige kosten ter zake van het pand, dienen dan ook te vervallen. Een uitzondering moet worden gemaakt voor de in de navorderingsaanslagen over 2003 en 2004 besloten correcties van (respectievelijk) € 124.000 en € 100.000. Voor het in aftrek brengen van deze bedragen is pas plaats in de jaren dat (indien en voor zover) uitgaven tot dit bedrag worden gedaan. Daarnaast wordt, overeenkomstig het compromis, de belastbare winst over 2003 en 2004 verhoogd met € 8.250 aan huurbaten. Tenslotte moet rekening worden gehouden met de uit eigen middelen van belanghebbende gedane investeringen in het pand tot een bedrag van € 169.260. Deze investeringen (zoals vermeld onder 2.5) moeten, overeenkomstig het compromis, worden aangemerkt als een tbs-lening waarop een rente van 4% (partijen gaan in de van hen afkomstige stukken uit van dit percentage) verschuldigd is. Deze rente is bij [X] BV aftrekbaar en bij belanghebbende belast als inkomen uit werk en woning. Dit alles leidt tot de navolgende correcties: (…)



2.6.

Op 3 juli 2014 heeft overleg plaatsgevonden over de afhandeling van de bezwaren tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslagen Vpb 2007, 2008 en 2009. De Inspecteur, in de persoon van de heer [F] , heeft in een mailbericht van 3 juli 2014 hierover het volgende aan belanghebbendes gemachtigde geschreven:

‘Tijdens het overleg is de volgende afspraak gemaakt.

1. De onderhoudskosten zoals vermeld in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2008 en 2009 van € 154.484 resp. € 69.093 (totaal € 223.577) zullen deels gecorrigeerd worden. Afspraak is dat 60% van de genoemde kosten aangemerkt worden als verbouwing/verbetering van het onroerend goed in Portugal en op de balans geactiveerd worden. De extra investeringen bedragen in 2008 en 2009 resp. € 92.690 en € 41.456 (totaal € 134.146).

2. Het resultaat uit de exploitatie van het onroerend goed in 2007 t/m 2011 zoals hierna in het verliesoverzicht genoemd wordt geaccepteerd.

3. Vanaf 2012 is het exploitatieverlies van het buitenlandse onroerend goed fiscaal niet meer aftrekbaar van de belastbare winst. Zolang er duidelijke verhuuractiviteiten plaatsvinden zullen de kosten als zakelijke kosten aangemerkt worden.

4. Bij verkoop van het onroerend goed in de toekomst zal de verkoopwinst tot maximaal de verliezen zoals hierna vastgesteld, als belastbare winst in Nederland aangemerkt worden.

5. De verliezen, die ten laste van de fiscale winst gebracht zijn, zijn als volgt:

2002 € 28.371

2003 € 30.895

2004 € 51.545

2005 € 33.258

2006 € 29.320

2007 € 7.138

2008 € 69.790

2009 € 43.081

2010 € 11.856

2011 € 12.317

Totaal verlies € 317.571

Gaat u akkoord met bovenstaande tekst en cijfers? Graag uw reactie.’


2.7.

Belanghebbendes gemachtigde heeft bij mailbericht van 4 juli 2014 als volgt gereageerd op het tekstvoorstel van de Inspecteur:

“U spreekt over “gemaakte afspraak”.

Wat u onder punt 3 vermeld is niet afgesproken. U gaf gisteren herhaalde malen aan dat voor de komende jaren er maximaal € 5.000 per jaar aan kosten pand Portugal zouden mogen verantwoord, even zovele malen hebben wij aangegeven een dergelijke beperking niet acceptabel te vinden. Tijdens het uiteindelijke “bod” van 60% te activeren, 40 % ten laste van het resultaat brengen van de onderhouds- c.q. reparatiekosten is die € 5.000 ook niet meer ter sprake gekomen.

Punt 3 moet als volgt luiden:

3. Voor de jaren 2012 en volgende geldt voor de exploitatieresultaten (waarin eventueel begrepen onderhoud/groot onderhoud en reparatiekosten) dat artikel 15e van de Wet op de Vennootschapsbelasting van toepassing is of een daarvoor in de plaats komende regeling.


Gelet op bovenstaande willen wij als punt 6 toegevoegd zien de navolgende tekst:

6. De belastingdienst erkent dat het pand met zakelijk oogmerk is aangeschaft. Nu belanghebbende geen invloed kan uitoefenen op de hoogte van de huuropbrengst, anders dan het huis zo goed mogelijk aanbieden op de huurdersmarkt en de wijze waarop de BV dat doet aan de BV is als ondernemer, zal de belastingdienst de huuropbrengst nooit als argument hanteren om onzakelijk handelen te stellen van de BV.


De door u genoemde bedragen bij alle jaren zal ik nog controleren, maar dat wordt volgende week.”


2.8.

De Inspecteur heeft bij mailbericht van 15 juli 2014 onder meer het volgende aan belanghebbendes gemachtigde geschreven:

“In uw reactie komt u terug op mijn uitspraak over het maximum van € 5.000 wat ik aan exploitatieresultaten per jaar wilde stellen. Deze eis heb ik niet gehandhaafd bij het maken van de afspraak op 3 juli 2014 en is ook niet opgenomen in mijn concept.

Uw aanpassing van de tekst van punt 3 kan ik gedeeltelijk volgen. De formulering van de zin “Voor de jaren 2012 en volgende geldt voor de exploitatieresultaten (waarin eventueel begrepen onderhoud/groot onderhoud en reparatiekosten) dat artikel 15e van de Wet op de Vennootschapsbelasting van toepassing is of een daarvoor in de plaats komende regeling” is duidelijker dan de door mij voorgestelde tekst.

Het vervolg van mijn tekst van punt 3 (Zolang er duidelijke verhuuractiviteiten plaatsvinden zullen de kosten als zakelijke kosten aangemerkt worden.) is naar mijn mening geen uitbreiding van de afspraak. Uitgangspunt is namelijk dat het onroerend goed bestemd is voor tijdelijke verhuur (aan derden). Als dit niet meer actief nagestreefd wordt en het onroerend goed wordt niet verkocht, dan ontbreekt de zakelijkheid van deze belegging. Deze zin wil ik daarom in de afspraak laten staan.


Uw toegevoegde tekst van punt 6 acht ik niet acceptabel. Zoals ik hiervoor schreef is de verhuur (aan derden) essentieel. Zodra er geen huurinkomsten van anderen dan dhr. en mw. [A] worden ontvangen en er dus geen winst meer nagestreefd wordt, kan in de toekomst aan de zakelijkheid van de belegging getwijfeld worden. Zeker als in deze situatie niet overgegaan wordt tot verkoop van het onroerende goed. In dat geval zal het handelen van de B.V. en de aandeelhouders opnieuw getoetst worden.”


2.9.

Belanghebbendes gemachtigde heeft bij mailbericht van 4 augustus 2014 het volgende aan de Inspecteur geschreven:

“Cliënt gaat niet akkoord met de toevoeging van de door u na de bespreking van 3 juli jl. toegevoegde zin (“duidelijke verhuuractiviteiten”). Uit de na 3 juli gevoerde mailcorrespondentie blijkt voldoende waarom.”


2.10.

De Inspecteur heeft bij mailbericht van 4 augustus 2014 daarop als volgt gereageerd:

“Bedankt voor uw snelle reactie, zodat hiermee duidelijk is geworden, dat we geen overeenstemming zullen bereiken.”


2.11.

Blijkens de aangiften Vpb heeft de omzet ter zake van de verhuur in de jaren 2007 tot en met 2012 respectievelijk nihil, nihil, € 2.024, € 5.675, € 23.993 en € 14.150 bedragen.


2.12.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat ter zitting van gerechtshof Amsterdam op 5 december 2012 een vaststellingsovereenkomst is gesloten, dat deze overeenkomst rechtsgeldig is, dat deze overeenkomst ook betrekking heeft op de onderhavige jaren, dat daarin is overeengekomen dat de economische eigendom van het pand in de vennootschap zit, dat daarin verder is overeengekomen dat voor de onderhavige jaren 2007 tot en met 2009 geen huur in rekening wordt gebracht en dat voor de jaren 2010 tot en met 2012 een huur in rekening wordt gebracht van € 11.000, dat daarin naar het oordeel van de Rechtbank de zakelijkheid van het handelen van belanghebbende voor de onderhavige jaren ligt besloten, dat voor de hoogte van de uitgaven die in mindering mogen worden gebracht dan wel moeten worden geactiveerd wordt uitgegaan van de op 3 juli 2014 gemaakte afspraak, dat dit betekent dat van de genoemde kosten (€ 154.323 voor 2008 en € 70.419 voor 2009) 60 percent als verbouwing/verbetering wordt aangemerkt en moet worden geactiveerd, dat 40 percent in mindering mag worden gebracht op het resultaat, en dat belanghebbende € 6.000 als rentelast ter zake van de terbeschikkingsstellingsschuld aan [A] in aftrek kan brengen.


3Geschil


3.1.

In geschil is of de onderhavige aanslagen naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.


3.2.

De Inspecteur betoogt dat ter zitting van het gerechtshof te Amsterdam geen vaststellingsovereenkomst is gesloten, en dat zelfs al zou er een overeenkomst zijn gesloten een grammaticale uitleg daarvan niet eraan in de weg staat alsnog het standpunt in te nemen dat de investeringen in het pand vanaf 2001 zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder, zodat de kosten ter zake als een niet-aftrekbare onttrekking moeten worden aangemerkt. Subsidiair betoogt de Inspecteur dat deze overeenkomst vernietigbaar is vanwege dwaling dan wel bedrog.


3.3.

Verder stelt de Inspecteur dat ook op 3 juli 2014 geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, en zo dat wel het geval is, deze vernietigbaar is vanwege dwaling dan wel bedrog. In dat geval heeft hij de mogelijkheid om het standpunt in te nemen dat de investeringen in het pand vanaf 2001 zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder, zodat de kosten ter zake als een niet-aftrekbare onttrekking moeten worden aangemerkt, aldus de Inspecteur.


3.4.

In het incidentele hoger beroep betoogt belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. Verder stelt belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte jaarlijks een rentelast van € 6.000 in aanmerking heeft genomen. De Inspecteur heeft in zijn conclusie van repliek aangegeven geen bezwaar ertegen te hebben dat deze rentecorrectie zowel bij belanghebbende als bij [A] komt te vervallen.


3.5.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar, waarin het belastbaar bedrag is vastgesteld op respectievelijk € 177.168 (2007), € 359.247 (2008) en € 97.741 (2009). Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en tot vermindering van de aanslagen naar een belastbaar bedrag van respectievelijk € 143.951 (2007), € 274.188 (2008) en € 69.574 (2009).



4Overwegingen


Onttrekking

4.1.

De door een vennootschap gedane uitgaven ontberen slechts dan een zakelijk karakter – en kunnen derhalve slechts dan niet ten laste van de winst worden gebracht – indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s) (vgl. HR 14 juni 2002, nr. 36.453, ECLI:NL:HR:2002:AB2865 en HR 18 april 2008, nr. 07/10035 ECLI:NL:HR:2008:BC9548). De bewijslast dienaangaande rust op de Inspecteur.


4.2.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof aan de hand van de plattegrond van het pand geloofwaardig verklaard dat nagenoeg het volledige pand te huur wordt aangeboden aan derden. Verder staat vast dat het pand in 2002 gebrekkig is opgeleverd en dat medio 2005 een grote brand heeft gewoed in het gebied waarin het pand is gelegen. Door beide omstandigheden is het pand gedurende langere tijd na oplevering niet verhuurbaar gebleken. Met de verhuur aan derden heeft belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2012 respectievelijk € 2.024, € 5.675, € 23.993 en € 14.150 aan omzet genoten. Ook [A] betaalt een huursom aan belanghebbende als hij van het pand gebruik maakt.


4.3.

In het licht van het voorgaande is de Inspecteur niet in zijn bewijslast geslaagd met de enkele stelling dat sprake is van een wanverhouding tussen de door belanghebbende gemaakte kosten en het bedrag dat een redelijk handelende ondernemer zou hebben geïnvesteerd voor het bereiken van een resultaat dat vergelijkbaar is met hetgeen door belanghebbende wordt gerealiseerd aan huuropbrengsten en vermogenswinst. Dat de uitgaven zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van aandeelhouder [A] , is mitsdien niet aannemelijk worden. Van een onttrekking is geen sprake. Het betoog van de Inspecteur kan derhalve niet slagen.


Te activeren kosten

4.4.

Tijdens het overleg op 3 juli 2014 (zei 2.6) is tussen partijen onder meer afgesproken dat 60 percent van de gemaakte kosten als verbeteringskosten wordt geactiveerd en dat 40 percent als onderhoudskosten ten laste van het resultaat wordt gebracht.


4.5.

Gelet op de mailcorrespondentie tussen partijen vanaf 3 juli 2014 (zie 2.6 e.v.), waaruit blijkt dat er verschil van mening bestond over de gemaakte afspraken, is naar het oordeel van het Hof op 3 juli 2014 geen overeenkomst tot stand gekomen. In zijn mailbericht van 4 augustus 2014 (zie 2.10) heeft de Inspecteur ook deze gevolgtrekking verbonden aan de voorafgaande mailcorrespondentie.


4.6.

De Inspecteur heeft de rechtsgeldigheid van de op 3 juli 2014 gemaakte afspraak steeds betwist om zich vrij te voelen om het standpunt met betrekking tot de onttrekking in te nemen. Tot de zitting bij het Hof heeft de Inspecteur de 60/40 percent afspraak omtrent de te activeren kosten op zich zelf niet betwist. Eerst ter zitting heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat als geen sprake is van een onttrekking, geen 60 percent maar 100 percent van de kosten als verbeteringskosten moet worden geactiveerd. De Inspecteur heeft echter op generlei wijze onderbouwd dat alle kosten zijn gemaakt ter verbetering van het pand. Mede gelet op de in 4.2 genoemde omstandigheden - de gebrekkige oplevering van het pand in 2002 en de grote brand in 2005 waardoor een verzakking is opgetreden - acht het Hof veeleer aannemelijk dat een deel van de door belanghebbende gemaakte kosten betrekking had op onderhoud. Het Hof sluit daarvoor aan bij het percentage dat tussen partijen is besproken op 3 juli 2014, hetgeen betekent dat 40 percent van de kosten ten laste van het resultaat kan worden gebracht.


4.7.

Gelet op het vorenstaande moeten de aanslagen met inachtneming van de rentecorrectie van € 6.000 worden vastgesteld naar een belastbaar bedrag van respectievelijk € 143.951 (2007), € 274.188 (2008) en € 69.574 (2009).


Proceskostenvergoeding

4.8.

Belanghebbende betoogt in het incidentele hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. In dat verband voert belanghebbende aan dat de Inspecteur in afwijking van de op 3 juli 2014 ten kantore van de Belastingdienst gemaakte afspraak, de tweede volzin in punt 3 van zijn mailbericht van 3 juli 2014 (zie 2.6) heeft toegevoegd, hetgeen dermate onzorgvuldig is dat dit aanleiding is voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding.


4.9.

Ook het Hof vindt geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Inspecteur treft immers niet het verwijt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Dat Hof Amsterdam het hoger beroep van belanghebbende inzake de navorderingsaanslagen 2003 tot en met 2006 gegrond heeft verklaard, brengt niet mee dat de Inspecteur onderhavige belastingaanslagen en uitspraken op bezwaar voor de jaren 2007 tot en met 2009 tegen beter weten in heeft vastgesteld.


4.10.

Evenmin is sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Dat de Inspecteur in het mailbericht de tweede volzin aan punt 3 heeft toegevoegd, brengt niet mee dat de Inspecteur daarmee naar het oordeel van het Hof in een zodanig vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld dat dit aanleiding zou zijn voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding. De Inspecteur heeft aangegeven dat hij met deze toevoeging tot uitdrukking heeft willen brengen dat de zakelijkheid van de kosten een essentieel onderdeel vormde van de gemaakte afspraak. Nu belanghebbende in zijn incidentele hogerberoepschrift, pagina 2, zelf heeft geschreven dat het vanzelfsprekend is dat zakelijk gehandeld moet worden met het pand, vermag het Hof niet in te zien dat de Inspecteur met zijn toevoeging onzorgvuldig heeft gehandeld.


Oproep getuige

4.11.

Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift van 19 november 2015 aan het hof verzocht om mevrouw [K] , medewerker van de Belastingdienst, op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb als getuige op te roepen.


4.12.

Volgens belanghebbende zou mevrouw [K] kunnen verklaren dat de heer [F] in weerwil van hetgeen mondeling op 3 juli 2014 was afgesproken, de tweede volzin aan punt 3 in het mailbericht van 3 juli 2014 heeft toegevoegd.


4.13.

In zijn brief van 20 januari 2016 heeft de heer [F] daarover het volgende geschreven:

‘Met betrekking tot de afspraak van 4 juli 2014 heb ik in mijn verweerschrift bij de rechtbank het volgende geschreven: “Aangezien de afspraak ook voor komende jaren gemaakt zou worden en de verhuuropbrengsten hiervan niet bekend zijn, heb ik bij het op schrift stellen van de afspraak de zinsnede “Zolang er duidelijke verhuuractiviteiten plaatsvinden zullen de kosten als zakelijke kosten aangemerkt worden” opgenomen. Er is dus geen sprake van uitbreiding van de afspraak, maar een bevestiging van hetgeen belanghebbende steeds gesteld heeft.”

Hiermee geeft ik al aan dat deze zinsnede bij de bespreking niet uitdrukkelijk aan de orde is geweest en niet uitdrukkelijk benoemd is. Vervolgens heb ik aangegeven waarom ik van mening ben dat de zinsnede, hoewel niet bij het compromis besproken, wel essentieel is en onderdeel uitmaakt van de afspraak.’


4.14.

Nu belanghebbende door middel van een getuige een feit wil bewijzen dat door de Inspecteur wordt erkend, ziet het Hof geen aanleiding de getuige op te roepen.


Slotsom Gelet op het vorenstaande dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd.


5Proceskosten


Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor verweerschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 490). Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat op grond van zowel de indexeringsregeling van 2 december 2015, nr. 702372, Strcrt. 2015/44577 als de indexeringsregeling van 2 december 2016, nr. 2021822, Strcrt. 2016/67519 voor het proceskostenforfait bepalend is de datum waarop het bezwaar- of beroepschrift is ontvangen. Nu het hoger beroep in 2015 is ingesteld, hanteert het Hof het in 2015 geldende forfait van € 490 per punt.


6Beslissing


Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de schadevergoeding, de proceskostenvergoeding en het griffierecht,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vermindert de aanslag Vpb 2007 tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 143.951,

- vermindert de aanslag Vpb 2008 tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 274.188,

- vermindert de aanslag Vpb 2007 tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 69.574,

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 980.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.


De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.


De griffier, De voorzitter,




(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)


Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 18 januari 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.