Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-02-2019 / 17/00474 tot en met 17/00478


ECLI:NL:GHSHE:2019:635

Inhoudsindicatie
IB/PVV; OB; artikel 4 van de AWR; Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren ventwerkzaamheden verricht in Europa. Aan belanghebbende zijn (navorderings)aanslagen IB/PVV, een naheffingsaanslag OB en vergrijpboetes opgelegd. De Inspecteur heeft bij het opleggen van elke van de bestreden (navorderings)aanslag(en) IB/PVV voor de onderhavige jaren de premie volksverzekeringen vastgesteld op nihil. Bij de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur een herberekening gemaakt en alsnog premie volksverzekeringen voor elk van de onderhavige jaren geheven. Indien een gecombineerde aanslag voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is vastgesteld, moet de beslissing ter zake van elk van deze afzonderlijke heffingen worden aangemerkt als een besluitonderdeel. Een dergelijke aanslag moet daarom in zoverre worden beschouwd als een meerledig besluit. Door zijn uitspraken op bezwaar tegen de onderhavige navorderingsaanslagen te baseren op interne compensatie tussen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verlaat de inspecteur de grondslag van het bezwaar in de zin van artikel 7:11, lid 2, Awb. Het vorenstaande geldt ingevolge artikel 8:69, lid 1, Awb ook voor de beslissing van de rechter op een (hoger)beroepschrift (vgl. HR 2 december 2011, nr. 10/03645, ECLI:NL:HR:2011:BU6490, BNB 2012/43). Het Hof acht interne compensatie van inkomstenbelasting met premie volksverzekeringen niet mogelijk, zodat reeds hierom het hoger beroep van belanghebbende slaagt. Naar het oordeel van de Hof is aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren in Nederland woonde. Bij het bepalen van de hoogte van het inkomen is de inspecteur uitgegaan van vermogensvergelijkingen. Het Hof acht op onderdelen de inkomenscorrecties niet aannemelijk. Over één jaar is aannemelijk dat belanghebbende ná daartoe te zijn uitgenodigd onjuist aangifte heeft gedaan en wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Het Hof acht de redelijke schatting van het belastbare inkomen te hoog en vermindert deze. Het Hof verlaagt de navorderingsaanslagen verder met een verrekening van het IB-deel van de gecombineerde heffingskorting en met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting in verband met buitenlands inkomen.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2019-02-21
Publicatiedatum
2019-05-15
Zaaknummer
17/00474 tot en met 17/00478
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Viditax (FutD), 15-05-2019
  • FutD 2019-1365
  • V-N Vandaag 2019/1179
  • NLF 2019/1231 met annotatie van Madeleine Merkx
  • V-N 2019/29.1.5
Uitspraak GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 17/00474 tot en met 17/00478


Uitspraak op de hoger beroepen van


[belanghebbende] , geboren [datum] , thans wonende te [plaats 2] ,

hierna: belanghebbende,


en de (voorwaardelijk) incidentele hoger beroepen van


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,


tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 24 mei 2017, nummers BRE 15/8503 tot en met 15/8507, in het geding tussen


belanghebbende,


en


de Inspecteur,


betreffende na te noemen (navorderings)aanslagen, naheffingsaanslag en beschikkingen.


1Ontstaan en loop van het geding


1.1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: BTW) voor de daarbij vermelde jaren opgelegd:


Aanslag Belastingmiddel Jaar Aanslagnummer Dagtekening Nr. Hof Nr. Rechtbank
Navorderingsaanslag IB/PVV 2009 [aanslagnummer 1] .H.97 30 december 2014 17/00474 15/8503
(Primitieve) Aanslag IB/PVV 2010 [aanslagnummer 1] .H.06 30 juli 2015 17/00475 15/8504
(Primitieve) Aanslag IB/PVV 2011 [aanslagnummer 1] .H.16 10 december 2014 17/00476 15/8505
Navorderingsaanslag IB/PVV 2011 [aanslagnummer 1] .H.17 30 december 2014 17/00477 15/8506
Naheffingsaanslag BTW 2009 [aanslagnummer 2] 10 december 2014 17/00478 15/8507

Voormelde aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 heeft de Inspecteur bij kennisgeving van 7 oktober 2015 geconverteerd tot navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010.


1.1.2.

Bij voormelde (navorderings)aanslagen en naheffingsaanslag zijn aan belanghebbende

boetebeschikkingen gegeven en is hem bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. De (navorderings)aanslagen en naheffingsaanslag melden onder meer de volgende bedragen:

Nr. Hof Jaar Soort Box 1-inkomen Box 3-inkomen Vergrijpboete Heffingsrente
17/00474 2009 Navorderingsaanslag IB/PVV € 57.692 € 4.440 € 9.667 € 2.026
17/00475 2010 Navorderingsaanslag IB/PVV € 46.240 € 4.520 € 6.685 € 938
17/00476 2011 (Primitieve) Aanslag IB/PVV € 100.000 € 5.600 € 25.684 € 2.819
17/00477 2011 Navorderingsaanslag IB/PVV € 198.792 € 5.600 € 38.528 € 4.738

Nr. Hof Jaar Soort Nageheven belasting Vergrijpboete Heffingsrente
17/00478 2009 Naheffingsaanslag BTW € 6.386 € 4.789 € 906

1.2.

Na tegen de onder 1.1 vermelde (navorderings)aanslagen en naheffingsaanslag en beschikkingen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraken van 24 november 2015 de naheffingsaanslag BTW 2009 en de beide daarbij gegeven beschikkingen gehandhaafd en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2011 en de beide daarbij gegeven beschikkingen ongegrond verklaard. Verder heeft de Inspecteur bij uitspraken van 4 december 2015, 5 december 2015 respectievelijk 18 december 2015 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, 2010 respectievelijk 2011, mede in verband met het verlenen van aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, en beide bij elke navorderingsaanslag gegeven beschikkingen verminderd. De uitspraken op bezwaar van december 2015 vermelden onder meer de volgende bedragen:


Nr. Hof Jaar Soort Box 1-inkomen Box 3-inkomen Vergrijpboete Heffingsrente
17/00474 2009 Navorderingsaanslag IB/PVV € 43.079 € 0 € 7.938 € 1.663
17/00475 2010 Navorderingsaanslag IB/PVV € 14.868 € 0 € 1.532 € 215
17/00477 2011 Navorderingsaanslag IB/PVV € 168.443 € 0 € 27.687 € 3.401

1.3.

Belanghebbende is van voornoemde uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft deze beroepen geregistreerd onder de in 1.1.1 vermelde nummers. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende, betreffende de (navorderings)aanslagen, eenmaal in de zaak met nummer 15/8503, een griffierecht geheven van € 45, en betreffende de naheffingsaanslag BTW 2009, een griffierecht van € 167. De Rechtbank heeft bij, in één geschrift vervatte, uitspraken de beroepen betreffende de navorderingsaanslagen gegrond verklaard, de betreffende uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente verminderd en de boetebeschikkingen vernietigd. Verder heeft de Rechtbank het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2011 en de beschikking heffingsrente ongegrond en dat inzake de bij die aanslag gegeven boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor zover deze de boetebeschikking betreft vernietigd en de boete verminderd tot € 21.959. Voorts heeft de Rechtbank het beroep betreffende de naheffingsaanslag BTW 2009 ongegrond verklaard, de betreffende uitspraak op bezwaar voor zover deze de boetebeschikking betreft vernietigd en de boetebeschikking, ambtshalve, verminderd tot € 4.549 en vergoeding van immateriële schade, griffierecht en proceskosten gelast.

Bij de uitspraak heeft de Rechtbank de belastbare inkomens uit werk en woning bepaald op:

Nr. Hof Jaar Soort Box 1-inkomen
17/00474 2009 Navorderingsaanslag IB/PVV € 37.869
17/00475 2010 Navorderingsaanslag IB/PVV € 9.658
17/00477 2011 Navorderingsaanslag IB/PVV € 100.563
1.4.

Tegen de uitspraken van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft deze hoger beroepen geregistreerd onder de in 1.1.1 vermelde nummers. Ter zake van deze hoger beroepen heeft de griffier van het Hof van belanghebbende, eenmaal in de zaak met nummer 17/00474, een griffierecht geheven van € 250.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.


1.5.

De Inspecteur heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank. Belanghebbende heeft over de incidentele hoger beroepen zijn zienswijze ingebracht.


1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de hierna genoemde zitting, bij brief (met 14 bijlagen) van 15 maart 2018 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.


1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 maart 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde] , bijgestaan door zijn zoon [zoon gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 4] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .


1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.


1.9.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. In dat verband heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. De ingebrachte stukken van elke partij zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en de wederpartij heeft daarop zijn zienswijze gegeven.


1.10.

Op grond van artikel 8:58 Awb heeft belanghebbende vóór de hierna genoemde nadere zitting, bij brief (met 4 bijlagen) van 4 juni 2018 en bij brief (met 1 bijlage) van 21 augustus 2018 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.


1.11.

Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgehad op 6 september 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 4] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .


1.12.

Bij aanvang van de nadere zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 28 maart 2018 was samengesteld uit mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, mr. J. Swinkels en mr. M. Harthoorn, en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Kamer door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. M. Harthoorn, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, lid 3, Awb, in de stand waarin zij zich bevond op 28 maart 2018. Partijen hebben daartegen geen bezwaar geuit.


1.13.

Partijen hebben te dezer nadere zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft te dezer nadere zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de drie pagina’s van bijlage 72 behorend bij het bij de Rechtbank ingebrachte verweerschrift.


1.14.

Het Hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.


1.15.

Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.


2Feiten


Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:


2.1.

Belanghebbende is geboren op [datum] en heeft de Nederlandse nationaliteit.

In de Basisadministratie personen van de gemeente [plaats 2] is geregistreerd dat belanghebbende op 25 november 1999 is vertrokken naar Duitsland. Volgens opgaaf van de Stadt [plaats 3] , Duitsland, was belanghebbende in de periode 24 november 1999 tot en met 18 juni 2012, ‘mit Hauptwohnung’, op het adres [adres 8] te [plaats 3] ingeschreven. Met ingang van 19 juni 2012 is belanghebbende volgens de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven op het adres [adres 9] te [plaats 2] (hierna: [adres 9] ). Belanghebbende is sinds eind 2001 eigenaar van een perceel grond plaatselijk bekend als [adres 9] . Op het perceel bevindt zich een woonwagen. De woonwagen beschikt over een hal, een woonkamer met open keuken en drie slaapkamers (hierna: de woonwagen).


2.2.

Belanghebbende heeft een meerderjarige zoon (hierna: de zoon) en dochter, beiden geboren [datum 7] 1989. Beide kinderen woonden in de onderhavige jaren zelfstandig. De moeder van de kinderen is [de moeder] , geboren [datum 8] 1968 (hierna: [de moeder] ). [de moeder] is na 25 november 1999 blijven wonen in de woonwagen aan de [adres 9] . Belanghebbende en [de moeder] zijn niet gehuwd en in de onderhavige jaren niet elkaars fiscale partner. Vanaf begin 2013 wonen belanghebbende en [de moeder] samen en zijn zij elkaars fiscale partners.


2.3.

Belanghebbende heeft in de afgelopen jaren met zijn toercaravan door Europa gereisd en binnen Europa ventwerkzaamheden verricht bestaande uit de handel in pannen-, bestek- en messensets. Hij heeft met de ventwerkzaamheden inkomsten genoten. In verband met deze werkzaamheden heeft belanghebbende een ventvergunning voor Duitsland en België; voor Duitsland een Reisegewerbekarte en voor België een machtiging ambulante activiteiten als werkgever.


2.4.1.

Belanghebbende heeft zich voor de ventwerkzaamheden uitgevoerd in Duitsland aangemeld bij de Duitse belastingautoriteiten. In verband met deze aanmelding heeft het Finanzamt te Kleve, Duitsland, belanghebbende een, zogenoemd, Umsatzsteuerheft en een belastingnummer voor de Duitse omzetbelasting, Umsatzsteuer, verstrekt. Verder heeft hij een identificatienummer voor de Duitse inkomstenbelasting, Einkommersteuer, gekregen.


2.4.2.

Belanghebbende heeft sinds het jaar 2000 van de verdiensten met zijn Duitse ventwerkzaamheden aangiften voor de Duitse omzetbelasting gedaan. Met betrekking tot deze werkzaamheden en de gedane aangiften heeft de Duitse belastingdienst belanghebbende aangemerkt als kleine ondernemer en van hem geen Duitse omzetbelasting geheven. In dat verband heeft belanghebbende aan omzet de volgende bedragen voor de daarbij vermelde jaren aangegeven € 13.575 voor 2009, € 13.615 voor 2010 en € 15.915 voor 2011.


2.4.3.

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren voor de Duitse inkomstenbelasting aangifte gedaan van het inkomen uit voornoemde ventwerkzaamheden naar een bedrag van € 7.553 voor 2009, van € 9.283 voor 2010 en van € 9.655 voor 2011 en naar aanleiding daarvan zijn aan hem voor deze jaren, voorlopige, aanslagen Einkommersteuer opgelegd.

Voor de jaren 2009 en 2011 bedroegen de aanslagen nihil en voor 2010 was te betalen € 188.


2.4.4.

In de onderhavige jaren had belanghebbende in Duitsland een belastingadviseur die zijn aangiftebiljetten voor de Duitse belastingen invulde. De daaraan ten grondslag liggende bescheiden, het Duitse verkoopboek (het onder 2.4.1 genoemde Umsatzsteuerheft, hierna aangeduid als: het verkoopboekje) en de inkoopfacturen, heeft belanghebbende hiervoor aan zijn adviseur verstrekt en behoren tot de stukken. Tot de stukken behoren de ingediende aangiften voor de Duitse belastingen en de opgelegde aanslagen Duitse inkomstenbelasting.


2.5.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek heeft op 31 oktober en 1 november 2013 een doorzoeking plaatsgevonden op (onder meer) het adres [adres 9] (hierna: de doorzoeking). Hierbij zijn verschillende bescheiden en goederen, waaronder handelsgoederen (messen- en pannensets), sieraden, inkoopfacturen, auto’s, caravans, fietsen, kleding, schoenen, tassen en contant geld in beslag genomen.


2.6.

De Inspecteur heeft op grond van informatie-uitwisselingen gegevens en informatie ontvangen met betrekking tot de bij de doorzoeking verzamelde goederen en bescheiden.

Vervolgens heeft de Inspecteur een onderzoek ingesteld naar de fiscale verplichtingen van belanghebbende. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport van 9 april 2015 (hierna: het rapport). In het rapport is opgenomen dat de Inspecteur, op basis van hetgeen tijdens de doorzoeking is aangetroffen en de informatie die hij heeft ontvangen, concludeert dat de persoonlijke en economische belangen van belanghebbende in de onderhavige jaren binnen Nederland zijn gelegen en dat belanghebbende in Nederland woont. Verder is daarin vermeld dat de Inspecteur op basis van vermogensvergelijkingen tot de conclusie is gekomen dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten dan hij (in Duitsland) heeft aangegeven.


2.7.1.

In het rapport zijn, onder meer, de volgende gegevens opgenomen en met betrekking tot deze gegevens zijn meerdere bescheiden als gedingstuk ingebracht:


2.7.2.

Belanghebbende heeft een bankrekening bij de Rabobank en in de onderhavige jaren worden van deze Raborekening, onder meer, maandelijks afgeschreven een bedrag voor een

- onderhoudsabonnement voor de cv-ketel, locatie [adres 9] , en

- abonnement voor een mobiele telefoon van een in Nederland gevestigde telefoonaanbieder.

Belanghebbende heeft op zijn Raborekening, verspreid over elke van de onderhavige jaren, bedragen in contanten gestort; 18 keer in 2009 met een totaalbedrag van € 8.817, 19 keer in 2010 met een totaalbedrag van € 10.158 en 14 keer in 2011 met een totaalbedrag € 7.410.


2.7.3.

Belanghebbende is in de jaren 2007 tot en met 2013 bij de zorgverzekeraar [de zorgverzekeraar] te [plaats 7] verzekerd voor de zorgverzekering. De verzekeringspolis van belanghebbende had geen buitenland dekking. Belanghebbende betaalde in de betreffende jaren voor twee personen de verschuldigde premies van zijn Rabobankrekening. Uit bij voornoemde zorgverzekeraar opgevraagde informatie blijkt dat belanghebbende in de onderhavige jaren meerdere bezoeken heeft gebracht aan diverse in Nederland gevestigde zorgverleners.


2.7.4.

Belanghebbende heeft van zijn Rabobankrekening boetes, voor in Nederland begane snelheidsovertredingen, betaald aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB); 6 keer in 2009, 4 keer in 2010 en 3 keer in 2011. Van zijn Duitse bankrekening heeft hij, 1 keer in 2009 en 2 keer in 2010, soortgelijke boetes aan het CJIB betaald.


2.7.5.1. Bij de doorzoeking zijn meerdere voertuigen in beslaggenomen en over voertuigen aangetroffen op of rond voornoemd perceel [adres 9] is het volgende vastgelegd:


2.7.5.2. Van de aangetroffen personenauto van het merk en type [automerk 1] met Duits kenteken [kenteken 1] (hierna: [automerk 1] ) was de autosleutel in de woonwagen aanwezig en in de [automerk 1] is een aantal bescheiden van belanghebbende aangetroffen; waaronder de Duitse ventvergunning, het verkoopboekje, zijn jachtakte en zijn paspoort.

Bij een derdenonderzoek ingesteld bij het garagebedrijf [de garage] te [plaats 8] zijn enkele gegevens verstrekt; een verkoopfactuur van de [automerk 1] van 27 juli 2011, op naam van [de GmbH] te [plaats 9] , Duitsland (hierna: GmbH), met een factuurbedrag van € 56.610, waarbij geen omzetbelasting is berekend, en een kilometerstand van 30. Verder zijn drie werkplaatsfacturen verstrekt van een autobedrijf in [plaats 2] voor onderhoud, dat onder de garantie viel, verricht aan de [automerk 1] in oktober 2011. De facturen zijn gericht aan de GmbH, met vermelding van naam en mobiel telefoonnummer van belanghebbende. Een werkplaatsfactuur van 3 mei 2012 is op gelijke wijze opgemaakt.

In de [automerk 1] bevond zich een groene verzekeringskaart met de GmbH als polishouder.


2.7.5.3. In de [automerk 1] is van de aangetroffen caravan van het merk [merk 3] met een Duits kenteken [kenteken 2] (hierna: caravan 989) een verzekeringspolis voor 2010, met ingangsdatum van de verzekering 3 juni 2009, van [A] te [plaats 10] , Duitsland (hierna: Duitse autoverzekeraar), op naam van de zoon aangetroffen.

Betreffende de caravan 989 behoren verder tot de stukken een Duits kentekenbewijs, ten name van de zoon, met 3 juni 2009 als toelatingsdatum en een verklaring van 3 juni 2018 van de zoon, dat de caravan 989, die hij heeft gekocht en betaald, zijn eigendom is.


2.7.5.4. In de aangetroffen caravan van het merk [merk 3] met een Duits kenteken [kenteken 3] (hierna: caravan 439) is de aankoopnota van 10 januari 2011 van een handelsbedrijf in Duitsland aangetroffen. Blijkens deze nota bedraagt de koopprijs € 31.000. Na aftrek van een in 2010 gedane aanbetaling van € 4.000 en de inruil van een caravan van het merk [merk 4] voor € 15.000 is voor de aanschaf van de caravan 439 € 12.000 betaald. In de [automerk 1] zijn voor de caravan 439 aangetroffen een Duits kentekenbewijs van 11 januari 2011 op naam van belanghebbende. In caravan 439 is verder een verzekeringspolis voor 2011 bij de Duitse autoverzekeraar, ten name van belanghebbende en gericht aan zijn Duitse adres aangetroffen en de aanslag Duitse motorrijtuigenbelasting voor 2011.


2.7.5.5. In de caravan 439 is voor de personenauto [merk 5] met Duits kenteken [kenteken 5] (hierna: [merk 5] ) aangetroffen een op naam van belanghebbende gestelde verzekeringspolis voor 2012 van de Duitse autoverzekeraar, met eerste ingangsdatum van de verzekering 3 januari 2012 en eerste toelating van het Duitse kenteken 4 januari 2011. In de woonwagen is van de [merk 5] aangetroffen een inkoopverklaring van 19 maart 2013 van [H] B.V. te [plaats 11] ten bedrage van € 31.500 en belanghebbende als verkoper.


2.8.

Belanghebbende is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over de jaren 2009 en 2010, maar er zijn wel zogenoemde informatiebiljetten aan hem uitgereikt. De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2011 uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen. Belanghebbende heeft de informatiebiljetten en het aangiftebiljet (digitaal) ingevuld geretourneerd. Belanghebbende heeft opgegeven in de onderhavige jaren buitenlands belastingplichtig te zijn, geen (binnenlands) belastbaar inkomen uit werk en woning te hebben genoten en, ter zake van de waarde van de woonwagen als overige onroerende zaken, wel belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hebben genoten.


2.9.

Naar aanleiding van de informatiebiljetten voor 2009 en 2010 en de ingediende aangifte IB/PVV voor 2011 heeft de Inspecteur aan belanghebbende (primitieve) aanslagen IB/PVV opgelegd. De (primitieve) aanslag IB/PVV 2009 is opgelegd, overeenkomstig het betreffende informatiebiljet, naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.440 en een te betalen IB-bedrag van € 1.332. Deze aanslag staat onherroepelijk vast en is niet in geschil.


2.10.

Bij de aanslagregeling van de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 heeft de Inspecteur, overeenkomstig de ingezonden informatiebiljetten respectievelijk de ingediende aangifte, de opgegeven buitenlands belastingplicht en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen overgenomen en met betrekking tot het (binnenlands) belastbaar inkomen uit werk en woning correcties aangebracht, zoals onder 1.1.2 vermeld als box 1-inkomen.

In dat kader heeft de Inspecteur bij het opleggen van elke van de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 de premie volksverzekeringen vastgesteld op nihil.

Bij de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende aangemerkt als binnenlands belastingplichtige, de verschuldigde inkomstenbelasting verminderd en alsnog voor elk van de onderhavige jaren premie volksverzekeringen geheven.


3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen


3.1.

Tussen partijen zijn in geschil de antwoorden op de volgende vragen:


I Is de (fiscale) woonplaats van belanghebbende gelegen in Nederland?

II Is belanghebbende binnenlands belastingplichtig?

III Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2009 en 2010 terecht en tot de juiste bedragen (aan belastbaar inkomen uit werk en woning) vastgesteld?

IV Is de naheffingsaanslag BTW voor het jaar 2009 tot het juiste bedrag opgelegd?

V Dient voor het jaar 2011 de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV voor dat jaar niet heeft gedaan?

VI Zijn de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor het jaar 2011 terecht en tot de juiste bedragen (aan belastbaar inkomen uit werk en woning) vastgesteld?

VII Zijn de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

VIII Heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?


3.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen I tot en met VII ontkennend en vraag VIII bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.


3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen hieraan ter beide zittingen hebben toegevoegd, wordt verwezen naar de daarvan opgemaakte processen-verbaal.


3.4.1.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van de incidentele hoger beroepen van de Inspecteur, gegrondverklaring van zijn hoger beroepen, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag IB/PVV 2011 tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.600, een dienovereenkomstige vermindering van de betreffende beschikking heffingsrente en vernietiging van de bij de aanslag IB/PVV 2011 gegeven boetebeschikking, vernietiging van alle drie de navorderingsaanslagen IB/PVV en van de naheffingsaanslag BTW 2009 en de daarbij gegeven beschikkingen dan wel vermindering daarvan tot nihil en vergoeding van de werkelijke proceskosten.


3.4.2.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de hoger beroepen van belanghebbende en gegrondverklaring van zijn incidentele hoger beroepen, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de boetebeschikking gegeven bij de aanslag IB/PVV 2011 en bij de naheffingsaanslag BTW 2009 en ongegrondverklaring van de tegen beide boetebeschikkingen ingestelde beroepen en vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank voor wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011, en de daarop betrekking hebbende beschikkingen heffingsrente, gegrondverklaring van die beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar betreffende die navorderingsaanslagen en vaststelling van, naar het Hof begrijpt, de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.419, de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.208 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 162.063 en voor het overige dienen de uitspraken van de Rechtbank te worden bevestigd.


4Gronden


Vooraf


Premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 2009, 2010 en 2011


4.0.

Het Hof stelt voorop dat de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen afzonderlijke heffingen zijn. De Inspecteur heeft bij het opleggen van elke van de bestreden (navorderings)aanslag(en) IB/PVV voor de onderhavige jaren de premie volksverzekeringen vastgesteld op nihil. Bij de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen voor de onderhavige jaren heeft de Inspecteur een herberekening gemaakt en alsnog premie volksverzekeringen voor elk van de onderhavige jaren geheven. Indien, zoals in het onderhavige geval, een gecombineerde navorderingsaanslag voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is vastgesteld, moet de beslissing ter zake van elk van deze afzonderlijke heffingen worden aangemerkt als een besluitonderdeel. Een dergelijke (navorderings)aanslag moet daarom in zoverre worden beschouwd als een meerledig besluit.

Door zijn uitspraken op bezwaar tegen een zodanige navorderingsaanslag te baseren op interne compensatie tussen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verlaat de inspecteur de grondslag van het bezwaar in de zin van artikel 7:11, lid 2, Awb. Het vorenstaande geldt ingevolge artikel 8:69, lid 1, Awb ook voor de beslissing van de rechter op een (hoger)beroepschrift (vgl. HR 2 december 2011, nr. 10/03645, ECLI:NL:HR:2011:BU6490, BNB 2012/43). Het Hof acht interne compensatie van inkomstenbelasting met premie volksverzekeringen niet mogelijk, zodat hij hierna enkel de (werkelijk verschuldigde) inkomstenbelasting in de beoordeling zal betrekken.


4.00.

Gelet op het vorenoverwogene zijn de hoger beroepen van belanghebbende gegrond voor zover het de in de navorderingsaanslagen begrepen premie volksverzekeringen betreft en dienen de navorderingsaanslagen daarmee te worden verminderd.


Ten aanzien van het geschil


I Woonplaats


4.1.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt van belanghebbende in Nederland woont en geen woonplaats elders heeft.


4.2.

Belanghebbende betwist in Nederland te wonen en stelt in Duitsland te wonen. Hij stelt gewend te zijn aan een nomadeachtig bestaan en in de onderhavige jaren vrijwel de gehele tijd in een grote toercaravan in Duitsland te hebben gewoond. Belanghebbende heeft vier, deels ongedateerde, verklaringen van in Duitsland gevestigde campings over zijn verblijf aldaar gedurende een aantal weken tot 250 tot 280 dagen per jaar overgelegd. Daarnaast had hij een woonadres in de Stadt [plaats 3] , Duitsland, waar hij niet vaak kwam en dat ook als postadres diende. Belanghebbende stelt in Nederland geen duurzame woongelegenheid te hebben gehad en verwijst naar verklaringen van zijn familie en de verklaring van 8 juli 2017 van [de moeder] en hemzelf. In deze verklaring is opgenomen dat belanghebbende en [de moeder] wegens omstandigheden uit elkaar zijn gegaan, dat belanghebbende in 1999 naar Duitsland is vetrokken en dat [de moeder] toen de woonwagen heeft behouden. [de moeder] is, deels tezamen met de kinderen, op het adres [adres 9] blijven wonen. De gemeentelijke heffingen voor de woonwagen zijn op naam van [de moeder] gesteld en zij heeft deze betaald. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende het aanslagbiljet gemeentelijke heffingen over het jaar 2001 overgelegd alsmede een (gedeelte van de) uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2001. Belanghebbende kwam in de onderhavige jaren voor bezoek aan zijn ouders en zijn kinderen naar de [adres 7] . Belanghebbende heeft verklaard dat hij zijn vaste huisarts in Nederland, op diens advies, heeft aangehouden en bezocht, omdat deze huisarts bekend was met het, in de familie voorkomende, ziektebeeld van belanghebbende. Belanghebbende heeft een rekening bij een Duitse bank aangehouden. In de onderhavige jaren (zie 2.4) heeft belanghebbende aangiftes voor de Duitse inkomstenbelasting en de Duitse omzetbelasting ingediend en hij had een Duitse belastingadviseur. In diens verklaring van 10 juli 2017 is opgenomen dat belanghebbende op het adres te [plaats 3] ‘mit Hauptwohnung’ is ingeschreven.


4.3.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, waar nodig in hun onderlinge verband bezien, is het Hof van oordeel dat belanghebbende een voldoende sterke band met Nederland had om te oordelen dat hij in de onderhavige jaren op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in Nederland woonde:

a. belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit;

b. belanghebbende is eigenaar van een perceel grond gelegen aan de [adres 9] waarop zich een woonwagen bevindt, die geschikt is voor duurzame bewoning. Belanghebbende heeft de woonwagen en ondergrond in de onderhavige jaren aangegeven als box 3-bezitting en wel onder overige onroerende zaken;

c. belanghebbende was verzekerd tegen ziektekosten volgens de Zorgverzekeringswet bij een Nederlandse zorgverzekeraar en bezocht in Nederland gevestigde zorgverleners. De verzekeringspolis van belanghebbende had geen buitenland dekking en belanghebbende betaalde voor 2 personen de maandelijks verschuldigde premies;

d. belanghebbende beschikte over een Nederlandse bankrekening waarop hij geregeld - tussen 14 en 18 keer per jaar - contante bedragen heeft gestort;

e. belanghebbende heeft van zijn Nederlandse bankrekening het onderhoudscontract voor de cv-ketel, locatie [adres 9] , en bekeuringen voor in Nederland begane snelheidsovertredingen betaald;

f. belanghebbende had een mobiel telefoonabonnement afgesloten bij een Nederlandse telefoonaanbieder;

g. belanghebbende had vanaf eind juli 2011 de beschikking over de [automerk 1] , die is gekocht bij een Nederlandse garage en bij een Nederlandse garage in onderhoud is geweest.

Het Hof is van oordeel dat al hetgeen belanghebbende met betrekking tot waar hij woont, heeft ingebracht, in onderlinge samenhang bezien, van onvoldoende gewicht is ten opzichte van hetgeen de Inspecteur over de woonplaats in Nederland van belanghebbende heeft ingebracht. Dit leidt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende in de onderhavige jaren zijn woonplaats in Nederland heeft.


4.4.

Vervolgens moet beoordeeld worden of belanghebbende eveneens een woonplaats buiten Nederland heeft. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag zal vervolgens aan de hand van de bepalingen het relevante belastingverdrag moeten worden beslist in welk land belanghebbende geacht wordt woonachtig te zijn.

Het Hof is van oordeel dat het, gelet op alle feiten en omstandigheden, niet aannemelijk is dat belanghebbende in de onderhavige jaren fiscaal inwoner is geweest van een ander land dan Nederland. Hetgeen belanghebbende in dat verband heeft aangevoerd wordt niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens zoals bijvoorbeeld benzinebonnen en betaalbewijzen van verblijf op campings. Verder zijn de overgelegde verklaringen van campinghouders deels niet gedateerd en overigens niet voldoende specifiek. Bovendien is de verklaring van [de camping] dat belanghebbende daar 250 tot 280 dagen per jaar aanwezig was, moeilijk te rijmen met hetgeen belanghebbende tijdens het hoorgesprek heeft verklaard (bijlage 92 verweerschrift Rechtbankfase, pagina 3), namelijk dat hij in Duitsland meestal met vele anderen (zo’n 30 personen) op een plek stond, met deze groep van plek naar plek trok en als in een omtrek van 40 tot 50 kilometer van de standplaats de koopwaar aan de man was gebracht er weer verder werd getrokken. Uit de overzichten van de Duitse bankrekening (bijlage 59 verweerschrift Rechtbankfase) blijken weliswaar overboekingen van verzekeringspremies voor auto’s en Duitse motorrijtuigenbelasting doch buiten die overboekingen is aan die overzichten geen bewijs te ontlenen van daadwerkelijk verblijf in Duitsland, bijvoorbeeld door concrete betalingen die in Duitsland zijn gedaan. Evenmin heeft belanghebbende aan de hand van concrete bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland gebruik heeft gemaakt van Duitse zorgverleners. Ten aanzien van de woning te [plaats 3] , Duitsland, acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat deze woning meer was dan een postadres. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit zou volgen dat hij een woonplaats in Duitsland heeft. Daarom acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende naar buitenlands nationaal recht zijn woonplaats in dat andere land heeft. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan toepassing van verdragsartikelen ter bepaling van het land dat voor verdragstoepassing als woonland geldt.


4.5.

Voor het antwoord op vraag I is het gelijk aan de Inspecteur.


II Heffingsbevoegdheid van Nederland voor de ventwerkzaamheden


4.6.

Gelet op overwogene onder 4.4 staat vast dat belanghebbende in de onderhavige jaren inwoner (ingezetene) was van Nederland en derhalve op grond van artikel 2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) als binnenlands belastingplichtige voor de inkomstenbelasting dient te worden beschouwd. Hij wordt dan ook in Nederland belast voor zijn wereldinkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende inkomsten uit ventwerkzaamheden heeft genoten. Belanghebbende heeft ook verklaard in de onderhavige jaren de goederen waarmee hij ventte in Duitsland aan particulieren te hebben verkocht.


4.7.

De Inspecteur heeft in (de motiveringen van) de uitspraken op bezwaar betreffende de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 vermeld dat belanghebbende een groot deel van de jaren door Duitsland heeft gereisd en indien nodig als venter werkzaamheden heeft verricht. In dit verband stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de door belanghebbende genoten inkomsten uit venten dienen te worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) als bedoeld in artikel 3.90 Wet IB. Daarbij merkt de Inspecteur op dat uit jurisprudentie blijkt dat de plaats in de openbare ruimte van waaruit een venter zijn goederen te koop aanbiedt, gerekend wordt tot een vaste inrichting (winst uit onderneming) dan wel een duurzame inrichting (ROW). De Inspecteur komt tot de conclusie dat het inkomen van elk van de onderhavige jaren waarvan belanghebbende in Duitsland aangifte heeft gedaan (te weten € 7.553 voor 2009, € 9.283 voor 2010 respectievelijk € 9.655 voor 2011), enerzijds zal worden meegenomen voor het vaststellen van het wereldinkomen voor de onderhavige jaren, en anderzijds wordt hiervoor op grond van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland 1959 aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend.


4.8.

Voor het antwoord op vraag II is het gelijk aan de Inspecteur.


III De navorderingsaanslagen IB/PVV 2009 en 2010


Hoogte van het inkomen in de jaren 2009 en 2010


4.9.

Vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2011 aangifte IB/PVV als buitenlands belastingplichtige heeft gedaan. Hij heeft in zijn aangifte alleen inkomen uit sparen en beleggen betreffende de waarde van de woonwagen aangegeven en geen opgaaf gedaan van de in Duitsland met de ventwerkzaamheden verdiende inkomsten, die wel tot zijn wereldinkomen behoren. Ook in de informatiebiljetten 2009 en 2010 heeft belanghebbende alleen opgaaf gedaan van de waarde van de woonwagen als inkomen van box 3 en geen informatie gegeven over de met de ventwerkzaamheden in Duitsland verdiende inkomsten.


4.10.

Uit onder 2.6 vermeld onderzoek naar de fiscale verplichtingen van belanghebbende heeft de Inspecteur geconcludeerd, dat belanghebbende in de onderhavige jaren meer inkomen uit ventwerkzaamheden heeft genoten, dan door belanghebbende in Duitsland zijn verantwoord. In dat verband heeft de Inspecteur het verschil tussen de omzet en inkopen in Duitsland vastgesteld op € 8.515 voor 2009, € 9.975 voor 2010 en € 10.655 voor 2011.

De Inspecteur is daarbij van mening dat nu van de volgens hem gestelde meer-inkomsten geen opgaaf is gedaan in Duitsland, deze meer-inkomsten zijn genoten in Nederland.

Ter onderbouwing van de meer-inkomsten heeft de Inspecteur vermogensvergelijkingen opgesteld. Hierbij heeft de Inspecteur gekeken naar het vermogen en de inkomsten van belanghebbende. Deze heeft de Inspecteur afgezet tegen benoemde kosten en uitgaven op de Rabobankrekening van belanghebbende en tijdens de doorzoeking aangetroffen goederen (onder andere sieraden/ horloges, voertuigen, fietsen, garderobe en contant geld). Op basis van zogenoemde NIBUD-gegevens zijn verder bedragen in aanmerking genomen voor inventaris en onderhoud van huis en tuin, voor autokosten en voor voeding, was- en schoonmaakartikelen. De, in hoger beroep nader aangepaste, vermogensvergelijkingen geven voor de jaren 2009, 2010 en 2011 negatieve netto-privé uitgaven van € 41.419, € 13.208 respectievelijk € 162.063 te zien. Hieruit leidt de Inspecteur af dat belanghebbende in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan, die niet uit de in Duitsland verantwoorde netto-opbrengsten (van € 8.515, € 9.975 respectievelijk € 10.655) kunnen zijn betaald.


4.11.

Evenals in eerste aanleg heeft belanghebbende in hoger beroep de juistheid van de vermogensvergelijkingen en de daarin opgenomen posten bestreden en aangevoerd dat hij in de onderhavige jaren vermogen in contanten heeft aangehouden en ter financiering van zijn uitgaven, deels, op dat vermogen heeft ingeteerd. Het Hof komt tot het oordeel, dat belanghebbende, tegenover de betwisting van de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over vermogen in de onderhavige jaren heeft beschikt, waarbij het Hof van belang acht dat belanghebbende van de door hem gestelde omvang van of het interen op het vermogen geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd.


4.12.

Het Hof is van oordeel dat de methode die de Inspecteur heeft gebruikt - los van de vraag of alle bestanddelen in de vermogensvergelijking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgenomen - een bruikbare manier is om de hoogte van de inkomsten te bepalen. Het Hof zal ingaan op de afzonderlijke uitgaven per onderdeel in de vermogensvergelijking.


Benoemde posten (2009, 2010 en 2011)


4.13.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van transacties op de Rabobankrekening van belanghebbende achttien benoemde posten opgenomen. Belanghebbende stelt, enkel, dat de benoemde post van de [de zorgverzekeraar] -zorgverzekering voor elk van de onderhavige jaren tot een te hoog bedrag (te weten de premiebetaling voor hemzelf en de zoon) is meegenomen, omdat de zoon hem de premie voor diens verzekering contant heeft terugbetaald. Belanghebbende heeft een verklaring daartoe van 3 juni 2018 van de zoon overgelegd. Hiermee is naar het oordeel van het Hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat (een deel van) het bedrag aan belanghebbende is terugbetaald. De Inspecteur heeft de post [de zorgverzekeraar] terecht en tot het juiste bedrag meegenomen in de vermogensvergelijking.

Voor het overige heeft belanghebbende geen van de benoemde posten betwist.


Caravan (2009)


4.14.

In het rapport is geconcludeerd dat belanghebbende de beschikking en het economisch eigendom van de caravan 989 heeft. In verband daarmee is bij de vermogensvergelijking voor het jaar 2009 de caravan 989 in aanmerking genomen voor een bedrag van € 30.000.

Volgens het kentekenbewijs en de verzekeringspapieren van de caravan 989 staat deze caravan sinds 3 juni 2009 op naam van de zoon. In diens verklaring van 3 juni 2018 heeft de zoon verklaard dat de caravan 989, die hij heeft gekocht en betaald, zijn eigendom is.

De Inspecteur betoogt dat belanghebbende in zijn klaagschrift van 28 november 2013 tegen de inbeslaggenomen goederen van de caravan 989 het eigendom heeft geclaimd en daarmee is de uitgave van € 30.000 naar de mening van de Inspecteur terecht in aanmerking genomen.

In het licht van de door belanghebbende ingebrachte stukken van de caravan 989, waaronder de verklaring van de strafadvocaat van belanghebbende over de gangbare stellingname in voornoemd klaagschrift, acht het Hof de Inspecteur niet geslaagd de uitgave voor de caravan 989 aannemelijk te maken. Het ter zake opgenomen bedrag van € 30.000 is ten onrechte als uitgave van belanghebbende aangemerkt en vormt voor hem geen inkomen.


Racefiets (2009)


4.15.

Met betrekking tot deze post heeft de Rechtbank overwogen:


“4.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur een uitgave van € 2.017 voor een Cube-racefiets aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft daartoe naar een verklaring verwezen waarin de eigenaar van de fietsenwinkel verklaart dat hij de racefiets op 9 november 2009 heeft verkocht voor ongeveer € 2.400 à € 2.500. De racefiets is volgens de eigenaar van de fietsenwinkel contant afgerekend. De blote stelling van belanghebbende dat hij door inruil van een oude racefiets slechts € 1.000 heeft betaald, is – tegenover de gemotiveerde stelling van de inspecteur – onvoldoende.”


Het Hof sluit aan bij deze overwegingen van de Rechtbank en maakt die tot de zijne. Het Hof volgt de Rechtbank is haar oordeel dat de racefiets terecht voor € 2.017 in aanmerking is genomen.


Garderobe (2009 en 2010)


4.16.

Over deze post heeft de Rechtbank overwogen:


“4.8. De inspecteur heeft in beide jaren een kostenpost voor de garderobe opgenomen van € 4.500. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur dit bedrag niet aannemelijk gemaakt. De vervangingswaarde van de bij de doorzoeking aangetroffen garderobe (kleding, schoenen, tassen) is getaxeerd op € 30.000. Om de nieuwwaarde te berekenen heeft de inspecteur een opslag van 50% toegepast. Het bedrag van € 45.000 dat daaruit volgt is door de inspecteur over vijf jaren verdeeld en aan twee personen toegerekend. De rechtbank acht aannemelijk dat in elk geval een deel van de garderobe ouder is dan vijf jaar en acht voorts de door de inspecteur bepleite opslag en daarmee de gehanteerde nieuwwaarde niet aannemelijk gemaakt. Anderzijds heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de garderobe voor hooguit € 1.000 in de vermogensvergelijking dient te worden opgenomen. Belanghebbende heeft dit bedrag enkel gesteld en zijn stelling niet onderbouwd. De rechtbank stelt de uitgaven in verband met de garderobe van belanghebbende voor de jaren 2009 en 2010 in goede justitie vast op € 2.000 per jaar. Het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning in 2009 en 2010 dient in beide jaren verminderd te worden met een bedrag van € 2.500.”


Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden terecht heeft beslist dat de uitgaven voor de garderobe voor de jaren 2009 en 2010, in goede justitie, op € 2.000 per jaar worden vastgesteld en maakt deze gronden en het vastgestelde bedrag per jaar tot de zijne.


4.17.

De Inspecteur heeft met betrekking tot het door hem ingestelde incidentele hoger beroep ter zitting verklaard zijn standpunt over de uitgaven voor de garderobe te wijzigen in die zin dat de bij de doorzoeking aangetroffen garderobe (kleding, schoenen en tassen) is aangeschaft door belanghebbende ten behoeve van [de moeder] en hemzelf en dat het gestelde bedrag van € 4.500 per jaar voor de uitgaven voor 2 volwassenen niet te hoog is. Belanghebbende heeft het betoog van de Inspecteur weersproken en zijn stelling, dat hij voor zichzelf niet meer dan € 500 per jaar aan garderobe uitgeeft, gehandhaafd.


4.18.

De enkele stelling van de Inspecteur dat voor de garderobe voor 2 volwassenen een uitgave van € 4.500 per jaar in aanmerking moet worden genomen, acht het Hof, gelet op de betwisting door belanghebbende en het onder 4.16 hiervoor overwogene, onvoldoende.

Het door de Inspecteur voor deze post ingestelde incidentele hoger beroep wijst het Hof af.


NIBUD-gegevens inventaris en onderhoud huis en tuin (2009 en 2010)


4.19.

Ter zake van deze post heeft de Rechtbank overwogen:


“4.9. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de onderhoudskosten van € 2.100 zien op de kosten voor een gezamenlijke huishouding, en dat dit bedrag zowel bij belanghebbende als bij [de moeder] in aanmerking is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de onderhoudskosten voor het huis (de woonwagen) en de tuin € 2.100 bedragen. Los van de vraag of belanghebbende in de onderhavige jaren een gezamenlijke huishouding voerde met [de moeder] acht de rechtbank – gelet ook op het gesplitste eigendom van het perceel en de woonwagen – redelijk dat bij belanghebbende de helft van de onderhoudskosten, derhalve € 1.050, in aanmerking wordt genomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onderhoudskosten zo goed als nihil bedragen, zoals hij stelt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de woonwagen, gelet op de omvang en de uiterlijke verschijningsvorm, vergelijkbaar is met een woning. Ook het perceel waarop de caravan van belanghebbende staat, is van een dusdanige omvang dat aannemelijk is dat daarvoor ten minste enige onderhoudskosten zijn gemaakt. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat de caravan(…) [Hof: de caravan van het merk [merk 4] , zie 2.7.5.4] van belanghebbende – ter zake waarvan door de inspecteur niet apart een kostenpost voor onderhoud is opgenomen in de vermogensvergelijking – ook bepaalde onderhoudskosten kennen. De rechtbank zal het bedrag dat aan belanghebbende toerekenbaar is voor de onderhoud van huis/caravan en tuin in goede justitie vaststellen op € 1.050. Het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning in 2009 en 2010 dient in beide jaren verminderd te worden met een bedrag van € 1.050.”


Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden terecht heeft beslist dat de uitgaven voor inventaris en onderhoud voor de jaren 2009 en 2010, in goede justitie, op € 1.050 per jaar worden vastgesteld en maakt deze gronden en het jaarbedrag tot de zijne.

Het door de Inspecteur voor deze post ingestelde incidentele hoger beroep slaagt niet.


NIBUD-gegevens voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging (2009 en 2010)


4.20.

Met betrekking tot deze post heeft de Rechtbank overwogen:


“4.10. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vaststellen van de uitgaven volgens de NIBUD-gegevens recht doet aan de feiten en omstandigheden van belanghebbende, waaronder het leven in een caravan. Belanghebbende heeft zelf evenmin gesteld of aannemelijk gemaakt welke bedragen hij heeft uitgegeven voor de kosten van voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging, terwijl hij naar het oordeel van de rechtbank dergelijke uitgaven wel moet hebben gedaan. De rechtbank zal daarom deze kosten in goede justitie bepalen op € 3.500. Het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning in 2009 en 2010 dient in beide jaren verminderd te worden met een bedrag van € 1.660.”


Het Hof sluit aan bij deze overwegingen van de Rechtbank en maakt die tot de zijne. Het Hof volgt de Rechtbank is haar oordeel dat voornoemde uitgaven voor de jaren 2009 en 2010 op € 3.500 per jaar worden gesteld en voor dat bedrag per jaar in aanmerking wordt genomen.


Berekening van het inkomen 2009 en 2010 en de betreffende navorderingsaanslagen IB/PVV


4.21.

Voor het jaar 2009 heeft de Inspecteur bij de vermogensvergelijking de netto-privé uitgaven voor het jaar 2009, nader, berekend op € 41.419. Gezien het onder 4.13 tot en met 4.20 overwogene en de verminderingen vermeld onder 4.14 (caravan 989), 4.16 (garderobe) en 4.19 (inventaris en onderhoud) bepaalt het Hof het bedrag van deze uitgaven voor het jaar 2009 op € 7.869 (te weten € 41.419 -/- € 30.000 (4.14) -/- € 2.500 (4.16) -/- € 1.050 (4.19)).


4.22.

De Inspecteur heeft het verschil tussen de Duitse omzet en inkopen voor 2009 (zie 4.10) vastgesteld op € 8.515 en dit bedrag in aanmerking genomen bij de vermogensvergelijking. Het bedrag van € 8.515 is als zodanig door belanghebbende niet betwist zodat het Hof ook hiervan uitgaat. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient dan te worden vastgesteld op € 8.515 + € 7.869 = € 16.384. Aangezien de navorderingsaanslag slechts bestaat uit inkomstenbelasting, dient slechts de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3 Wet IB) in aanmerking te worden genomen. Voorts dient een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te worden verleend uitgaande van een buitenlands inkomen van € 8.515.


4.23.

Voor het jaar 2010 heeft de Inspecteur bij de vermogensvergelijking de netto-privé uitgaven, nader, berekend op € 13.208. Gezien het onder 4.13 tot en met 4.20 overwogene en de verminderingen vermeld 4.16 (garderobe) en 4.19 (inventaris en onderhoud) bepaalt het Hof deze uitgaven voor het jaar 2010 op € 9.658 (te weten € 13.208 -/- € 2.500 -/- € 1.050).


4.24.

De Inspecteur heeft het verschil tussen de Duitse omzet en inkopen voor 2010 (zie 4.10) vastgesteld op € 9.975 en dit bedrag in aanmerking genomen bij de vermogensvergelijking. Het bedrag van € 9.975 is als zodanig door belanghebbende niet betwist zodat het Hof ook hiervan uitgaat. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zou dan op € 9.975 + € 9.658 = € 19.603 moeten worden vastgesteld. Aangezien de navorderingsaanslag slechts bestaat uit inkomstenbelasting, dient slechts de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3 Wet IB) in aanmerking te worden genomen. Voorts dient een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te worden verleend uitgaande van een buitenlands inkomen van € 9.975.

Het bedrag aan IB 2010 zoals volgt uit de uitspraak op bezwaar bedraagt € 53; dit is € 341 inkomstenbelasting verminderd met het IB-deel van de gecombineerde heffingskorting (2,3/33,45 x € 2837=) € 196 en verminderd met € 92, zijnde de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Belanghebbende kan door het (hoger) beroep niet in een slechtere positie geraken, zodat het Hof het belastbaar inkomen uit werk en woning niet nader zal vaststellen op voornoemd bedrag van € 19.603, maar de navorderingsaanslag IB 2010 zal vaststellen op een bedrag aan (enkel) inkomstenbelasting van € 53.


4.25.

Hetgeen onder 4.21 tot en met 4.24 is overwogen leidt het Hof tot de conclusie dat de navorderingsaanslag IB 2009 tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat de navorderingsaanslag IB 2010 moet worden vastgesteld op het bedrag van € 53. De beschikkingen heffingsrente dienen dienovereenkomstig te worden aangepast.


4.26.

Voor het antwoord op vraag III is het gelijk aan belanghebbende.


IV Naheffingsaanslag BTW voor het jaar 2009


4.27.

Niet in geschil is dat belanghebbende met betrekking tot de ventwerkzaamheden ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, woont belanghebbende in het jaar 2009 in Nederland. De Inspecteur voert aan dat op grond van artikel 5, lid 1, Wet OB, voor zover hier van belang, de levering van een goed plaatsvindt (en daarmee belastbaar is) in het land waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering. Op grond van artikel 32 Wet OB (tekst tot 1 januari 2010) wordt een ondernemer die in Nederland woont of is gevestigd, geacht zijn leveringen in Nederland te verrichten, voor zover hij niet aan de hand van boeken en bescheiden of andere gegevensdragers het tegendeel aantoont. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot de uit de vermogensvergelijking blijkende negatief netto privé-uitgaven van, thans door hem berekend op, € 41.419 (zie 4.21), sprake is van omzet waarover omzetbelasting in Nederland verschuldigd is en heeft ter zake daarvan de naheffingsaanslag BTW 2009 opgelegd. De Inspecteur heeft in dit verband benadrukt, dat hij de omzet in Duitsland aangegeven voor de Umsatzssteuer buiten de BTW-heffing houdt.


4.28.

Gelet op de uitkomst van de vermogensvergelijking bedraagt het negatief netto privé voor het jaar 2009 € 7.869. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende tot dit bedrag meer inkomsten heeft genoten en daarmee ook meer omzet heeft behaald dan aangegeven in de Duitse aangifte. De Inspecteur stelt zich terecht op het standpunt dat de ter zake van deze omzet gedane leveringen geacht worden in Nederland te hebben plaatsgevonden, tenzij belanghebbende het tegendeel aantoont. In dat bewijs is belanghebbende niet geslaagd. De verschuldigde omzetbelasting bedraagt 19/119 van de behaalde omzet. Conform de berekening van de Rechtbank bedraagt de omzet 10/9 x € 7.869 = € 8.734. Daarover is aan omzetbelasting verschuldigd € 1.395. Gelet op de kleine ondernemersregeling wordt dit bedrag van € 1.395 verminderd met een bedrag van 2,5 x (€ 1.883 -/- € 1.395) = € 1.220. De na te heffen omzetbelasting bedraagt dan € 175.


4.29.

Vraag IV moet ontkennend worden beantwoord.


V De bewijslast voor de (navorderings)aanslag IB/PVV voor de het jaar 2011


4.30.

Met betrekking tot het jaar 2011 is belanghebbende uitgenodigd aangifte voor de IB/PVV te doen. Op grond van artikel 27e AWR in verbinding met artikel 27h AWR wordt het hoger beroep ongegrond verklaard, indien belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien de op basis van de gedane aangifte verschuldigde belasting, zowel relatief als absoluut, aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.

Of dat het geval is, moet worden beoordeeld aan de hand van de normale regels van de stelplicht en bewijslast. De bewijslast dat de aangifte onjuist is, rust op de Inspecteur.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47 en HR 1 oktober 2010, nr. 09/02151, ECLI:NL:HR:2010:BN8731, BNB 2010/47).


4.31.

Met betrekking tot de vraag of de ingediende aangifte IB/PVV 2011 onjuist was, stelt het Hof voorop dat belanghebbende in deze aangifte ter zake van de woonwagen een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.600 heeft aangegeven. Belanghebbende heeft verklaard dat hij in 2011 voor de aanschaf van de caravan 439 een bedrag van € 12.000 heeft uitgegeven en een horloge voor € 12.000 heeft aangekocht. Deze uitgaven van in totaal € 24.000 heeft belanghebbende niet kunnen bekostigen uit de netto opbrengst van de Duitse ventwerkzaamheden in 2011 ten bedrage van € 10.655 (zie 4.10). De blote stelling van belanghebbende dat hij voornoemde uitgaven heeft gedaan uit het door hem in contanten aangehouden vermogen, wijst het Hof gezien het onder 4.11 overwogene af. Het Hof stelt vast dat op grond van deze twee posten reeds sprake is van een negatief netto privé.


4.32.

De Inspecteur betoogt dat belanghebbende in 2011 de [merk 5] heeft aangeschaft en wijst hierbij op de ingaande 3 januari 2012 geldende verzekeringspolis van belanghebbende.

Belanghebbende heeft in dit verband op de zitting bij de Rechtbank verklaard dat hij in 2012 de [merk 5] tweedehands heeft gekocht voor een bedrag van € 39.000 (zie bijlage A17 van het Rechtbankdossier, “Reactie op pleitnota en de nadere stukken van de BDˮ, pag. 1, onderaan).

Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbende de [merk 5] in de eerste week van januari 2012 heeft aangekocht en dat hij de voor deze aankoop benodigde geldmiddelen in de loop van het jaar 2011 moet hebben verworven. Belanghebbende heeft de uitgaven van € 39.000 echter niet kunnen bekostigen uit de netto opbrengst van de Duitse ventwerkzaamheden in 2011 ten bedrage van € 10.655 (zie 4.10). Gezien het onder 4.11 overwogene heeft belanghebbende deze uitgaven evenmin kunnen doen uit door hem in contanten aangehouden vermogen. Het Hof stelt vast dat deze uitgavepost van € 39.000 leidt tot een (nog hoger) negatief netto privé.


4.33.

Met hetgeen is overwogen onder 4.31 en 4.32 acht het Hof aannemelijk geworden dat belanghebbende (meer) inkomsten heeft genoten uit de ventwerkzaamheden, die hij heeft aangewend om de uitgaven voor de caravan 439, een horloge en de [merk 5] te doen. Belanghebbende heeft de (meer) inkomsten niet verantwoord in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011. Belanghebbende betwist in Nederland te hebben gevent en stelt dat hij alleen in Duitsland ventwerkzaamheden heeft verricht en dat hij daarmee aanspraak maakt op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Het Hof wijst deze stelling af. Belanghebbende heeft de hier bedoelde meer inkomsten niet aangegeven in Duitsland en daarmee zijn er geen aanknopingspunten dat hij de meer inkomsten in Duitsland heeft verdiend. Evenmin zijn er aanknopingspunten dat belanghebbende deze (meer) inkomsten in enig ander land heeft verdiend. Dan ziet het Hof geen aanleiding dat ter zake van de (meer) inkomsten aan belanghebbende een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend.


4.34.

Gezien de omvang van de uitgaven van in totaal (2 x € 12.000 + € 39.000 =) € 63.000 en de in Duitsland aangegeven inkomsten van € 9.655 in relatie tot het in het jaar 2011 aangegeven belastbare inkomen (box 3) van € 5.600, acht het Hof aannemelijk dat sprake is van niet-aangegeven inkomsten waardoor de werkelijk verschuldigde inkomstenbelasting, zowel in absolute als in relatieve zin, aanzienlijk hoger is dan de uit de ingediende aangifte volgende verschuldigde inkomstenbelasting, waarmee de conclusie gerechtvaardigd is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het Hof is daarbij van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn, dat door het niet aangeven van de bedoelde inkomsten een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Dit betekent dat op grond van artikel 27e AWR de bewijslast in zoverre wijzigt dat belanghebbende moet doen blijken - dat wil zeggen: overtuigend moet aantonen - dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar van de aanslag IB/PVV 2011 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast).


4.35.

Voor het antwoord op vraag V is het gelijk aan de Inspecteur.


VI De vaststelling van de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2011


Redelijke schatting van het inkomen in het jaar 2011


4.36.

De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de (navorderings)aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181 (hierna: het arrest BNB 2013/181)). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, BNB 2006/134). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. het arrest BNB 2013/181).


4.37.

De, in hoger beroep door de Inspecteur nader aangepaste, vermogensvergelijking laat voor het jaar 2011 negatieve netto-privé uitgaven van € 162.063 zien. Hierin zijn begrepen de onder 4.13 vermelde benoemde posten, een bedrag van € 2.000 voor garderobe (zie 4.16), een bedrag van € 1.050 voor inventaris en onderhoud (zie 4.19), een bedrag van € 3.500 voor voeding en overige (zie 4.20) en de posten voor de caravan 439 en een horloge (zie 4.31). Gezien de respectievelijke rechtsoverwegingen acht het Hof voornoemde posten voldoende met feitelijke stellingen onderbouwd, dat sprake is van een redelijke schatting van de posten.


Voor de [automerk 1] zijn in de vermogensvergelijking opgenomen de aanschaf daarvan tegen een nieuwwaarde van € 69.000 en NIBUD-gegevens voor autokosten van € 4.730.

Belanghebbende bestrijdt de [automerk 1] te hebben aangeschaft en stelt dat de [automerk 1] , zoals uit de verkoopfactuur (zie 4.7.5.2) blijkt, is gekocht door de GmbH, die de [automerk 1] ook heeft verzekerd. Voorts stelt belanghebbende dat de [automerk 1] in de jaren vanaf 2011 bij hem in bruikleen is geweest tegen een vergoeding in natura. Hierbij wijst belanghebbende op de verklaring daarover van 14 april 2015 van de Duitse advocate

[J] . Het Hof stelt voorop dat de [automerk 1] bij een garagebedrijf te [plaats 8] , Nederland is gekocht en bij een autobedrijf in ‘s-Hertogenbosch in onderhoud is geweest. Het Hof acht, tegenover de betwisting door de Inspecteur, de stelling van belanghebbende dat de [automerk 1] is aangeschaft door de GmbH en zijn verklaring over de bruikleen van de [automerk 1] door hem tegen een vergoeding in natura niet geloofwaardig. Voornoemde verklaring van de Duitse advocate, gezien hetgeen de Inspecteur daartegen heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof komt tot het oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende bij de [automerk 1] een (middellijk) eigenaarsbelang had en dat belanghebbende de [automerk 1] heeft aangeschaft.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de Inspecteur het ten aanzien van de [automerk 1] opgenomen bedrag van € 69.000 voor de aanschaf en € 4.730 voor de jaarlijkse autokosten, zodanig met feitelijke stellingen heeft onderbouwd, dat daarbij sprake is van een redelijke schatting. Het Hof stelt vast dat op de verkoopfactuur (zie 4.7.5.2) een factuurbedrag van € 56.610 en een kilometerstand van 30 zijn vermeld. Hieruit leidt het Hof af dat sprake is van een nieuwe [automerk 1] . Aangezien er geen reden is aan die gegevens op de aankoopfactuur te twijfelen acht het Hof het in aanmerking nemen van een nieuwwaarde van € 69.000 niet redelijk. Het Hof komt tot een vermindering van € 69.000 -/- € 56.610 = € 12.390. Het op NIBUD-gegevens gebaseerde bedrag van de autokosten acht het Hof wel redelijk geschat.

Voor de [merk 5] zijn in de vermogensvergelijking opgenomen de aanschaf daarvan tegen de nieuwwaarde van € 55.000 en NIBUD-gegevens voor jaarlijkse autokosten van € 5.676.

Belanghebbende stelt de [merk 5] in 2012 als tweedehands auto voor € 39.000 te hebben gekocht en wijst daarbij op de ingaande 3 januari 2012 nieuw afgesloten autoverzekering.

De Inspecteur handhaaft zijn betoog dat uit het gegeven dat de [merk 5] in Duitsland voor het eerst is toegelaten op 4 januari 2011 de aanschaf door belanghebbende in 2011 blijkt. Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn betoog. Het Hof is, mede in verband met het onder 4.32 overwogene, van oordeel dat belanghebbende begin 2012 de [merk 5] , tweedehands, heeft aangekocht met middelen die hij in de loop van 2011 heeft verworven. Het in aanmerking nemen van de nieuwwaarde van € 55.000 acht het Hof niet redelijk. Mede gelet op het feit dat de [merk 5] op 19 maart 2013 voor het bedrag van € 31.500 door belanghebbende is verkocht (zie 2.7.5.5) stelt het Hof het voor de aanschaf van de [merk 5] in aanmerking te nemen bedrag, in goede justitie, vast op € 45.000. Uit het voorgaande volgt dat het in 2011 in aanmerking nemen van autokosten van de [merk 5] van € 5.676 evenmin redelijk is te achten. Het Hof komt tot een vermindering van € 55.000 -/- € 45.000 + € 5.676 = € 15.676.


4.38.

Hetgeen onder 4.36 en 4.37 is overwogen leidt het Hof ertoe de redelijke schatting van het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2011 te bepalen op (€ 162.063 -/- € 12.390 -/- € 15.676 =) € 133.997, te vermeerderen met de in Duitsland genoten inkomsten van € 10.655. Daarmee komt het totaal van het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 144.652. Aangezien de (navorderings)aanslag slechts bestaat uit inkomstenbelasting, dient slechts de heffingskorting voor de inkomstenbelasting (artikel 8.3 Wet IB) in aanmerking te worden genomen. Voorts dient een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te worden verleend uitgaande van een buitenlands inkomen van € 10.655.


4.39.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met al hetgeen door hem is gesteld zonder nadere (controleerbare) onderbouwingen niet overtuigend de onjuistheid van het in 4.38 bepaalde inkomen heeft aangetoond.


Grond voor navordering 2011


4.40.

Het Hof stelt vast dat de (primitieve) aanslag IB/PVV 2011 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000 en dat het inkomen is bepaald op € 144.652. Dan komt de vraag aan de orde of een navorderingsaanslag kan worden opgelegd.


4.41.

Op grond van artikel 16, lid 1, AWR kan de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwade trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw, rust op de inspecteur.


4.42.

Partijen hebben, desgevraagd, verklaard dat een nieuw feit ontbreekt. Het Hof is in dit verband niet gebleken van een onjuiste opvatting en volgt partijen in hun standpunt. Dat betekent dat een navorderingsaanslag alleen kan worden opgelegd bij kwade trouw van belanghebbende.


4.43.

Met betrekking tot kwade trouw bij belanghebbende voert de Inspecteur aan, dat:

- belanghebbende heeft doen voorkomen dat hij niet in Nederland woonachtig en evenmin belastingplichtig was;

- belanghebbende in 2011 heeft gewerkt als venter;

- belanghebbende weet dan wel had moeten weten dat hij over de inkomsten uit het venten, waar ook ter wereld verdiend, belasting in Nederland verschuldigd was;

- belanghebbende in Nederland belastingplichtig is voor zijn gehele wereldinkomen;

- belanghebbende in Duitsland slechts melding heeft gemaakt van een inkomen van € 9.655;

- belanghebbende wist dan wel moet hebben geweten dat hij van de inkomsten uit Duitsland niet kon rondkomen (zoals ook blijkt uit de vermogensvergelijking).


4.44.

Belanghebbende bestrijdt dat sprake is van kwade trouw en stelt zich niet bewust te zijn geweest van enig onjuist handelen. Hieraan voegt belanghebbende toe dat hij zich in Duitsland heeft gewend tot een belastingadviseur en van de inkomsten in Duitsland aangiften heeft gedaan. Hij stelt geen voordeel te hebben behaald, nu de heffing in Duitsland niet lager is dan in Nederland. Verder is belanghebbende van mening dat de aanslagen niet op de juiste grondslagen zijn opgelegd.


4.45.

Het Hof stelt voorop dat van kwade trouw in de zin van artikel 16 AWR sprake is indien een belastingplichtige de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (vgl. HR 3 oktober 2010, nr. 09/04514, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, BNB 2010/59). Onder opzet valt ook voorwaardelijke opzet.


4.46.

Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is (4.6) en voor het jaar 2011 alleen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft aangegeven en geen belastbaar inkomen uit werk en woning (zie 2.8), terwijl hij in Duitsland wel inkomsten uit de ventwerkzaamheden heeft genoten (zie 2.4.3). Verder heeft het Hof geconstateerd dat belanghebbende meer inkomsten met de ventwerkzaamheden heeft verdiend (zie 4.31 en 4.32) dan de in Duitsland aangegeven inkomsten. Met zijn stelling dat de heffing over dergelijke inkomsten in Duitsland niet lager is dan in Nederland, bevestigt belanghebbende dat hij ermee bekend is dat over deze inkomsten belasting verschuldigd is. Hieruit volgt dat belanghebbende zich bij het doen van de aangifte IB/PVV 2011 ervan bewust is geweest dat hij de Inspecteur de onjuiste inlichtingen voor het vaststellen van de aanslag heeft verstrekt.

Het Hof komt derhalve tot het oordeel dat belanghebbende te kwade trouw is.


4.47.

Belanghebbende stelt dat hij in Duitsland aangiften over de inkomsten heeft gedaan. Voor zover belanghebbende met deze stelling heeft bedoeld te stellen dat de in aanmerking genomen meer-inkomsten ter heffing van belasting aan Duitsland zijn toegewezen en er in verband met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, geen inkomstenbelasting in Nederland verschuldigd is en er daarom geen aanleiding is voor het opleggen van de (navorderings)aanslag IB/PVV 2011, wijst het Hof deze stelling, gelet op hetgeen onder 4.33 is overwogen, af.


Vaststelling van het belastbare inkomen uit werk en woning voor 2011


4.48.

Gelet op de onder 4.38 vermelde verminderingen en met inachtneming van hetgeen daarin verder is overwogen, wordt de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 144.652, en dient te bijhorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd. De (primitieve) aanslag IB/PVV 2011 blijft gehandhaafd. Dit geldt eveneens voor de daarbij genomen beschikking heffingsrente, waartegen belanghebbende geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd. In dit verband merkt het Hof op, dat niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast.


4.49.

Het Hof merkt hierbij nog op dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 verminderd wordt met het bedrag van € 10.415 aan premie volksverzekeringen, dat ten onrechte bij de desbetreffende uitspraak op bezwaar aan belanghebbende in rekening is gebracht (zie 4.0 en 4.00).

Nu bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 geen premie volksverzekeringen geheven worden, dient op grond van artikel 8.3 Wet IB de gecombineerde heffingskorting te worden bepaald op het IB-deel daarvan, te weten 1,85/33 x € 3.484. Zoals hiervoor al vermeld (zie 4.38) dient verder een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te worden verleend uitgaande van een buitenlands inkomen van € 10.655.


4.50.

Het antwoord op vraag VI luidt (grotendeels) bevestigend.


VII Vergrijpboete aanslag IB/PVV 2011 en naheffingsaanslag BTW 2009


4.51.

Ten aanzien van de opgelegde vergrijpboeten overweegt het Hof als volgt.


4.52.

Op grond van artikel 67d, lid 1, AWR kan de inspecteur een (vergrijp)boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67f, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet geldende termijn is betaald. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen van belasting. Onder opzet valt ook voorwaardelijke opzet, waaronder wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans, dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting is geheven of kan worden geheven.

In geval van (voorwaardelijke) opzet bedraagt de vergrijpboete 50%. In dit geval heeft de Inspecteur bij de aanslag IB/PVV 2011 op grond van artikel 67d AWR een vergrijpboete opgelegd van 75% van (alleen) de inkomstenbelasting, die is verschuldigd over het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 100.000. Verder heeft de Inspecteur op grond van artikel 67f AWR een vergrijpboete van 75% van de nageheven belasting opgelegd bij de naheffingsaanslag BTW.


4.53.

De Inspecteur heeft in de kennisgeving daarvan de boeten als volgt gemotiveerd:

Inkomstenbelasting 2011:

“Uit de inbeslaggenomen bescheiden en overige onderzoeksresultaten blijkt dat belastingplichtige in de periode tot en met 2013 in Nederland woonachtig is. Het is van algemene bekendheid dat men in een dergelijk geval binnenlands belastingplichtig is en aangifte voor de inkomstenbelasting moet doen. (….)

De feiten en omstandigheden zijn zo gepresenteerd dat het lijkt alsof er sprake is van een woonplaats in het buitenland. Dit is gedaan om de belastingplicht in Nederland te ontgaan.

Daar het van algemene bekendheid is dat inkomsten uit handel moeten worden aangegeven voor de heffing van inkomstenbelasting (etc), belanghebbende aanzienlijke bedragen buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden door bewust gedurende een lange reeks van jaren te doen alsof hij niet in Nederland woonachtig was, heeft hij opzettelijk een onjuiste dan wel onvolledige aangiften voor de inkomstenbelasting (etc) over het jaar 2011 gedaan.

(…)”.


Naheffingsaanslag BTW 2009:

“Uit de inbeslaggenomen bescheiden en overige onderzoeksresultaten blijkt dat belastingplichtige in de periode tot en met 2013 in Nederland woonachtig is. Daarbij doet belastingplichtige voorkomen dat hij in het buitenland woonachtig is en vanuit dit buitenlandse adres zijn inkomen genereert. In werkelijkheid is belastingplichtige in Nederland woonachtig en drijft voor de omzetbelasting vanuit Nederland zijn onderneming. Belanghebbende geniet in ieder geval inkomen uit ambulante handel in pannensets, messensets en besteksets. Het is van algemene bekendheid dat over gegenereerde omzet omzetbelasting verschuldigd is. Het is van algemene bekendheid dat de ondernemer die in Nederland woont of is gevestigd wordt geacht zijn leveringen en diensten in Nederland te verrichten, voor zover hij niet aan de hand van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers het tegendeel aantoont. (…)”.


Daaraan voegt de Inspecteur toe dat uit het woonplaatsonderzoek duidelijk blijkt dat belanghebbende in Nederland woont en dat het doen voorkomen dat de woonplaats in het buitenland is gelegen, alleen is bedoeld om buiten beeld te blijven van de Nederlandse belastingdienst en het zodoende frustreren van de heffing van belastingen. Daarmee vindt de Inspecteur dat sprake is van listigheid en valsheid, als een strafverzwarende omstandigheid.


4.54.

Belanghebbende bestrijdt de gronden voor de boete, hij stelt zich nooit bewust te zijn geweest van enig onjuist handelen en wijst erop dat hij zich heeft gewend tot zijn Duitse adviseur om de aangiften van de inkomsten in te dienen. Verder weerspreekt belanghebbende dat sprake is van listigheid of valsheid, omdat hij aangifte in Duitsland heeft gedaan naar het volledige inkomen.


4.55.

Zoals het Hof hiervoor (zie 4.38) heeft overwogen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende in het jaar 2011 een aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2011. Daarmee heeft het Hof aannemelijk geacht (zie 4.46) dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet geheven zou worden, althans dat hij willens en wetens de reële kans daartoe heeft aanvaard. Het is dan ook aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting zou worden geheven.

Het voorgaande heeft eveneens te gelden ten aanzien van de meer genoten omzet in 2009.

Verder acht het Hof, evenals de Rechtbank, strafverzwarende omstandigheden aanwezig omdat belanghebbende, zowel in 2009 als in 2011, het naar de Belastingdienst heeft willen doen voorkomen dat zijn woonplaats niet in Nederland was gelegen om aldus buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te blijven.


4.56.

Vervolgens heeft de Rechtbank overwogen:


“4.26. Met betrekking tot de vraag of de vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV 2011 passend en geboden is, neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting voor de IB/PVV 2011 is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962). In het onderhavige geval is de hoogte van de verschuldigde belastingbedrag voor de IB/PVV 2011 komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. De rechtbank ziet hierin aanleiding de vergrijpboete met 10% te matigen tot € 23.115 (€ 25.684 (zie [Hof; 1.12] (…) -/- 10%). Zij acht de aldus gecorrigeerde vergrijpboete – met voorbijgaan aan de behandelduur – passend en geboden.


4.27.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat (…) de redelijke termijn van twee jaar [Hof; is] overschreden met 6 maanden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank ziet geen reden om een deel van de overschrijding aan belanghebbende toe te rekenen. Gelet hierop zal de rechtbank ambtshalve de vergrijpboeten (verder) matigen met 5%.


4.28.

De rechtbank vermindert de vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV 2011 (…) tot € 21.959 (€ 23.115 (zie 4.26) -/- 5%).”


4.57.

De Inspecteur bestrijdt in zijn incidenteel hoger beroep de door de Rechtbank verleende vermindering vanwege de omstandigheid dat de hoogte van de verschuldigde belasting voor deze aanslag is komen vast te staan met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast. De Inspecteur voert daarbij aan dat sprake is van een, door hem zogenoemde, minimumpositie waarop het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld. Het Hof wijst deze grief af. Het Hof stelt voorop dat de onderhavige boete is opgelegd ter zake van de door de Inspecteur zelf naar een ambtshalve bepaald belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000. De zogenoemde minimumpositie heeft de Inspecteur dan ook zelf gekozen. Daarbij is het Hof van oordeel dat bij het opleggen van een boete altijd sprake is van een bepaalde mate van schatting. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur slaagt niet.


4.58.

Het Hof sluit aan bij de overwegingen van de Rechtbank inzake de boete bij de aanslag IB/PVV 2011 en is van oordeel dat een boete van € 21.959 passend en geboden is.

De boete bij de naheffingsaanslag BTW 2009 wordt verminderd tot 75% van de nageheven omzetbelasting ad € 175 (zie 4.28), tot € 131, welk bedrag in de gegeven omstandigheden passend en geboden is. Voor een matiging van laatstgenoemd bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn ziet het Hof geen aanleiding, gelet op de hoogte van het boetebedrag (zie r.o. 5.7.3.7. in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298).


4.59.

Het antwoord op vraag VII is (deels) bevestigend.


Algemene beginselen van behoorlijk bestuur


4.60.

Voor zover belanghebbende een beroep heeft willen doen op schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur door de Inspecteur, wijst het Hof dit beroep af. Naar ‘s Hofs oordeel heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Belanghebbende heeft zijn stellingen daartoe onvoldoende gespecificeerd of onderbouwd.


VIII Werkelijke proceskosten


4.61.

Belanghebbende verzoekt het bedrag van de proceskostenvergoeding te stellen op dat van de werkelijk gemaakte proceskosten. Belanghebbende voert aan dat de Inspecteur stellingen ter zake van de bestreden aanslagen heeft ingenomen, die niet pleitbaar zijn en dat executoriaal beslag is gelegd op basis van ongemotiveerde, niet onherroepelijk vaststaande en buitensporig hoge aanslagen. Het Hof wijst dit verzoek af. Zo is het door de Inspecteur ingenomen standpunt over de binnenlandse belastingplichtig van belanghebbende door het Hof bevestigd en zijn de (navorderings)aanslagen IB/PVV, de naheffingsaanslag BTW 2009 en de boetebeschikkingen (deels) gehandhaafd, zodat geen sprake is dat de over deze beschikkingen door de Inspecteur ingenomen standpunten in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden. Over de proceskostenvergoeding verwijst het Hof naar het hierna vanaf 4.65 overwogene.


4.62.

Het antwoord op vraag VIII luidt ontkennend.


Slotsom


4.63.

Gelet op al het vorenstaande zijn de hoger beroepen van belanghebbende gegrond en de incidentele hoger beroepen van de Inspecteur gegrond. Het Hof zal de uitspraken van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de schadevergoeding, het griffierecht en de proceskosten, vernietigen, alsmede de uitspraken op bezwaar.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 en de naheffingsaanslag BTW 2009 en alle daarbij genomen beschikkingen zullen worden verminderd dan wel vernietigd als hierna vermeld. Verder zal de aanslag IB/PVV 2011 en de daarbij genomen beschikking heffingsrente worden gehandhaafd en de daarbij gegeven boetebeschikking worden verminderd.


Ten aanzien van het griffierecht


4.64.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van de hoger beroepen bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 250 te vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten


4.65.

Gelet op de omstandigheid dat de door belanghebbende ingestelde hoger beroepen gegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de door hem ingestelde hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.


4.66.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), vast op 3 (punten wegens proceshandelingen) x € 512 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang van de zaken) is € 3.456.


4.67.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.


5Beslissing


Het Hof:


  • - verklaart de hoger beroepen van belanghebbende en de incidentele hoger beroepen van de Inspecteur gegrond;
  • - vernietigt de uitspraken van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van de immateriële schade, het griffierecht en de proceskosten;
  • - verklaart de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond;
  • - vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 met het bedrag van de (maximum) premie volksverzekeringen van € 10.007 en tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.384, met een verrekening van het IB-deel van de gecombineerde heffingskorting en met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting in verband met een buitenlands inkomen van € 8.515, en vermindert de bij deze navorderingsaanslag genomen beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
  • - vernietigt de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 gegeven boetebeschikking;

  • - vermindert de naheffingsaanslag BTW 2009 tot een bedrag van € 175 en vermindert de bij deze naheffingsaanslag genomen beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
  • - vermindert de bij de naheffingsaanslag BTW 2009 gegeven boetebeschikking tot € 131;

  • - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een bedrag aan (enkel) inkomstenbelasting van € 53 en vermindert de daarbij genomen beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
  • - vernietigt de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 gegeven boetebeschikking;

  • - handhaaft de aanslag IB/PVV 2011 en de daarbij genomen beschikking heffingsrente;
  • - vermindert de bij de aanslag IB/PVV 2011 gegeven boetebeschikking tot een bedrag van € 21.959;

  • - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 met het bedrag van de (maximum) premie volksverzekeringen van € 10.415 en tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 144.652, met een verrekening van 1,85/33 x € 3.484 als het IB-deel van de gecombineerde heffingskorting en met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting in verband met een buitenlands inkomen van € 10.655, en vermindert de bij deze navorderingsaanslag genomen beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
  • - vernietigt de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 gegeven boetebeschikking;

  • - gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van de hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 250 vergoedt; en
  • - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 3.456.

Aldus gedaan op: 21 februari 2019 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M. Harthoorn, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.