Parket bij de Hoge Raad, 07-04-2017 / 16/04593


ECLI:NL:PHR:2017:286

Inhoudsindicatie
Huwelijksgoederenrecht. Verdeling van huwelijksgoederengemeenschap. Motiveringsklacht.
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2017-04-07
Publicatiedatum
2017-06-02
Zaaknummer
16/04593
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Conclusie

Zaaknr: 16/04593

mr. Hartlief

Zitting: 7 april 2017


Conclusie inzake:


[de vrouw]

(hierna: ‘de vrouw’)


tegen:


[de man]

(hierna: ‘de man’)



De onderhavige zaak betreft een geschil over verdeling van een algehele huwelijkse gemeenschap van goederen tussen een oud-profvoetballer en zijn voormalige echtgenote. De rechtbank heeft een verdeling van de diverse bezittingen vastgesteld en het hof heeft deze beschikking bekrachtigd. De kernvraag is thans nog of er op de peildatum meer buitenlandse banktegoeden waren die de man voor de vrouw verborgen houdt. De vrouw meent van wel, maar het hof heeft de vrouw niet geslaagd geacht in het bewijs van haar stelling. In het (omvangrijke) verzoekschrift tot cassatie en het aanvullend verzoekschrift tot cassatie wordt op procesrechtelijke gronden opgekomen tegen de gang van zaken ter zitting. Verder wordt betoogd dat de beschikking in het licht van de door de vrouw in hoger beroep betrokken stellingen onbegrijpelijk is.


1Feiten


1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.


1.2

De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn op 22 september 2000 in Glasgow gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.


1.3

In maart 2009 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. De vrouw heeft op 7 september 2009 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 15 juli 2010 heeft de rechtbank Alkmaar de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is op 9 november 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

1.4

De man was profvoetballer en heeft tijdens het huwelijk onder andere gespeeld bij de Schotse voetbalclub Glasgow Rangers en de Russische voetbalclub Zenit Sint Petersburg (hierna: ‘Zenit’). De man is thans opnieuw gehuwd en heeft met zijn huidige partner een minderjarige dochter.


2Het procesverloop


2.1

De onderhavige zaak betreft de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen tussen partijen. De zaak spitst zich thans in de kern toe op de vraag of de man buitenlandse banktegoeden voor de vrouw verborgen hield.


2.2

Het (zeer uitvoerige) procesverloop kan worden samengevat als volgt.


2.3

De vrouw heeft bij het verzoekschrift tot echtscheiding verzocht nevenvoor-zieningen als bedoeld in art. 827 Rv te treffen. Het gaat (voor zover nog van belang) om een verzoek tot verdeling van de gemeenschap van goederen.


2.4

In het verzoekschrift heeft de vrouw verzocht om verdeling van de gemeen-schap van goederen met benoeming van een notaris en onzijdig persoon. In het verweerschrift van 14 december 2009 heeft de man aangegeven akkoord te zijn met een veroordeling om over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoe-derengemeenschap onder benoeming van een notaris en onzijdige personen. De man heeft ook een zelfstandig hiertoe strekkend tegenverzoek ingediend.


2.5

In een brief van 10 februari 2010 aan de rechtbank heeft de advocaat van de man gesteld dat de vrouw het merendeel van het gezamenlijke banksaldo ad in totaal € 1.500.000,- heeft overgeheveld naar haar eigen bankrekening. De advocaat van de vrouw heeft nadien in een brief aan de rechtbank betoogd dat de man een bedrag van één miljoen pond sterling bij een bank in Glasgow heeft opgenomen en grote bedragen moet hebben ontvangen op bankrekeningen in Rusland, waarover hij geen inlichtingen heeft verschaft.


2.6

Bij beschikking van 15 juli 2010 heeft de rechtbank Alkmaar de echtscheiding uitgesproken en de behandeling van de zaak verder pro forma aangehouden tot (in eerste instantie) 11 november 2010, in afwachting van bericht van partijen over het resultaat van een mediation en de gewenste voortzetting van de procedure. Vervolgens is de zaak, op verzoek van beide partijen, voor langere tijd aangehouden. Blijkens een proces-verbaal van 18 december 2012 hebben partijen sinds de beschikking van 15 juli 2010 de rechtbank niet meer inhoudelijk over de zaak bericht. De zaak is pro forma aangehouden in afwachting van bericht van partijen over de vraag welke geschilpunten resteren en op welke wijze de procedure dient te worden voortgezet.


2.7

Partijen zijn er niet in geslaagd om door middel van mediation tot volledige overeenstemming te komen. Blijkens een brief van de vrouw is er (slechts) een partiële verdeling tot stand gekomen met betrekking tot appartementsrechten in Alkmaar en Amsterdam. Op 14 januari 2013 heeft de vrouw onder meer verzocht een datum te bepalen voor de mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling is voortgezet op 3 april 2013. De man is hierbij niet verschenen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is de zaak pro forma aangehouden tot 25 juni 2013, in afwachting van berichten van partijen omtrent het resultaat van hun overleg, alsmede omtrent de wijze van voortzetting van de procedure. De vrouw heeft op 7 juni 2013 een kopie overgelegd van een betekende kort geding-dagvaarding. Zij vordert in dit kort geding (verkort weergegeven) veroordeling van de man tot het verstrekken van een overzicht van alle spaarrekeningen die hij gedurende de huwelijkse periode heeft aangehouden en tot het verstrekken van een overzicht van zijn inkomsten bij Zenit, een en ander op straffe van een dwangsom. Uit de stukken blijkt niet of dit kort geding is voortgezet en hoe de uitspraak luidt.


2.8

Uit een proces-verbaal van 25 juni 2013 blijkt dat de zaak pro forma is aangehouden tot 26 augustus 2013. Bij proces-verbaal van 26 augustus 2013 is de zaak pro forma aangehouden tot 10 oktober 2013. In een proces-verbaal van 10 oktober 2013 heeft de rechter geconstateerd dat partijen de rechtbank niet hebben geïnformeerd over de stand van zaken, anders dan dat wordt gemeld dat partijen nog in de onderzoeks- en overlegfase zijn. De rechtbank ziet, zo volgt uit dat proces-verbaal, aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen en het verzoek om aanhouding af te wijzen. De zaak is aangehouden tot een nader te bepalen datum en tijdstip in het eerste kwartaal van 2014 met bevel tot oproeping van partijen en hun advocaten.


2.9

Op 20 december 2013 heeft de man verzocht dat de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vaststelt. De man heeft primair gevraagd te verdelen conform het primair gestelde en de vrouw te veroordelen om € 663.792,03 aan hem te betalen, en subsidiair conform het subsidiair gestelde en de vrouw te veroordelen om € 263.792,03 aan hem te betalen, in alle gevallen vermeerderd met de wettelijke rente. Verder heeft de man verzocht om toebedeling van zijn persoonlijke zaken zoals aanwezig in de woning van de vrouw. Op 24 december 2013 heeft de rechtbank het door de man ingevulde formulier ‘verdelen en verrekenen’ ontvangen.


2.10

De man heeft op 23 december 2013 nadere producties overgelegd, waaronder een brief van de beheerder van de Employee Benefit Trust (hierna: ‘EBT’).


2.11

De vrouw heeft op 23 december 2013 eveneens verzocht dat de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vaststelt. Bij beschikking van 22 januari 2014 heeft de rechtbank de vrouw een laatste termijn van vier weken gegeven voor het indienen van het formulier ‘verdelen en verrekenen’. Verder heeft de rechtbank de man in overweging gegeven de vrouw te informeren over de status van zijn bankrekeningen. Op 17 februari 2014 heeft de vrouw het formulier ‘verdelen en verrekenen’ ingediend.


2.12

Op 17 juli 2014, 15 augustus 2014 en 16 september 2014 heeft de vrouw stukken in het geding gebracht met betrekking tot een kort geding-procedure die door haar bij dagvaarding van 9 mei 2014 is gestart. Uit de overgelegde stukken blijkt – verkort weergegeven – het volgende over dit kort geding:


- de vrouw vordert veroordeling van de man tot het verstrekken van bankafschriften van de Gazprombank en de St. Peterburgbank over de jaren 2006 tot en met 2009 en afschriften van de bankrekening(en) waarop Zenit het maandsalaris en de premies heeft overgeboekt in de periode van maart 2009 tot en met augustus 2009, op straffe van een dwangsom;

- de man vordert in reconventie de vrouw te veroordelen (1) tot het overleggen van alle bankafschriften van de door de vrouw aangehouden rekening bij de Rabobank over de periode van 1 maart 2009 tot 1 december 2011, (2) tot het overleggen van alle bankafschriften van de door partijen gezamenlijk aangehouden Spaanse rekening over de periode van 1 maart 2009 tot 1 december 2011 en (3) tot het overleggen van een afschrift van de huurovereenkomst met betrekking tot de gezamenlijke Spaanse woning en veroordeling van de vrouw om deze overeenkomst op de kortst mogelijke termijn op te zeggen, op straffe van een dwangsom;

- de advocaat van de man heeft op 11 augustus 2014 ten behoeve van een zitting een productie getiteld ‘overzicht onttrekkingen door de vrouw’ overgelegd. Daarin wordt gesteld dat de vrouw bedragen zou hebben doorgestort naar een door haar geopende bankrekening bij ABN Amro;

- blijkens het proces-verbaal van de zitting van 19 mei 2014 hebben partijen verklaard bereid te zijn elkaar tegemoet te komen door elkaar over en weer uiterlijk op 1 juli 2014 aldaar vermelde bankafschriften te verschaffen;

- bij vonnis van 15 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat wordt beslist overeenkomstig hetgeen partijen (nader) hebben afgesproken. Deze afspraken komen hierop neer dat de man per omgaande instructie geeft aan de Gazprombank en de Citibank om een sluitend mutatieoverzicht te verstrekken van alle bankrekeningen en dat de vrouw een mutatieoverzicht zal verschaffen van haar rekening bij ABN Amro eindigend op 228 en verklaart dat zij geen andere rekeningen bij de Rabobank heeft aangehouden dan de door haar gestelde rekening;

- bij vonnis van 12 september 2014 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de vrouw een dwangsom aan de veroordeling van de man verbonden, met dien verstande dat de vrouw pas rechten aan dat vonnis kan ontlenen wanneer zij aan haar eigen verplichtingen heeft voldaan.


2.13

In de onderhavige verdelingsprocedure heeft de vrouw op 7 augustus 2014 een aanvullend verzoekschrift ingediend inhoudende dat zij de rechtbank primair verzoekt de man te veroordelen te betaling aan de vrouw van het haar toekomende saldo uit de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen, bestaande uit € 3.900.000,-, € 675.000,- (strafbepaling art. 3:194 lid 2 BW) en € 92.000,- (strafbepaling art. 3:194 lid 2 BW), waarop in mindering strekt de reeds verkregen vooropname van € 1.300.000,- alsmede (de waarde van) het onverdeelde aandeel van de man in het pand in Spanje, aan de vrouw toe te scheiden tegen verrekening van de helft van de overwaarde hiervan met eerstbedoelde, onder het leggen van een last op de man om op eerste schriftelijk verzoek zijn stipte medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële acte (escritura) ten overstaan van een notaris ter plaatse binnen één maand na betekening van de beslissing op straffe van een dwangsom. Subsidiair verzoekt de vrouw het aan haar toekomende bedrag schattenderwijs vast te stellen. De vrouw heeft daartoe gesteld dat ‘de man iedere financiële openheid en transparantie blokkeert en daarbij misleiding middels stukken niet schuwt.’ Verder heeft de vrouw drie incidentele verzoeken gedaan die ertoe strekken de man op de voet van art. 223 Rv te veroordelen om een voorschotbedrag van € 1.000.000,00 te voldoen en de man op straffe van een dwangsom te verplichten mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van de woning in Spanje bij de notaris.


2.14

De vrouw heeft ter onderbouwing van het primair verzochte onder meer verwezen naar een door haar overgelegde reconstructie van mr. E. Hoekstra aangaande de (geschatte) inkomsten, uitgaven en banksaldi van de man.


2.15

De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 21 augustus 2014. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de man instemt met een verdeling bij helft van de opgebouwde waarde in zijn (pensioen-)verzekering bij CFK. Uit dit proces-verbaal blijkt verder dat de behandeling van de zaak pro forma is aangehouden tot 20 oktober 2014 teneinde:


- de man in de gelegenheid te stellen om een compleet en volledig overzicht van de bankrekeningen en saldi bij Citibank in het geding te brengen;

- de vrouw in de gelegenheid te stellen om een compleet en volledig overzicht van de saldi van alle bankrekeningen die op 9 november 2010 in de huwelijksgemeenschap aanwezig waren, met de betreffende bankafschriften per die datum, alsook van de op dat moment aanwezige contanten in het geding te brengen;

- de vrouw in de gelegenheid te stellen om een overzicht van de door haar ontvangen en nog te ontvangen huurbedragen van de woning in Spanje in het geding te brengen;

- de man in de gelegenheid te stellen om aan de vrouw volmacht te verlenen voor het opvragen van de door haar gewenste informatie met betrekking tot de polis van de man bij Zwitserleven, met betrekking tot de aan de man toekomende vermogenswaarde in het EBT-fonds en met betrekking tot de door de man bij Zenit Sint Petersburg ontvangen bonussen;

- partijen in de gelegenheid te stellen om elkaar een de gevolmachtigde conveniërende volmacht te verstrekken voor de inzage in de bankafschriften van alle bestaande bankrekeningen van partijen.


2.16

Bij proces-verbaal van 26 augustus 2014 heeft de rechtbank bepaald dat de man, uiterlijk op 4 september 2014, aan de vrouw een haar conveniërende volmacht dient te verlenen voor het opvragen van de deed en de afrekening ter zake van de verkoop van de woning in Glasgow bij de betrokken notaris.


2.17

Bij brief van 1 september 2014 heeft de advocaat van de man bericht dat de man verklaart dat hij eerder een compleet overzicht heeft gegeven van zijn bankrekeningen bij de Citibank in Rusland, en dat hij in combinatie met het Gazpromoverzicht, zijn Russische vermogen op de peildatum correct en compleet heeft opgegeven. Hij heeft op 17 september 2014 overgelegd (a) een originele verklaring van Zenit met specificatie van de betalingen en bonussen in 2007 en 2008, (b) originele bankafschriften van Gazprom over 2006-2009, (c) originele bankafschriften van Citibank over 2006-2014 en (d) een e-mail van het trustfund inzake het saldo.


2.18

Bij fax van 5 september 2014 heeft de advocaat van de vrouw bericht dat de man volledig in gebreke is met het nakomen van de in het proces-verbaal vermelde afspraken. De vrouw ziet zich daarom genoodzaakt de rechtbank in overweging te geven om op de kortst mogelijke termijn een eindbeschikking af te geven, waarbij mede aan de hand van een reconstructie van de vrouw tot een definitieve verdeling zal worden besloten. Subsidiair verzoekt de vrouw om ten minste het eerder door haar gevorderde voorschot en de overige incidentele vorderingen toe te wijzen. Meer subsidiair refereert de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Bij brief van 16 september 2014 heeft de advocaat van de vrouw het overzicht van haar banksaldi op 9 november 2010 en de stukken met betrekking tot de verhuur van de woning in Spanje overgelegd.


2.19

Op 22 september 2014 heeft de advocaat van de vrouw, in aanvulling op het faxbericht van 5 september 2014, gesteld dat de man met de bij brief van 17 september 2014 ingediende stukken geen overzicht heeft verstrekt van de op 9 november 2010 bij Citibank aanwezige rekeningen en saldi en dat hij weigert de door de vrouw opgestelde volmachten te ondertekenen. Volgens de vrouw heeft zij er weet van dat de man ten minste nog één door de man niet genoemde bankrekening bij Gazprombank heeft gehad, omdat dit rekeningnummer zichtbaar is als tegenrekening op één van de overgelegde afschriften van ABN Amro. Tot slot heeft zij gesteld dat uit de verklaring van Zenit blijkt dat de bonussen hoger waren dan door de man gesteld en dat de vraag rijst op welke rekeningen deze bedragen zijn ontvangen. De vrouw persisteert bij haar verzoeken uit de brief van 5 september 2014.


2.20

Blijkens een proces-verbaal van 23 september 2014 heeft de rechtbank aanleiding gezien de man in de gelegenheid te stellen te reageren op:


- de stelling van de vrouw dat de man weigert om de door haar opgestelde volmachten te ondertekenen, met in stand lating van de integrale tekst;

- de constatering door de rechtbank dat zij thans niet kan vaststellen welke vermogensbestanddelen er op de peildatum 9 november 2010 in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen aanwezig waren, en de consequenties die daaraan volgens de vrouw verbonden dienen te worden;

- de stelling van de vrouw dat de man ten minste nog één andere rekening heeft gehad bij Gazprombank.


De rechtbank heeft erop gewezen dat een beschikking kan worden gewezen waarbij gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden ex art. 21 en 22 Rv.


2.21

Bij brief van 29 september 2014 heeft de advocaat van de man gereageerd op de genoemde punten. Op 8 oktober 2014 heeft de man een verklaring van de Citibank en een nieuwe verklaring van de Gazprombank overgelegd; van dat laatste stuk is op 15 oktober 2014 een vertaling in het geding gebracht. Bij fax van 11 oktober 2014 heeft de advocaat van de vrouw gereageerd op het standpunt in de brief van 29 september 2014 en de bijgevoegde producties.


2.22

Bij tussenbeschikking van 5 november 2014 heeft de rechtbank:


- de incidentele verzoeken van de vrouw ex art. 223 Rv afgewezen (rov. 4.2);

- bepaald dat partijen zich uiterlijk op 3 december 2014 moeten uitlaten over de toedeling en taxatiewaarde van de woning in Spanje (rov. 4.6 en 5.2);

- bepaald dat de man uiterlijk op 3 december 2014 nadere informatie dient te verstrekken over de status en inhoud van de door hem overgelegde verklaring met specificaties van Zenit, in ieder geval aan de hand van een beëdigde vertaling van deze stukken (rov. 4.7 en 5.3);

- de beslissing ter zake van de verdeling van de huwelijks-goederengemeenschap aangehouden tot 3 december 2014 (rov. 5.4).


2.23

Bij faxbericht van 10 november 2014 heeft de vrouw zich uitgelaten over de toedeling en de taxatiewaarde van de woning in Spanje. Bij brief van 30 november 2014 heeft de man zich eveneens uitgelaten over de toedeling en taxatiewaarde van de woning in Spanje en de verzochte beëdigde vertaling van de verklaring van Zenit bijgevoegd. Bij fax van 2 december 2014 heeft de man een aanvullende verklaring van Zenit met beëdigde vertaling overgelegd.


2.24

Op 29 januari 2015 heeft de vrouw een vonnis in kort geding van 27 januari 2015 overgelegd. Blijkens de uitspraak gaat het om een door de man op 24 november 2014 geëntameerd kort geding waarbij hij heeft gevorderd (i) primair de vrouw te verbieden het vonnis in kort geding van 12 september 2014 verder te executeren, (ii) subsidiair de dwangsom op te schorten en de dwangsom vervolgens op te heffen wanneer de man binnen vier weken notaris Vasilievich opdracht heeft gegeven en in de gelegenheid heeft gesteld om alle bankrekeningen en de bijbehorende aanbiedingsbrief conform de vonnissen van 15 augustus 2014 en 12 september 2014 overhandigd te krijgen en deze door te sturen aan de advocaat van de vrouw. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd, kort gezegd omdat het ervoor moet worden gehouden dat de man de gemaakte afspraken niet is nagekomen.


2.25

Op 18 maart 2015 heeft de rechtbank einduitspraak gedaan. Deze beschikking kan (samengevat en voor zover van belang) worden weergegeven als volgt.


2.26

In rov. 3.4 van deze beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de reconstructie van mr. Hoekstra onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het vaststellen van een hoger te verdelen banksaldo en dat deze reconstructie reeds op die grond buiten beschouwing wordt gelaten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij thans over voldoende (andere) informatie beschikt om op grond van het wettelijk uitgangspunt tot een (wijze van) verdeling te komen. De rechtbank laat daarom in het midden of de reconstructie reeds dient te worden gepasseerd, omdat mr. Hoekstra de levenspartner van de vrouw is.


2.27

In rov. 3.6 van deze beschikking heeft de rechtbank overwogen dat thans (dat wil zeggen ten tijde van het wijzen van de beschikking op 18 maart 2015) niet kan worden vastgesteld dat er meer (bank-)tegoeden te verdelen zijn dan door de man – en de vrouw – zijn opgegeven, dat de man (en ook de vrouw) in het kader van de onderhavige verdelingsprocedure voldoende opgave heeft (hebben) gedaan om tot een concrete (wijze van) verdeling te komen en dat er (thans) daarom geen grond bestaat voor toepassing van art. 3:194 lid 2 BW.


2.28

In de beschikking is – onder afwijzing van het meerdere – als volgt beslist.


De rechtbank:

- verstaat dat partijen het erover eens zijn dat de inboedel van de woning in Spanje aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de inboedel van de woning in Glasgow, voor zover aanwezig, aan de man wordt toegedeeld;

- verstaat dat partijen het erover eens zijn dat de VW Touareg aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de BMW M3 en de Mercedes met kenteken 63-SP-JX aan de man worden toegedeeld, zonder nadere verrekening;

- bepaalt dat de polis bij Zwitserleven wordt toegedeeld aan de man, waarbij de man de helft van de opgebouwde waarde aan de vrouw moet voldoen;

- verstaat dat partijen het erover eens zijn dat de splitsing (50%-50%) zoals vermeld in de brief van CFK van 1 juli 2013 in stand zal worden gelaten, nu dit aansluit bij het CFK-reglement;

- bepaalt dat partijen bij helfte gerechtigd zijn tot de in het trustfonds EBT aanwezige waarde, waarbij de man aan de vrouw de helft dient te voldoen van de netto waarde die aanwezig is in het trustfonds;

- bepaalt dat de vordering uit hoofde van verschuldigde huur van de woning in Spanje van partijen aan de vrouw wordt toegedeeld onder de verplichting van de vrouw om de helft van hetgeen de vrouw netto uitwint aan de man te voldoen. De vrouw dient uit hoofde van reeds geïncasseerde huurpenningen aan de man te voldoen € 1.131,06;

- bepaalt dat de vrouw gehouden is de helft van de aanwezige contanten in haar kluis bij de Rabobank, te weten € 90.000,00, aan de man te voldoen;

- bepaalt dat de woning in Spanje dient te worden verkocht aan een derde, waarna de netto opbrengst bij helfte tussen partijen wordt gedeeld.


2.29

In het dictum van de beschikking van 18 maart 2015 is de vrouw tot slot veroordeeld om uit hoofde van overbedeling betreffende de banksaldi een bedrag van € 369.489,16 aan de man te voldoen en is bepaald dat de saldi van de gezamenlijke bankrekeningen (zijnde de en/of-rekeningen die in de beschikking onder X zijn beschreven) bij helfte dienen te worden gedeeld.


2.30

De vrouw is op 16 april 2015 in hoger beroep gekomen tegen deze eindbeschikking van 18 maart 2015. Zij verzoekt in haar appelrekest vernietiging van de bestreden beschikking alsmede de tussenbeschikking van 5 november 2014 en, opnieuw rechtdoende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:


PRIMAIR


De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen welke door scheiding is ontbonden vast te stellen als volgt per peildatum 9 november 2010, subsidiair als peildatum aan te houden waar het betreft de verdeling van de zichtbare contanten (sub 10) en banksaldi (sub 11) 1 januari 2010 respectievelijk de datum van verdeling c.q. de eindbeschikking:


Te verdelen actief


1. Overwaarde woning Glasgow

2. Inboedel Amsterdam, Glasgow, Spanje

3. Huis Spanje

4. Kosten Spanje

5. Auto’s

6. Polis Zwitserleven

7. CFK

8. EBT

9. Woningen Amsterdam, Heerlen en Alkmaar en de zich daarin bevindende inboedel

10. Contanten

11. ‘Zichtbare’ banksaldi

12. ‘Onzichtbare’ contanten en banksaldi

13. Eenmanszaak en de zakelijke rekeningen van de man


Ad 1.

Bij helfte toe te delen aan partijen, onder de gehoudenheid van de man om het aandeel van de vrouw aan haar uit te keren.


Ad 2.

Amsterdam en Glasgow toe te delen aan de man, onder zijn gehoudenheid om de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, deze waarde zijnde € 50.000, daardoor een bedrag ad € 25.000 aan de vrouw.


Spanje toe te delen aan de vrouw (indien deze woning aan de vrouw zal worden toebedeeld), onder haar gehoudenheid om de helft van de waarde aan de man te vergoeden, deze waarde zijnde nihil. Indien de woning verkocht wordt, dan zal de inboedel wat de vrouw betreft onverdeeld kunnen blijven en ‘mee verkocht’ kunnen worden waarbij de opbrengst samen met de opbrengst van de woning tussen partijen zal worden verdeeld.


Ad 3.

Primair: Toe te bedelen aan de vrouw indien de waarde van het aan de man uit te keren onverdeeld aandeel in de woning lager zal zijn dan hetgeen de man uit hoofde van de verdere verdeling nog aan de vrouw verschuldigd is (zodat de vrouw zich zal kunnen beroepen op verrekening en zij dienaangaande geen daadwerkelijke liquiditeit verschuldigd zal zijn). Zulks onder het leggen van een last op de man om op eerste schriftelijk verzoek van de vrouw zijn stipte medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële acte (escritura) ten overstaan van een notaris ter plaatse binnen één maand na betekening van de ten deze te geven beslissing op straffe van een dwangsom van € 15.000 voor iedere dag dan wel dagdeel welke de man na één maand na betekening met de nakoming hiervan in gebreke blijft welke dwangsom niet te maximeren.


Subsidiair: partijen te gelasten de woning te verkopen waarbij de opbrengst bij helft tussen partijen verdeeld zal worden.


Ad 4.

De man te veroordelen tot betaling van de helft van de door de vrouw gemaakte en betaalde kosten aan de woning in Spanje vanaf 9 november 2010 tot aan het moment van verdeling van de woning c.q. de gezamenlijke eigendomsoverdracht aan een derde.


Ad 5.

Aan de man toe te delen de BMW M3 en de Mercedes. Aan de vrouw toe te bedelen de VW Touareg, zulks onder de gehoudenheid van de man om de vrouw aan overbedeling te betalen een bedrag ad € 10.000.


Ad 6.

Aan de man toe te delen de polis bij Zwitserleven, onder zijn gehoudenheid om de vrouw de helft te vergoeden van de netto opgebouwde waarde per de datum verdeling (dan wel, voor zover de polis enige waarde had op de peildatum en deze inmiddels doch na de peildatum is opgeheven, de helft van de waarde per de datum waarop de verzekering is opgeheven) waarbij de man de eventuele fiscale gevolgen voor de vrouw voor zijn rekening dient te nemen.


Ad 7.

Het CFK pensioen te verdelen en te splitsen (50-50%), overeenkomstig zoals vermeld in de brief van CFK van 1 juli 2013.


Ad 8.

Aan de man toe te delen (de waarde van) het EBT fund, onder zijn gehoudenheid om de vrouw de helft te vergoeden van de netto opgebouwde waarde per de datum verdeling (dan wel, voor zover het fund enige waarde had op de peildatum en deze inmiddels doch na de peildatum is opgeheven, de helft van de waarde per de datum waarop het fund is opgeheven), waarbij de man de eventuele fiscale gevolgen voor de vrouw voor zijn rekening dient te nemen.


Ad 9.

Deze woningen en de zich daarin bevindende inboedel zijn inmiddels zonder nadere verrekening partieel verdeeld.


Ad 10.

Primair: de door de vrouw gehouden contanten op de peildatum zonder nadere verrekening door haar te doen laten behouden vanwege het feit dat de man daarmee heeft ingestemd. Subsidiair de door partijen over en weer gehouden contanten op de peildatum bij helft te verdelen, en daarbij tevens acht te slaan op het feit (en dit te verdisconteren in c.q. mee te wegen bij deze verdeling) dat de man in de periode april 2009 tot en met 1 januari 2010 een bedrag ad € 1.250.000 aan inkomen en vermogen heeft ontvangen.


Ad 11.

Primair: de door de vrouw gehouden banksaldi op de peildatum zonder nadere verrekening door haar te doen laten behouden vanwege het feit dat de man daarmee heeft ingestemd. Subsidiair de banksaldi op de door partijen over en weer gehouden zichtbare bankrekeningen op de peildatum bij helft te verdelen, en daarbij tevens acht te slaan op het feit (en dit te verdisconteren in- c.q. mee te wegen bij deze verdeling) dat de man in de periode april 2009 tot en met 1 januari 2010 een bedrag ad € 1.250.000 aan inkomen en vermogen heeft ontvangen.


Ad 12.

De door de man behouden onzichtbare contanten, banksaldi op de door de man gehouden onzichtbare bankrekeningen en overig onzichtbaar vermogen (het onzichtbaar actief) op de peildatum aan de vrouw te doen verbeuren althans subsidiair bij helft te verdelen, primair op basis van schatting aan de hand van de door de vrouw ingebrachte reconstructie dan wel subsidiair aan de hand van een door uw gerechtshof zelf vast te stellen schatting.


Ad 13.

De eenmanszaak aan de man toe te scheiden onder verbeurte van de waarde van de eenmanszaak aan de vrouw, zijnde een bedrag ad € 225.000, althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag, althans subsidiair bij helft te verdelen.


Ultimo de man bij dit alles te veroordelen om aan de vrouw te voldoen het aan haar toekomend eindsaldo uit hoofde van de hiervoor onder 1 sub 1 tot en met 13 beschreven verdeling (overbedeling) van de ontbonden gemeenschap van goederen, dit bedrag te vermeerderen met de navolgende bedragen (ex artikel 3:194 lid 2 BW):


- € 675.000 verzwegen salaris (strafbepaling).

- € 92.000 verzwegen ontbindingsvergoeding (strafbepaling).

- te vermeerderen en aan te vullen met de nog nader vast te stellen bedragen in het kader van de bonussen, welke primair $ 1.000.000 en $ 1.000.000 hebben bedragen, subsidiair $ 420.000, $ 397.500 en € 35.000.

- alle verzwegen banktegoeden bij Gazprombank.

- alle verzwegen banktegoeden bij Citibank.


één en ander zoals omschreven in het lichaam van dit beroepschrift en hierboven in dit petitum, en daarbij te bepalen dat de man zijn aanspraken op die vermogensbestanddelen heeft verbeurd en dat die vermogensbestanddelen dus volledig dienen te worden toebedeeld aan de vrouw zonder nadere verrekening.


SUBSIDIAIR


De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen welke door scheiding is ontbonden naar redelijkheid en billijkheid, met inachtneming van de opmerkingen die de vrouw in dit beroepschrift naar voren heeft gebracht, en al dan niet op basis van schatting aan de hand van de door de vrouw ingebrachte reconstructie dan wel subsidiair aan de hand van een door uw gerechtshof zelf vast te stellen schatting.


PRIMAIR EN SUBSIDIAIR


Incidentele vorderingen

A. Voorts bij beschikking in incident op grond van het bepaalde in artikel 843a Rv en artikel 22 Rv de man te bevelen om de onderstaande vragen te beantwoorden, al dan niet aangevuld met nader door het gerechtshof ambtshalve op te werpen vragen, met onderbouwing van de stukken en bescheiden die aan deze beantwoording dienstbaar zijn (niet limitatief):


I. Wat is er met het overgespaard actief aan het eind van de periode Schotland gebeurd?

II. Kunt u inzicht geven in de totale geldstromen die door het EBT trustfund zijn gegaan en gekomen (ontvangen bedragen en bedragen uitgegaan) vanaf het moment van oprichting van het fund, waaronder het extra netto inkomen ad £ 684.225.

III. De vrouw heeft bij reconstructie een groot aantal geldstromen/betalingen inzichtelijk gemaakt gedurende de periode ‘Schotland’ (in totaal circa € 3.300.000), waarbij grote geldbedragen telkens naar onbekende coderekeningen zijn gestort. Welke rekeningen betreft dat? Stonden deze (mede) op uw naam? Wat is er vervolgens met deze bedragen gebeurd en wat is het verdere verloop geweest?

IV. Kunt u een nadere toelichting geven op de stelling van de vrouw omtrent de euro- en dollarrekening bij Gazprom?

V. Kunt u een nadere toelichting geven op de stelling van de vrouw met betrekking tot de ‘4260’ rekening?

VI. Kunt u een nadere onderbouwing geven op uw stelling dat al het geld van partijen is opgemaakt?

VII. Kunt u een sluitend overzicht van bankafschriften van de Gazprombank verstrekken over de periode 2006 - 2010, opgesteld in de Engelse taal en met tegenrekeningen zichtbaar?

VIII. Kunt [u] de fiscale aangiftes overleggen over de periode 2006-2010?

IX. Kunt u aangeven wat er met de afkoopsom ad € 92.000 is gebeurd, die u in augustus 2009 heeft ontvangen. Op welke rekening is deze door u ontvangen en wat is het verdere verloop geweest?

X. Kunt u onderbouwd aangegeven of u in de periode Schotland en/of Rusland aanvullende inkomsten heeft ontvangen (en zo ja, waar is dat ontvangen en wat is het verdere verloop geweest) uit hoofde van:

• Tekenbonussen.

• Reclamedeals.

• Loyaliteitsbonussen.

• Doorverkoopvergoedingen,


Opmerking: Het gerechtshof wordt daarbij verzocht om uit de antwoorden op deze vragen bij eindbeschikking in beroep de gevolgtrekkingen met betrekking tot de te gelasten verdeling te maken die zij zich geraden acht.


B. Voorts bij beschikking in incident op grond van het bepaalde in artikel 361 lid 2 Rv te bevelen, uitvoerbaar bij voorraad, tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking d.d. 18 maart 2015 met zaak-/rekestnummer C/14/113458/ES RK 09-954 en C/14/151683/ES RK 14/144, door de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar), tussen de vrouw (appellante) en de man (geïntimeerde), gewezen, althans bij beschikking in het incident, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van de beschikking d.d. 18 maart 2015 met zaak-/rekestnummer C/14/113458/ES RK 09-954 en C/14/151683/ES RK 14/1 44 door de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar), tussen de vrouw (appellante) en de man (geïntimeerde) gewezen, te schorsen.


A en B. Met veroordeling van de man in de kosten van het incident, daaronder begrepen alle kosten welke op de tenuitvoerlegging vallen.”


2.31

Op 18 mei 2015 heeft de vrouw het hof verzocht te bevelen dat ten behoeve van de onderhavige procedure een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden. Zij heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij haar verzoek, omdat de man aan de progressief verlopende ziekte ALS lijdt. Bij beschikking van 6 oktober 2015 is het verzoek van de vrouw toegewezen en is een raadsheer-commissaris benoemd. Deze raadsheer-commissaris heeft op 21 januari 2016, 16 februari 2016, 26 februari 2016 en 8 april 2016 in totaal zeven getuigen gehoord, onder wie partijen en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Het hof heeft bij brieven van 1 maart 2016 het verzoek van de advocaat van de vrouw toegewezen om in de hoofdzaak pas uitspraak te doen na afronding van het voorlopig getuigenverhoor. De processen-verbaal van voorlopig getuigenverhoor maken door de beslissing van het hof van 1 maart 2016 deel uit van het procesdossier in de hoofdzaak.


2.32

De man heeft op 29 juni 2015 een verweerschrift ingediend. Hij heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. Bij beschikking van 1 december 2015 heeft het hof bepaald dat dit verweerschrift niet bij de onderhavige beslissing wordt betrokken, omdat de man het in deze zaak verschuldigde griffierecht niet volledig tijdig heeft betaald.


2.33

De vrouw heeft op 10 november 2015 een nadere toelichting in appel tevens akte precisering en deels uitbreiding c.q. vermeerdering van eis ingediend. Het hof heeft deze toelichting geweigerd op grond van de twee-conclusie-regel.


2.34

Op 14 januari 2016 is de zaak ter terechtzitting behandeld. De advocaat van de vrouw heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van pleitnotities. De advocaat van de man heeft zijn standpunt toegelicht met behulp van het verweerschrift dat eerder niet was toegelaten, omdat de man het griffierecht niet tijdig heeft betaald. De advocaat van de vrouw heeft haar standpunt vervolgens mogen toelichten onder gebruikmaking van het nagezonden schriftelijke stuk dat eerder was geweigerd op grond van de twee-conclusie-regel. Hierbij is de restrictie aangebracht dat het stuk buiten beschouwing blijft voor zover het stuk een uitbreiding c.q. vermeerdering van de eis inhoudt.


2.35

De vrouw heeft op 3 februari 2016, dus na de mondelinge behandeling in het hoger beroep, ter griffie van het hof een boek gedeponeerd getiteld ‘ [… ] ’, geschreven door [...]. De advocaat van de vrouw heeft voor het getuigenverhoor op 16 februari 2016 uiteengezet dat hij tot depot is overgegaan om gemakkelijker naar de inhoud van het boek te kunnen verwijzen. Voor zover de inhoud van het boek onderwerp is geweest van het voorlopig getuigen-verhoor, maakt de inhoud onderdeel uit van het dossier in de hoofdzaak.


2.36

Bij beschikking van 14 juni 2016 heeft het hof Amsterdam de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en de vordering ex art. 843a Rv juncto art. 22 Rv afgewezen. Deze uitspraak kan als volgt worden samengevat.


2.37

Rov. 1. behelst een weergave van het geding in hoger beroep. Rov. 2. bevat een beknopte samenvatting van de feiten. In rov. 3.1.-3.3. heeft het hof het dictum van de rechtbank en het petitum van het appelrekest van de vrouw weergegeven en vastgesteld dat de man bekrachtiging van de bestreden beschikking verzoekt. Rov. 4.1. bevat een samenvatting van de inzet van de zaak. In rov. 4.2. is de gang van zaken rond het getuigenverhoor weergegeven.


2.38

In rov. 4.3.-4.5. heeft het hof gemotiveerd op welke gronden is toegestaan het geweigerde verweerschrift van de man en de geweigerde nadere toelichting van de vrouw (grotendeels) bij de mondelinge behandeling voor te dragen en waarom hierbij de restrictie is gehanteerd dat een uitbreiding c.q. vermeerdering van eis buiten beschouwing blijft. Het hof overweegt:


“4.3 Bij beschikking van 1 december 2015 heeft dit hof bepaald dat het door de man in deze zaak op 29 juni 2015 ingediende verweerschrift niet bij de onderhavige beslissing wordt betrokken omdat de man het in deze zaak verschuldigde griffierecht niet volledig tijdig heeft betaald. De man is ter zitting van het hof in de gelegenheid gesteld mondeling verweer te voeren tegen het gestelde in het appelschrift. Namens de man is het oorspronkelijk verweerschrift, dat is omgedoopt tot pleitnota, deels voorgelezen. Het bezwaar van de vrouw daartegen is verworpen. Gelet op de omvang van het appelschrift en het belang van de zaak, kon - naar het hof partijen ter zitting heeft meegedeeld - van (de advocaat van) de man niet verwacht worden dat hij in slechts tien minuten het standpunt van de man aan het hof kenbaar maakte.


4.4.

De behandeling van de zaak, die omstreeks 10.00 uur is aangevangen, was om 12.30 uur nog niet afgerond- Het hof heeft op laatstgenoemd tijdstip de behandeling van de zaak onderbroken voor de lunch. Om 13.30 uur heeft het hof de behandeling van de zaak hervat buiten aanwezigheid van de man, die vanwege zijn gezondheidsproblemen de verdere behandeling niet meer kon bijwonen.


4.5.

De vrouw heeft op 10 november 2015 een nadere toelichting in appel, tevens akte overlegging aanvullende producties, tevens akte precisering en deels uitbreiding c.q. vermeerdering van eis, tevens akte aanvulling incidentele vordering ex artikel 843a juncto 22 Rv ingediend. Aan dit stuk waren producties gehecht. Bij de aanvang van de zaak heeft het hof deze nadere toelichting aan de vrouw teruggegeven onder verwijzing naar de (in beginsel strakke) twee-conclusieregel en de ook in verzoekschriftprocedures geldende rechtspraak van de Hoge Raad die bepaalt dat de aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis, in hoger beroep beperkt is in die zin dat hij in beginsel de eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven (of memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep). Het hof heeft de uitzonderingen op deze regel in de onderhavige zaak niet van toepassing geacht. Na hervatting van de zitting heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen het feit dat de man door het hof in de gelegenheid is gesteld zijn geweigerde verweerschrift deels voor te lezen terwijl haar nadere toelichting buiten beschouwing is gelaten. Het hof heeft vervolgens de vrouw in staat gesteld de nadere toelichting om te dopen tot nadere pleitnota, waarbij wel de restrictie is aangebracht dat voor zover dit stuk een uitbreiding c.q. vermeerdering van eis inhield, dit - gelet op het voorgaande - buiten beschouwing zou blijven. De advocaat van de vrouw heeft de nadere pleitnota daarop deels voorgedragen. De niet voorgedragen gedeelten zijn door het hof in de pleitnota weggestreept. Zowel de pleitnota van de man als de aanvankelijk overgelegde pleitnota van de vrouw en haar nadere pleitnota, waarin het hof de gedeelten heeft weggestreept die door de advocaat van de vrouw ter zitting niet zijn voorgelezen, maken deel uit van het procesdossier.”


2.39

In rov. 4.7. is het beroep op de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW verworpen. Het hof heeft daartoe verwezen naar een uitspraak van Uw Raad van 4 december 2015 waarin is bepaald dat pas een beroep op die sanctie kan worden gedaan, nadat verdeling heeft plaatsgevonden.


2.40

Rov. 4.8. heeft betrekking op de peildatum die voor de vaststelling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden gehanteerd. Naar het oordeel van het hof dient de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, 9 november 2010, als peildatum te worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe:


“4.8. Uitgangspunt is dat partijen die in gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap en dat deze bij helfte dient te worden verdeeld. Bij de vaststelling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap heeft in deze zaak als peildatum 9 november 2010 te gelden, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Deze datum gold als peildatum in het recht zoals dat vóór 1 januari 2012 van toepassing was. Voor zover de vrouw afwijking van deze peildatum betoogt, komt het hof daarop terug bij bespreking van de tweede grief van de vrouw. Partijen verschillen ernstig van mening over de omvang van hun vermogen op de peildatum. De vrouw beargumenteert aan de hand van de verdiensten van de man en de uitgaven tijdens het huwelijk dat thans kan worden vastgesteld dat de omvang van het vermogen van partijen op de peildatum aanzienlijk groter was dan blijkt uit de bestreden beschikking. De man betwist het door de vrouw gestelde. Het hof zal hierna bij de bespreking van de grieven de stellingen van partijen beoordelen, mede aan de hand van het bijgebrachte bewijsmateriaal.”


2.41

In rov. 4.9. heeft het hof overwogen dat de grieven 1, 3, 12, 13-V en 13-VIII en 14 geen bespreking behoeven, omdat het in die grieven gestelde geen wijziging kan brengen in het dictum van de bestreden beschikking.


2.42

In rov. 4.10. heeft het hof het betoog van de vrouw verworpen dat op grond van een reconstructie van mr. Hoekstra (kantoorgenoot van de advocaat van de vrouw en tevens levenspartner van de vrouw) moet worden uitgegaan van een hoger banksaldo dan uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt. Verder is het hof tot het oordeel gekomen dat niet kan worden afgeweken van de peildatum voor de verdeling van het vermogen. Het hof overweegt in dat verband:


“4.10. De vrouw betoogt in haar tweede grief, althans zo begrijpt het hof die grief, dat de verdeling van de banksaldi niet dient plaats te vinden aan de hand van de werkelijk op de peildatum aanwezige saldi, maar dat van hogere saldi dient te worden uitgegaan. Het hof dient zich daarbij te baseren op een door mr. E. Hoekstra, kantoorgenoot van de advocaat van de vrouw en de huidige partner van de vrouw, opgesteld overzicht dat als representatief dient te worden beschouwd volgens de vrouw. Mocht het hof dit overzicht niet direct willen volgen, dan verzoekt de vrouw subsidiair om een deskundige aan te stellen met de opdracht om de reconstructie te controleren c.q. te beoordelen, al dan niet door het opstellen van een eigen, aanvullende reconstructie.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de reconstructie van mr. Hoekstra zowel ten aanzien van het ruw geschatte bedrag aan inkomsten, als het ruw geschatte bedrag aan uitgaven, onvoldoende is onderbouwd om op grond daarvan tot een afwijking van het door het hof gehanteerde uitgangspunt te komen dat het feitelijk op de peildatum aanwezige vermogen leidend is. Het hof laat deze reconstructie om die reden buiten beschouwing. Er is dan ook geen aanleiding een deskundige te benoemen ter controle van de reconstructie. Evenmin bestaat aanleiding een deskundige te benoemen voor het opstellen van een eigen, aanvullende reconstructie. Het is aan de vrouw te stellen en zo nodig te bewijzen dat het vermogen van partijen, waaronder het totale saldo op verschillende bankrekeningen van partijen op de peildatum hoger was dan uit de overgelegde bankafschriften blijkt. Daartoe is een door een deskundige schattenderwijs uit te voeren reconstructie onvoldoende. Evenmin zal het hof afwijken van de datum van echtscheiding als de peildatum voor de verdeling van dat vermogen, waaronder de banksaldi. Volgens geldend recht kan niet van dit tijdstip worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Grief 2 faalt derhalve.”


2.43

Rov. 4.11. en 4.12. hebben betrekking op grief 4. Het hof heeft overwogen dat deze grief deels een herhaling is van de grieven 1 en 3. Voor zover de vrouw in deze grief stelt dat de man onvoldoende gegevens in het geding heeft gebracht over het vermogen van partijen op de peildatum, verwijst het hof naar hetgeen bij de bespreking van grief 5 wordt overwogen.


2.44

In rov. 4.13. heeft het hof de strekking van grief 5 en het daartegen gevoerde verweer weergegeven. De strekking van de grief is dat de opgave van Zenit over de bonussen niet klopt en dat het goed mogelijk is dat de megabonussen buiten de administratie van Zenit zijn gehouden. Verder zou de man bij de Gazprombank niet alleen een roebelrekening, maar ook een euro-of dollarrekening hebben aangehouden. De man heeft één en ander betwist.


2.45

In rov. 4.14.(i). – rov. 4.14.(iv). heeft het hof grief 5 verworpen. Het hof is kort gezegd van oordeel dat de bewijslast voor wat betreft het standpunt dat de man andere rekeningen in Rusland aanhoudt op de vrouw rust, dat de getuigenverhoren geen bewijs hebben opgeleverd over het bestaan van een andere bankrekening en dat uit het bewijsmateriaal niet (voldoende) blijkt dat Zenit een onjuiste opgave heeft gedaan over de inkomsten en bonussen van de man. Het hof heeft daartoe het navolgende overwogen:


“4.14.(.i). Het hof overweegt als volgt. Voor zover de vrouw in haar appelschrift schrijft dat zij in bewijsnood is en dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en dat de man dus dient aan te tonen dat hij op de peildatum geen andere bankrekeningen in Rusland heeft c.q. had dan die in deze procedure aan de orde zijn, volgt het hof de vrouw niet. De algemene regel is dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Uitgangspunt is dan ook dat de vrouw de bewijslast draagt van haar stelling dat de man rekeningen in Rusland buiten het zicht van de verdeling houdt. Naar aanleiding van een kort geding (ambtshalve bij het hof bekend omdat het hof daarin op 22 december 2015 in hoger beroep uitspraak heeft gedaan), heeft de man aan een door de vrouw in Sint Petersburg aangewezen notaris volmacht verschaft om alle afschriften van de bankrekeningen van de man bij de Gazprombank en de Citibank in de periode 2006 tot en met 2010 op te vragen. De vrouw heeft daartoe een Russische notaris aangewezen, waarna de man de notaris heeft voorzien van de benodigde volmacht om inzage in zijn rekening(en) bij de Gazprombank te verkrijgen. Er is dan ook geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast bij de man te leggen, nu de vrouw in staat moet worden geacht om in Rusland via de door haar ingeschakelde notaris alle gegevens bij de bank op te vragen en op die wijze bewijs van haar stellingen bij te brengen. Thans stelt de vrouw dat de bank onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt. Zij noemt onder meer een rekening met nummer [001] waarover door de bank geen gegevens zijn verstrekt, terwijl het bestaan van een rekening met dat nummer wel blijkt uit de van de Russische notaris ontvangen stukken. De vrouw veronderstelt dat de man de Gazprombank heeft gedirigeerd bij het onderzoek van de door de vrouw aangewezen Russische notaris.


4.14.(ii). Tijdens het voorlopig getuigenverhoor zijn onder meer gehoord de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . [getuige 1] en [getuige 2] hebben - evenals de man - gewerkt bij Zenit Sint Petersburg in de periode 2006 tot 2009. [getuige 1] was toen bij die club assistent trainer. [getuige 2] trainer. [betrokkene 1] was de zaakwaarnemer van de man, die de onderhandelingen heeft gevoerd bij de transfer van de man van Glasgow Rangers naar Zenit en hem heeft bijgestaan bij het tot stand komen van het arbeidscontract. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] verklaart dat zij het met Zenit afgesproken inkomen telkens in roebels ontvingen op hun roebelrekening bij de Gazprom Bank, hoewel - zoals [getuige 2] verklaart - de afspraken in euro’s werden gemaakt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de afspraken met Zenit over het contract van de man in euro’s werden gemaakt, maar dat het inkomen in roebels werd uitbetaald. Voor haar stelling dat de man naast de bekende roebelrekening bij de Gazprombank ook bij die bank een euro- en/of dollarrekening aldaar had, kan de vrouw aan de door de getuigen afgelegde verklaringen geen bewijs ontlenen, te meer daar [getuige 1] en [getuige 2] verklaren de afspraken die de man heeft gemaakt met Zenit niet te kennen. Daarbij komt dat de gemaakte afspraken kenbaar zijn uit productie 2 van de vrouw, het contract van de man. Daarin staat met zoveel woorden dat het in euro’s afgesproken inkomen in roebels wordt betaald. Het enkele feit dat op de via de Russische notaris verkregen bankafschriften een nummer voorkomt met als eindcijfer [...] is onvoldoende om toch te aanvaarden dat de man bij de Gazprombank een euro- en/of dollarrekening bezat op de peildatum. Hetzelfde geldt als daarbij wordt betrokken de omstandigheid dat op de ABN Amro rekening vanuit Rusland een rond bedrag groot € 100.000,- is ontvangen. Die ontvangst dwingt immers niet tot de gevolgtrekking dat vanuit Rusland € 100.000,- moet zijn overgemaakt. Dat er naast de roebelrekening ook nog een euro- en/of dollarrekening bestond bij de Gazprombank, heeft de vrouw in dit hoger beroep dan ook niet bewezen.


4.14.(iii). Ook met betrekking tot de bij Zenit Sint Petersburg ontvangen bonussen hebben de getuigen verklaringen afgelegd. [getuige 1] heeft verklaard dat hij in de jaren 2007 en 2008 bijzondere bonussen heeft ontvangen omdat Zenit het landskampioenschap had behaald in 2007 en in 2008 de UEFA cup. [getuige 1] weet dat in de media bonussen van een miljoen euro worden genoemd, maar hij heeft zulke bonussen nooit ontvangen. Hij ontving bonussen in de orde van grootte van € 75.000,- tot € 100.000,-. Meer in het bijzonder herinnert hij zich dat [getuige 2] hem op enig moment in het jaar 2007 opbelde en tegen hem zei dat hij eens op zijn bankrekening moest kijken. Toen bleek dat aan hem een bedrag in de orde van grootte van € 800.000,- of € 900.000,- was overgemaakt op basis van zijn contract. Bij de winst van de UEFA cup ontving hij € 75.000,- netto. De spelers ontvingen andere bedragen aan bonussen, maar daarover kan [getuige 1] niet verklaren. Hij weet dat niet.

[getuige 2] verklaart dat hij niet weet welke bedragen aan de man zijn betaald als bonus, De bedragen waarover in de pers is geschreven herkent hij niet. Zelf ontving hij bonussen en premies conform zijn contract. Voor de wedstrijden in verband met de UEFA cup ontving hij in totaal € 450.000,- netto (in roebels). [getuige 2] kan zich niet voorstellen dat het waar is dat bij een party na het behalen van de UEFA cup erover is gesproken dat de spelers elk één miljoen dollar zouden ontvangen. Hij heeft dat nooit eerder gehoord. Hij heeft een dergelijk bedrag nimmer gekregen.

[betrokkene 1] verklaart dat in het arbeidscontract van de man staat dat er bonussen zullen zijn collectief voor het team. Dat de man bij het behalen van het landkampioenschap en de UEFA cup bonussen heeft ontvangen, neemt [betrokkene 1] zonder meer aan. De omvang ervan is hem onbekend.

De vrouw heeft als getuige verklaard dat ze van de man heeft gehoord dat hij bonussen voor het landskampioenschap en het winnen van de UEFA cup heeft ontvangen. De bedragen heeft de man haar niet expliciet genoemd. Voor wat betreft de bonus voor het landskampioenschap heeft zij in de wandelgangen vernomen dat het om een bedrag van één miljoen dollar ging. Na het winnen van de UEFA cup heeft zij tijdens een feest met allerlei mensen, onder wie spelers, aan tafel gezeten. Het onderwerp van gesprek was dat iedere speler een bonus groot één miljoen dollar netto zou (hebben) ontvangen.

De man heeft verklaard dat hij alle bonussen die hem werden toegekend in roebels heeft ontvangen. Hij herinnert zich bedragen van 5.000 tot 10.000 dollar opklimmend tot 100.000 dollar. De kampioensbonussen gingen daar nog bovenuit. Zenit heeft alles wat hem toekwam m roebels betaald, ook als vergoedingen in dollars of euro’s waren afgesproken.


4.14.(iv). De stelling van de vrouw is dat de opgave van Zenit op het punt van de bonussen met klopt. De man zou dat geld hebben ontvangen via een verder niet bekend gemaakte route. Uit de afgelegde verklaringen van zowel [getuige 1] , [getuige 2] , [betrokkene 1] en de man valt enig bewijs te ontlenen dat na het behalen van het landskampioenschap en het winnen van de UEFA cup behoorlijke bonussen werden uitgekeerd door de club. Zowel de man als de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren dat steeds door Zenit regulier werd betaald hetgeen in hun contact was overeengekomen, zij het dat de omvang daarvan daaruit niet kan worden afgeleid. In het contract van de man was eveneens een bonusregeling overeengekomen. De man ontkent ook niet dat hij bonussen heeft ontvangen. Op grond van dit bewijsmateriaal kan niet worden aanvaard dat de verklaring van Zenit over de inkomsten van de man bij die club in strijd is met de waarheid omdat bonussen niet zouden zijn verdisconteerd. Dat materiaal biedt daarvoor geen, althans onvoldoende, houvast. De verklaring van de vrouw is in dit verband ontoereikend. Dat geldt ook als daarbij de publicaties in de media worden betrokken. Nu een meer specifiek bewijsaanbod omtrent haar stelling dat in Rusland buiten de betalingen in roebels bonussen in dollars of euro’s werden ontvangen en dat deze werden geadministreerd op een andere rekening dan de bekende rekening bij de Gazprombank ontbreekt, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Grief 5 faalt.”


2.46

In rov. 4.15. heeft het hof de grieven 6 tot en met 11 beoordeeld. Deze grieven bouwen voort op de overtuiging van de vrouw dat de man bewust in Rusland verdiende gelden voor haar verborgen houdt. Kern van het betoog is dat tijdens het huwelijk veel meer werd verdiend dan werd uitgegeven en dat hieruit volgt dat de man vermogen achterhoudt. Naar het oordeel van het hof is dit betoog onvoldoende overtuigend. In rov. 4.16.-4.17. heeft het hof de grieven 13-I en 13-VI besproken voor zover de vrouw daarmee stelt dat de man gelden achterhoudt in Schotland en/of Engeland. Naar het oordeel van het hof is ook deze stelling niet komen vast te staan. Het hof overweegt als volgt:


“4.15. De grieven 6 tot en met 11 van de vrouw borduren voort op haar stellige overtuiging dat de man bewust in Rusland verdiende gelden voor haar verborgen houdt, dan wel bij de Gazprombank dan wel bij de Citibank. Kern van hetgeen de vrouw stelt is dat veel minder tijdens het huwelijk werd uitgegeven dan werd verdiend en dat dus door de man vermogen wordt achtergehouden, hetgeen door de man wordt betwist. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de aan het hof overgelegde financiële bescheiden komt een uitgavenpatroon van partijen dat passend kan worden geacht bij het riante inkomen dat de man als profvoetballer verdiende. Zo zijn er dure auto’s en kostbare sieraden/horloges aangeschaft. Partijen besteedden dit inkomen aan de bekostiging van onroerende zaken, althans dat kan worden geconcludeerd uit het feit dat partijen aan het eind van hun huwelijk diverse onbelaste onroerende zaken in binnen- en buitenland in bezit hadden. Verder was er bij de ABN Àmro bank in Nederland een redelijk gevulde bankrekening en was er een kluis waarin zich in ieder geval € 180.000,- aan contanten bevond. Tussen partijen is voorts in confesso dat de man al vanaf de periode dat hij bij Glasgow Rangers voetbalde drugs gebruikte en dat hij zich in de periode dat hij in Rusland speelde, heeft uitgeleefd in drank, drugs en vrouwen. Dat aan een dergelijk leven bovenop de voor een dergelijk inkomensniveau gebruikelijke bestedingen een zeer ruim uitgavenpatroon gekoppeld kan worden, is aannemelijk.

Uit het dossier blijkt niet dat partijen tijdens het huwelijk bewust hebben stilgestaan bij vermogensopbouw voor de toekomst. De vrouw heeft als getuige verklaard dat zij zich in het algemeen niet zo erg bezig hield met de ontwikkeling van de financiën van partijen. Een concreet overzicht over welk vermogen partijen beschikten bij het vertrek van Schotland naar Rusland ontbreekt. De vrouw heeft nog betoogd dat de man anders zou hebben gereageerd, toen zij in 2009 grote bedragen overhevelde naar haar rekeningen, als het vermogen van partijen zo klein zou zijn geweest als hij beweert. De man heeft als getuige uiteengezet waarom hij niet heeft geprotesteerd (hij dacht dat het tussen de vrouw en hem nog wel goed zou komen). Dat betekent dat ook deze door de vrouw aangevoerde omstandigheid veel minder gewicht in de schaal legt dan zij wil. Bij die stand van zaken heeft de vrouw het hof niet ervan overtuigd dat er op de peildatum meer vermogen was dan uit de overgelegde bescheiden blijkt. Evenmin heeft de vrouw op dat punt na het voorlopig getuigenverhoor een nader specifiek bewijsaanbod gedaan, zodat ook de grieven 6 tot en met 11 falen.


4.16.

Voor zover de vrouw in haar grief 13 onder I en VI stelt dat de man eveneens gelden achterhoudt in Schotland en/of Groot-Brittannië geldt het volgende. De man heeft ten behoeve van de vrouw een algehele volmacht afgegeven aan de Schotse advocaat mr. Caplan die namens en voor de vrouw onderzoek heeft kunnen doen en kennis heeft kunnen nemen van alle aldaar bestaande vermogensbestanddelen. In de procedure in eerste aanleg is komen vast te staan dat de overwaarde van de verkoop van het appartement te Glasgow GBP 70.505,46 bedroeg en dat dit bedrag op 2 oktober 2009 is gestort op de bankrekening van partijen bij de Clydesdale bank. In grief 13 onder I stelt de vrouw dat zij recht heeft op de helft van voornoemde overwaarde, doch daarin volgt het hof haar niet, nu de rechtbank aan de vrouw de helft van het saldo op de Clydesdale bank op de peildatum heeft toegedeeld en de overwaarde derhalve is verdisconteerd in het reeds aan de vrouw toegedeelde saldo.

In grief 13 onder VI stelt de vrouw dat het niet zo kan zijn dat het saldo bij het trustfund EBT, waar Glasgow Rangers in het verleden een deel van het salaris van de man stortte om onder belastingbetaling uit te komen, slechts GBT 300 bedraagt. Er moeten sub trusts zijn waarin een aanzienlijk vermogen zit, aldus begrijpt het hof de stellingen van de vrouw die zich bovendien beroept op een getuigenverklaring van haar ex-partner, [getuige 4] , alsmede op de getuigenverklaring van [getuige 5] , de zoon van de vrouw en [getuige 4] . Zelf heeft de vrouw als getuige verklaard: “Vanaf 2001 is telkens ook een gedeelte ondergebracht in een trust. Dat was een andere trust dan de trust waarin het tekengeld is ondergebracht. Dat er zo’n trust is geweest weet ik omdat ik in 2001 mee moest naar de club om te tekenen. Ik heb twee documenten moeten ondertekenen, daarom veronderstel ik eigenlijk dat er twee trusts zijn opgericht in 2001. Die twee trusts stonden aanvankelijk op mijn naam, later is dat veranderd. Ik heb aangenomen dat het geld dat is ondergebracht in die trusts gespaard is. (…) Ik heb de gang van zaken binnen de trusts verder niet gevolgd.”

En: “Toen wij uit Schotland vertrokken zei [de man] mij dat er een vermogen van zo ’n vier à vijf miljoen Schotse ponden was opgebouwd. Hij heeft dat bij herhaling gezegd. Zo herinner ik mij dat hij het plan had opgevat om een huis te kopen op Curaçao. We zijn in 2005 twee keer naar Curaçao gereisd om naar huizen te kijken. Hij had het oog laten vallen op huizen die tussen de één en twee miljoen dollar moesten kosten. Hij legde mij uit dat wij ons een dergelijk huis konden veroorloven. omdat er een vermogen was van vier à vijf miljoen Schotse ponden. Meer precies herinner ik me dat dat vermogen in 2004 zo’n vier miljoen Schotse ponden bedroeg. Na ontvangst van het tekengeld was dat vermogen gegroeid naar zo’n vijf miljoen Schotse ponden. (…) Verder heeft [de man] mij uitgelegd dat het geld in trusts zat. Ik weet van drie trusts. De derde trust is opgericht in verband met het tekengeld, dat was in 2004. Bij die oprichting van die trust ben ik verder niet betrokken. Ik heb ook pas veel later begrepen dat die trust is opgericht. [de man] heeft mij verteld dat al die trusts hun zetel hadden op Guernsey of Jersey. (…) De omvang van het vermogen dat in de trusts was ondergebracht heb ik alleen van [de man] gehoord.”

[getuige 5] , heeft als getuige verklaard dat de man vele malen heeft gezegd dat hij een vermogen had van acht miljoen en dat hij wel € 900,- per dag aan rente ontving. De man heeft hem dat meer dan tien keer gezegd.

[getuige 4] heeft bij notariële verklaring van 20 maart 2015 verklaard dat hij al jaren bevriend is met de man en dat de man hem heeft gezegd dat hij nog miljoenen bezit in het buitenland, onder meer op een eiland bij Engeland en dat de man daarbij lachend opmerkte dat hij de vrouw eigenlijk maar dom vond dat zij daar nooit achter was gekomen.


4.17.

Dit bewijsmateriaal biedt onvoldoende houvast voor de door de vrouw bepleite gevolgtrekking, omdat het nodige in andere richting wijst. De vrouw heeft met behulp van mr. Caplan en de door de man verschafte volmacht alle mogelijkheden gehad om nader onderzoek te doen. Dit onderzoek heeft niet meer opgeleverd dan het bezit bij EBT van GBP 300 pond sterling die de rechtbank in de verdeling heeft betrokken. Bovendien bevat in het bijzonder de verklaring van getuige [getuige 2] aanwijzingdat een deel van de trusts niet meer bestaat. Omdat de trustconstructie fiscaal niet is geaccepteerd, is in zijn geval de trust geliquideerd en het geld dat er nog stond naar een van zijn bankrekeningen overgemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de fiscus ten aanzien van de man wezenlijk anders heeft gehandeld. De vrouw heeft verder niet, althans niet voldoende specifiek aanvullend bewijs aangeboden. Dat betekent dat haar stelling niet is komen vast te staan. Het hof gaat daaraan voorbij. De onderdelen I en VI van grief 13 falen derhalve.”



2.47

Rov. 4.18.-4.23. bevatten een bespreking en verwerping van grief 13-II over de verdeling van de inboedel, grief 13-III met betrekking tot een drietal auto’s, grief 13-IV aangaande de polis bij Zwitserleven, grief 13-VIII met betrekking tot de huurinkomsten en grief 13-IX terzake van het bedrag aan contanten ad € 180.000,- in de kluis bij de Rabobank. Deze overwegingen zijn in cassatie niet bestreden en laat ik hier daarom rusten. Rov. 4.25. bevat een bespreking van grief 13-X. In deze grief betoogt de vrouw (opnieuw) dat de man niet zichtbare banktegoeden onder zich had en dat er ook moet worden gekeken naar de uitgaven van de man in de periode van maart 2009 tot november 2010. Het hof heeft deze grief met de navolgende overweging ongegrond geacht:


“4.25. Onderdeel X van grief 13 is volgens de vrouw de rode draad van het hoger beroep. Volgens haar staat vast dat de man niet zichtbare banktegoeden onder zich had op de peildatum en moet er ook gekeken worden naar wat de man volgens zijn zeggen en beweringen in de periode maart 2009 tot november 2010 heeft opgemaakt, tenminste € 1.250.000,-.

Zoals hiervoor overwogen is uitgangspunt voor het hof hetgeen partijen bezaten op de peildatum. Zowel de man als de vrouw heeft in de door de vrouw genoemde periode van maart 2009 tot november 2010 geleefd van de gemeenschappelijke gelden. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op basis van de zich thans in het geding bevindende overzichten en bankafschriften op juiste wijze de verdeling van de diverse bankrekeningen bepaald. De vrouw heeft onvoldoende gesteld voor de veronderstelling dat de aanwezige afschriften onjuist zijn. Voor een schatting is, als gezegd, in dit geding geen plaats. Ook onderdeel X van grief 13 faalt.”


2.48

In rov. 4.26. is een verzoek van de vrouw met betrekking tot de toedeling van de woning in Spanje afgewezen. Rov. 4.27. behelst de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Deze overwegingen zijn in cassatie onbestreden gebleven en behoeven daarom geen bespreking.


2.49

In rov. 4.28. heeft het hof de incidentele vorderingen ex art. 843a Rv en 22 Rv afgewezen. Het hof heeft in dat verband het volgende overwogen:


“4.28. Aan toewijzing van een verzoek ex artikel 843a Rv zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden. Verzoekster moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, het moet gaan om bepaalde bescheiden en partijen dienen partij te zijn bij een rechtsbetrekking. De vrouw verzoekt echter geen inzage in bepaalde stukken, zij wenst aan de man een tiental vragen gesteld te zien die de man met onderbouwing van stukken en bescheiden dient te beantwoorden. De door de vrouw gewenste vragen vallen niet onder het bereik van genoemde artikelen, zodat de vordering reeds om die reden wordt afgewezen. Op de voet van het bepaalde in artikel 22 ziet het hof in deze stand van het geding eveneens ontoereikende grond. Het hof neemt daarbij in het bijzonder ook in aanmerking dat inmiddels getuigen zijn gehoord.”


2.50

Op de voornoemde gronden heeft het hof in hoofdzaak de bestreden beschikking bekrachtigd, het meer of anders verzochte afgewezen, en in de incidenten de gevraagde schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring geweigerd en de vorderingen ex art. 843a jo. 22 Rv afgewezen. Het hof heeft de proceskosten gecompenseerd aangezien partijen ex-echtelieden zijn.


2.51

De vrouw heeft bij verzoekschrift van 14 september 2016 – derhalve tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 14 juni 2016. De vrouw heeft daarbij aangegeven nog niet de beschikking te hebben over het proces-verbaal van de zitting en zich het recht voor te behouden naar aanleiding hiervan nadere klachten te formuleren. Op 15 september 2016 is aan de man en zijn advocaat bericht dat tot en met 6 oktober 2016 een verweerschrift kan worden ingediend. Van de man is geen verweerschrift ontvangen. Op 16 november 2016 heeft de vrouw naar aanleiding van het proces-verbaal een aanvullend verzoekschrift tot cassatie ingediend.


3Bespreking van de cassatieklachten


3.1

Het verzoekschrift tot cassatie bestaat uit een weergave van de kern van de zaak (randnummers 1.1.-1.33.) en zeven onderdelen (randnummers 2.1.-2.7.). De eerste zes onderdelen (randnummers 2.1.-2.6.) vallen uiteen in subonderdelen en bevatten een toelichting. Randnummer 2.7. behelst een voortbouwende klacht. Het aanvullend verzoekschrift tot cassatie bestaat uit onderdelen A tot en met E. De onderdelen bevatten klachten in aanvulling op randnummers 2.1. tot en met 2.4. van het verzoekschrift naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting.


3.2

Alvorens in te gaan op de klachten merk ik het volgende op. Deze procedure lijkt vooral te zijn ingegeven door het vermoeden van de vrouw dat op de peildatum meer banktegoeden in het buitenland aanwezig waren dan de man heeft gesteld. Gezien het omvangrijke inkomen van de man in zijn periode als profvoetballer valt te begrijpen dat die gedachte opkomt. Inmiddels zijn er bijna zeven jaren verstreken, hebben partijen een aantal maal in kort geding tegenover elkaar gestaan en is de onderhavige zeer uitvoerige bodemprocedure gevoerd. Desondanks ontbreekt het de vrouw nog altijd aan (sluitend) bewijs voor haar stelling. Het hof heeft dienovereenkomstig geoordeeld. Een cassatieprocedure leent zich in het algemeen niet om in een zodanig geval het tij te keren. Tegen deze achtergrond bespreek ik de diverse individuele klachten. Het verzoekschrift tot cassatie en het aanvullend verzoekschrift zijn zeer omvangrijk (61 pagina’s in totaal). De klachten zien op de volgende (hoofd-)onderwerpen:


- de gang van zaken ter zitting zou procesrechtelijk onjuist zijn (onderdelen 1 en 2 alsmede onderdelen A tot en met C);

- het beroep op art. 843a en 22 Rv zou onterecht zijn verworpen (onderdeel 3);

- het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld dat de vrouw dient te stellen en bewijzen dat er meer bankrekeningen zijn en het hof zou (essentiële) stellingen van de vrouw hebben gepasseerd (subonderdelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 en 2.5.1 alsmede onderdeel D);

- het hof zou een aantal grondslagen van de vordering onbehandeld hebben gelaten (subonderdeel 2.5.2 en onderdeel 2.6).


De procesrechtelijke gang van zaken ter zitting


3.3

Het eerste onderdeel van het verzoekschrift tot cassatie (randnummers 2.1.1-2.1.5) richt zich tegen rov. 4.3. en 4.4. van de bestreden beschikking. Uit die overwegingen volgt kort gezegd dat het hof de advocaat van de man heeft toegestaan gedeeltes van het (geweigerde) verweerschrift als pleitnota voor te dragen. Verder blijkt uit die overwegingen dat het hof het bezwaar van de vrouw tegen die gang van zaken heeft verworpen, omdat van (de advocaat van) de man niet verwacht kan worden dat hij in slechts tien minuten zijn standpunt kenbaar maakt over het omvangrijke (97 pagina’s tellende) appelschrift.


3.4

Het eerste onderdeel bestrijdt dit oordeel op de volgende gronden. Het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (hierna: het procesreglement) bepaalt in art. 1.4.3 dat advocaten een korte spreektijd hebben van ten hoogste tien minuten (randnummer 2.1.1), het procesreglement is recht in de zin van art. 79 RO en dient dus gehandhaafd te worden (eerste gedeelte randnummer 2.1.2) en in de tussenbeschikking van 1 december 2015 is bepaald dat het verweerschrift buiten beschouwing wordt gelaten (eerste gedeelte randnummer 2.1.3). Volgens de vrouw zou het hof in strijd met de goede procesorde en in strijd met art. 19 Rv en 6 EVRM hebben gehandeld door de vrouw pas op de zitting te confronteren met de beslissing om (de advocaat van) de man in de gelegenheid te stellen gedurende meer dan tien minuten het (geweigerde) verweerschrift voor te dragen (tweede gedeelte randnummers 2.1.2 en 2.1.3). Daaraan zou niet afdoen dat de vrouw ook gelegenheid is geboden om haar (eveneens geweigerde) nadere toelichting gedeeltelijk voor te dragen, omdat die toelichting geen reactie op het verweerschrift behelst (randnummer 2.1.4). De rov. 4.8.-4.28. en het dictum zouden daarom ook niet in stand kunnen blijven (randnummer 2.1.5).


3.5

In onderdeel A van het aanvullend verzoekschrift heeft de vrouw aangedragen dat het hof blijkens het proces-verbaal uit het oog is verloren (i) dat het verweerschrift door nalaten van de man en zijn advocaat is geweigerd, (ii) dat de man en zijn advocaat niet om extra spreektijd hebben gevraagd, (iii) dat het in het kader van art. 6 EVRM en art. 19 Rv welhaast onmogelijk is om dan nog adequaat te reageren en (iv) dat het na het bezwaar van de vrouw en haar advocaat op de weg van het hof lag de goede procesorde te bewaken.


3.6

Bij de bespreking van de klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. In verzoekschriftprocedures is (anders dan in dagvaardingszaken) het wettelijk uitgangspunt dat het verweer mondeling ter terechtzitting kan worden gevoerd (art. 282 Rv). Dit uitgangspunt geldt ook in hoger beroep met dien verstande dat een incidenteel appel wel bij verweerschrift moet worden ingesteld (art. 361 Rv). Verder is van belang dat het mondelinge verweer ook bij de beoordeling dient te worden betrokken als het griffierecht niet tijdig is voldaan. Het griffierecht wordt namelijk geheven voor de indiening van het verweerschrift en niet voor mondelinge bijdragen. Het hof heeft dus terecht overwogen dat (de advocaat van de) man ter zitting verweer mocht voeren tegen het appelschrift.


3.7

Het subonderdeel van randnummer 2.1.3 en subonderdeel A onder (i) betogen dat het hof bij zijn beoordeling van de toelaatbaarheid van het verweer ter zitting rekening had moeten houden met het feit dat het verweerschrift van de man is geweigerd vanwege een aan de man toe te rekenen omstandigheid (ontijdige betaling van het griffierecht). Uit het vorenstaande volgt dat dit gegeven de mogelijkheid en bevoegdheid om ter zitting verweer te voeren onverlet laten. Dit betekent dat de subonderdelen in zoverre vergeefs zijn voorgesteld.


3.8

De subonderdelen van randnummers 2.1.1 en 2.1.2 (eerste gedeelte) en subonderdeel A onder (iv) van het aanvullend verzoekschrift betogen dat het hof de hand had moeten houden aan de in het procesreglement voorgeschreven spreektijd van tien minuten. Randnummer 2.1.2 (eerste gedeelte) wijst er in dat kader onder meer op dat het procesreglement recht is in de zin van art. 79 RO.


3.9

Het is inderdaad vaste rechtspraak dat een procesreglement recht is in de zin van art. 79 RO. Uit de rechtspraak van Uw Raad volgt echter ook dat het procesreglement moet worden toegepast op een wijze die in overeenstemming is met de goede procesorde. Het gaat hierbij om uitspraken over de zogenoemde pilotreglementen van de gerechtshoven Amsterdam en Den Bosch. Die pilotreglementen voorzagen in een regeling op grond waarvan zonder vooraankondiging of peremptoirstelling direct akte-niet-dienen kon worden verleend. Uw Raad oordeelde dat een goede procesorde in bepaalde omstandigheden meebrengt dat het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim. Deze afweging diende in gevallen, zoals in die uitspraken aan de orde, zonder meer te leiden tot het verlenen van een korte termijn om het verzuim te herstellen.


3.10

De goede procesorde wordt, waar het gaat om de spreektijd ter zitting, in belangrijke mate ingevuld door art. 19 Rv (recht op hoor en wederhoor). Op grond van deze bepaling moet de rechter partijen in de gelegenheid stellen hun standpunten naar voren te brengen en zich uit te laten over elkaars standpunten.


3.11

Het hof heeft in rov. 4.1. en 4.3. van de onderhavige beschikking gemotiveerd op welke grond (de advocaat van) de man een langere spreektijd is verleend dan de tien minuten die staan vermeld in het procesreglement. Het hof heeft in dat kader overwogen dat het appelschrift van de vrouw 97 pagina’s beslaat en dat gelet op deze omvang niet van (de advocaat van) de man verwacht kon worden dat hij in slechts tien minuten zijn standpunt aan het hof kenbaar maakt.


3.12

In deze motivering ligt besloten dat het appelschrift een ongebruikelijke omvang heeft en dat de spreektijd van 10 minuten de man niet genoeg gelegenheid zou bieden om zich uit te laten over het appelschrift. Bij die stand van zaken was het hof naar mijn mening niet gehouden om (de advocaat van) de man aan de in het procesreglement genoemde spreektijd van 10 minuten te houden.


3.13

Het subonderdeel A onder (ii) van het aanvullend verzoekschrift verdedigt dat het hof in zijn beoordeling had moeten betrekken dat (de advocaat van) de man niet om extra spreektijd heeft gevraagd. Ook dit subonderdeel faalt. Het staat de rechter namelijk vrij om ambtshalve toepassing te geven aan art. 19 Rv. Daarom mocht het hof de spreektijd van de man in dit geval, waarbij art. 19 Rv in het geding is, zonder een daartoe strekkend voorafgaand verzoek verlengen.

3.14

De subonderdelen in randnummers 2.1.2 en 2.1.3 en subonderdeel A onder (iii) betogen verder dat het hof (de advocaat van) de vrouw tevoren op de hoogte had moeten stellen van het voornemen om (de advocaat van) de man meer dan 10 minuten spreektijd te verlenen. Het hof zou het recht op hoor en wederhoor, het recht op een eerlijk proces en/of de goede procesorde hebben geschonden door (de advocaat van) de vrouw pas ter zitting van deze beslissing op de hoogte te brengen. Het subonderdeel in randnummer 2.1.4 verdedigt dat daaraan niet zou afdoen dat het hof de advocaat van de vrouw in de gelegenheid heeft gesteld haar nadere toelichting gedeeltelijk voor te dragen.


3.15

De subonderdelen in randnummers 2.1.2 en 2.1.3 en subonderdeel A onder (iii) falen. Er bestaat namelijk geen (algemene) rechtsregel die meebrengt dat het hof (de advocaat van) de vrouw op de hoogte behoort te stellen van het voornemen om meer dan tien minuten spreektijd toe te staan. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of het voor (de advocaat van) de vrouw mogelijk is om ter zitting adequaat te reageren op hetgeen hierbij naar voren is gebracht. Daarbij is in het bijzonder relevant of nieuwe verweren worden gevoerd. Een eventuele onevenwichtigheid kan worden geredresseerd door de zaak te schorsen of aan te houden. In dit geval heeft het hof hiervoor kennelijk geen reden gezien. Dat acht ik niet onbegrijpelijk. De advocaat van de vrouw heeft namelijk niet om een aanhouding verzocht en desgevraagd meegedeeld het verweerschrift reeds te hebben gelezen.


3.16

Wel diende het hof (de advocaat van) de vrouw op de voet van art. 19 Rv in de gelegenheid stellen om ter zitting op de voorgedragen gedeelten van het verweerschrift te reageren. Uit de gedingstukken blijkt niet dat (de advocaat van) de vrouw is beperkt in de mogelijkheid om te reageren op het als pleitnota voorgedragen gedeelte van het verweerschrift. Daarbij verdient nog opmerking dat aan de vrouw gelegenheid is geboden om haar nadere toelichting voor te dragen, zodat ook in die zin van een schending van het recht op hoor en wederhoor geen sprake is geweest. De klacht in randnummer 2.1.4 is tegen die achtergrond ook vergeefs voorgesteld.


3.17

Dit betekent dat het eerste onderdeel en onderdeel A falen.


3.18

Het tweede onderdeel (randnummers 2.2.1-2.2.5) richt zich tegen de door het hof aan het begin van de zitting genomen beslissing om de nadere toelichting van de zijde van de vrouw te weigeren. Verder wordt opgekomen tegen de daaraan ten grondslag gelegde verwijzing naar de twee-conclusie-regel.


3.19

Het subonderdeel in randnummer 2.2.1 verdedigt dat het hof in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door de, tijdig ingediende, nadere toelichting pas op de zitting te weigeren. De vrouw meent dat zij ervan mocht uitgaan dat de nadere toelichting was geaccepteerd en tot de gedingstukken behoorde.


3.20

Deze klacht treft geen doel. Na het indienen van het appelschrift heeft de appellant (behoudens het zich hier niet voordoende geval van een incidenteel appel) in beginsel niet het recht om voor de zitting een nader processtuk te nemen. De appellant mag slechts nadere stukken overleggen ten behoeve van de zitting. Dit betekent dat de vrouw er niet op mocht vertrouwen dat de nadere toelichting al was geaccepteerd en dat het hof niet voor de zitting behoefde te beslissen op de toelaatbaarheid van het stuk. De klacht in randnummer 2.2.1 is dus ongegrond.


3.21

Het subonderdeel in randnummer 2.2.2 valt in twee klachten uiteen.


3.22

De klacht in randnummer 2.2.2-I verdedigt dat niet (zonder meer) kan worden gezegd dat een uitbreiding of vermeerdering van eis na het appelrekest in strijd is met de twee-conclusie-regel. De klacht treft geen doel. In de eerste plaats staat tegen een beslissing tot het weigeren van een eisvermeerdering ingevolge art. 130 lid 2 Rv (hier: in verbinding met art. 283 jo. 362 Rv) geen hogere voorziening open. In de tweede plaats is de klacht ongegrond. Uw Raad oordeelde in 2012 dat ook in verzoekschriftzaken geldt dat grieven en veranderingen of vermeerderingen van verzoek in hoger beroep in beginsel bij verzoek- of verweerschrift dienen te worden aangevoerd c.q. plaats te vinden.


3.23

De klacht in randnummer 2.2.2-II bepleit dat de nadere toelichting zou neerkomen op een aanvulling, precisering en uitwerking van het appelschrift. Volgens de klacht zouden de daarin vervatte grondslagen al besloten liggen in het oorspronkelijke appelschrift en had het hof deze zo nodig met toepassing van art. 25 Rv moeten toewijzen. Ook die klacht faalt. De vrouw heeft de nadere toelichting mede aangeduid als een akte precisering en deels uitbreiding c.q. vermeerdering van eis. Aan het slot van de nadere toelichting wordt het verzoek opnieuw geformuleerd. In de nadere toelichting wordt onder meer verzocht om ‘de man te veroordelen om de door hem aangerichte schade aan de gemeenschap c.q. de vrouw te vergoeden wegens verspilling ex artikel 1:164 BW c.q. wegens onrechtmatig handelen ex artikel 6:162 BW’. Het oorspronkelijke verzoek had geen betrekking op schadevergoeding. Een zodanige veroordeling was op grond van het appelschrift dus niet (ook niet met toepassing van art. 25 Rv) toewijsbaar. Het hof zou dan immers buiten de grenzen van het verzochte treden. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat de nadere toelichting naar ’s hofs oordeel een vermeerdering van eis in de zin van art. 130 Rv bevat.


3.24

Het subonderdeel in randnummer 2.2.3 bestaat uit drie klachten.


3.25

De eerste klacht van randnummer 2.2.3 houdt in dat het hof de vermeerdering van eis uitsluitend buiten beschouwing zou hebben mogen laten naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer. Deze klacht is ook vervat in randnummer 2.2.4 en onderdeel C van het aanvullende verzoekschrift. Deze klacht faalt. In de eerste plaats staat het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv aan deze klacht in de weg (hiervoor 3.22). In de tweede plaats treft de klacht ook op inhoudelijke gronden geen doel. De appelrechter dient een vermeerdering van eis, die in het licht van de twee-conclusie-regel te laat is ingesteld, buiten beschouwing te laten. Daarop bestaan drie uitzonderingen: (1) de rechtsstrijd is door de wederpartij aanvaard, (2) de bijzondere aard van de procedure rechtvaardigt een uitzondering op de twee-conclusie-regel en (3) er is sprake van een nieuw opgekomen ontwikkeling van feitelijke of juridische aard. Uit dit stelsel vloeit voort dat een uitdrukkelijk bezwaar niet is vereist.


3.26

De tweede klacht van randnummer 2.2.3 verdedigt dat de toepasselijkheid van de twee-conclusie-regel ten hoogste meebrengt dat de vermeerdering van eis buiten beschouwing diende te blijven. Volgens de klacht had het hof voor het overige ook de niet ter zitting voorgedragen gedeelten van de nadere toelichting in zijn oordeel moeten betrekken. Randnummer 2.2.5 voegt daaraan toe dat het hof de aan de nadere toelichting gehechte producties niet had mogen weigeren.


3.27

Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Naar de onbestreden vaststelling van het hof is de vrouw ter zitting namelijk in de gelegenheid gesteld om de nadere toelichting als pleitnota voor te dragen met als restrictie dat een uitbreiding c.q. vermeerdering van eis buiten beschouwing zou blijven (rov. 4.5.). De advocaat van de vrouw kon er op die manier voor zorgdragen dat de tekst van de nadere toelichting onderdeel van het dossier zou vormen. Dat de advocaat van de vrouw de nadere toelichting slechts gedeeltelijk heeft voorgedragen, berust klaarblijkelijk op een eigen afweging. Voor wat betreft de producties geldt het volgende. Volgens vaste rechtspraak moet op zodanige wijze een beroep worden gedaan op producties dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. Dit betekent dat de producties slechts van belang zijn als in appel een beroep op die producties is gedaan, het hof deze stelling heeft gepasseerd of verworpen en daarover in cassatie wordt geklaagd. Dat is hier niet het geval. Gegrondbevinding van de klacht over de producties zou daarom niet kunnen leiden tot een ander oordeel. Dit betekent dat bij deze klachten – wat daar ook van zij – geen belang bestaat.


3.28

De derde klacht van randnummer 2.2.3 bepleit dat het hof op de zitting ten onrechte niet zou hebben gemotiveerd waarom het hof de nadere toelichting heeft geweigerd. Ook onderdeel B van het aanvullend verzoekschrift bevat een klacht van die strekking. In zoverre missen de subonderdelen feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.5. immers overwogen dat de nadere toelichting aan de vrouw is teruggegeven ‘onder verwijzing naar de (in beginsel strakke) twee-conclusieregel en de ook in verzoekschriftprocedures geldende rechtspraak van de Hoge Raad die bepaalt dat de aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis, in hoger beroep beperkt is in die zin dat hij in beginsel de eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven (of memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep)’. Uit de beschikking volgt dus dat het hof de weigering van de nadere toelichting ter zitting heeft toegelicht. De klacht faalt ook als deze erop berust dat deze motivering niet in het proces-verbaal is vastgelegd. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is de rechter bij de vaststelling in zijn beschikking van het verhandelde ter zitting niet gebonden aan de inhoud van het proces-verbaal. Uit deze regel volgt dat het gegeven dat de beschikking een gebeurtenis ter zitting weergeeft die niet in het proces-verbaal is vermeld, niet meebrengt dat de beschikking onbegrijpelijk is.


3.29

Het tweede onderdeel en onderdelen B en C falen.


Verwerping van het beroep op art. 843a Rv en art. 22 Rv


3.30

Het derde onderdeel (randnummers 2.3.1-2.3.3) richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof in rov. 4.28. dat aan toewijzing van een verzoek tot inzage op de voet van art. 843a Rv onder meer de voorwaarde is verbonden dat het moet gaan om ‘bepaalde bescheiden’, terwijl de vrouw geen inzage heeft verzocht in bepaalde bescheiden maar aan de man een tiental vragen gesteld wenst te zien die de man dan met onderbouwing van stukken dient te beantwoorden.


3.31

Volgens het subonderdeel in randnummer 2.3.1 heeft het hof er daarmee aan voorbij gezien dat de vrouw in de nadere toelichting heeft aangegeven welke stukken de man concreet dient over te leggen. Ook dit subonderdeel treft geen doel. Het hof heeft, naar mijn mening terecht (hiervóór 3.22), overwogen dat de nadere toelichting buiten beschouwing zal worden gelaten voor zover deze een vermeerdering van de eis bevat (rov. 4.5.). Art. 843a Rv biedt een zelfstandige grondslag voor een vordering van degene die daarbij een rechtmatig belang heeft. Het hof heeft de incidentele vordering tot inzage in andere stukken dan genoemd in het appelschrift dus mogen aanmerken als een vermeerdering van (de grondslag van) de incidentele vordering ex art. 843a Rv. Het hof behoefde bij de beoordeling van de incidentele vordering ex art. 843a Rv daarom niet in te gaan op hetgeen dienaangaande in de nadere toelichting is gesteld. Ook op inhoudelijke gronden behoefde het gestelde in de nadere toelichting het hof overigens niet tot een ander oordeel te brengen. Op pagina 12 van de nadere toelichting worden negen stukken genoemd. Die stukken zijn echter al in het bezit van de vrouw; zij zijn aan de nadere toelichting gehecht. De vrouw verzoekt om ‘overlegging van bescheiden en informatie die uit deze stukken blijken’. Het blijft (wederom) onduidelijk op welke stukken de vrouw concreet het oog heeft. Dit betekent dat de overweging van het hof dat de vrouw geen inzage verzoekt in bepaalde bescheiden, zijn oordeel eveneens kan dragen in het licht van hetgeen de vrouw bij nadere toelichting naar voren heeft gebracht.


3.32

Randnummer 2.3.2 behelst de voortbouwende klacht dat het slagen van het subonderdeel in randnummer 2.3.1 meebrengt dat rov. 4.8. tot en met 4.17. ook geen stand kunnen houden. Deze klacht faalt op de voornoemde gronden.


3.33

In randnummer 2.3.3 wordt opgekomen tegen de overweging dat het hof in deze stand van het geding onvoldoende grond ziet voor het toepassen van art. 22 Rv en dat daarbij in het bijzonder van belang is dat al getuigen zijn gehoord. Daartoe wordt bepleit dat het hof in het licht van zes stellingen onvoldoende zou hebben gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan art. 22 Rv:


(a) de vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat de man twee euro-rekeningen bij Gazprombank moet hebben gehad en dat de man deze heeft verzwegen;

(b) de door de man overgelegde overzichten over Gazprombank zijn niet deugdelijk nu hij geen duidelijk leesbare Engelstalige afschriften verstrekt;

(c) in de periode 2009-2010 stond, na de opname van de vrouw ad € 1,3 mio, € 500.000,- op de gemeenschappelijke rekening, de man heeft in die periode nog € 772.000,- aan inkomsten genoten en de man heeft dienaangaande slechts als verweer gevoerd dat deze bedragen op de peildatum ‘op’ zouden zijn;

(d) uit de reconstructie van mr. Hoekstra blijkt dat in de huwelijkse periode € 13.850.000,- is verdiend en het is (mede in het licht van de biografie van de man) niet aannemelijk (gemaakt) dat dit bedrag helemaal is uitgegeven;

(e) onder meer uit de media en de verklaring van [getuige 1] blijkt dat de man, in aanvulling op het voornoemde bedrag, aanzienlijke kampioensbonussen moet hebben ontvangen, die niet zijn terug te vinden in de financiële stukken; en

(f) de man moet, naar mede uit de verklaring van [getuige 4] volgt, in Schotland nog een spaarpot hebben, aangezien een deel van het salaris werd overgemaakt naar coderekeningen en de belastingdruk vanwege de gekozen trustconstructie aanzienlijk lager is dan de man heeft voorgespiegeld.


3.34

Bij de bespreking van deze klacht stel ik het volgende voorop. Art. 22 Rv bepaalt dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen kan bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Art. 22 Rv behelst een discretionaire bevoegdheid. Daarom kunnen aan de motivering van de rechter, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis, geen hoge eisen worden gesteld.


3.35

Ik meen dat de klacht faalt. De genoemde stellingen zijn niet specifiek in het kader van art. 22 Rv betrokken. Er wordt in deze stellingen ook niet (expliciet) aangegeven welke specifieke uitleg of bescheiden het hof volgens de vrouw had moeten verlangen. Bovendien zijn de stellingen ieder gemotiveerd verworpen:


- Stellingen (a) en (b) betreffen de aanwezigheid van de vrouw onbekende rekeningen bij de Gazprombank. Naar de vaststelling van het hof heeft de man echter een door de vrouw aangewezen notaris volmacht gegeven om inzage in zijn rekeningen bij de Gazprombank te verkrijgen en moet de vrouw daarom in staat zijn geweest alle gegevens bij de bank op te vragen (rov. 4.14.(i).). Verder is naar het oordeel van het hof aan de afgelegde verklaringen geen bewijs te ontlenen voor de stelling dat de man een dollarrekening of eurorekening bij Gazprombank aanhield (rov. 4.14.(ii).).


- Stellingen (c) en (d) zien op het uitgavenpatroon gedurende het huwelijk. In rov. 4.10. heeft het hof op dit punt overwogen dat de reconstructie van mr. Hoekstra onvoldoende is onderbouwd. In rov. 4.15. overweegt het hof in dit verband (i) dat uit de overgelegde bescheiden een uitgavenpatroon naar voren komt dat passend is bij het riante inkomen van de man; zo zijn er dure auto’s en kostbare sieraden/horloges aangeschaft, (ii) dat er bij de ABN Amro bank een redelijk gevulde rekening was en dat er een kluis was waarin zich in ieder geval € 180.000,- aan contanten bevond en (iii) dat tussen partijen in confesso is dat de man zich heeft uitgeleefd in drank, drugs en vrouwen. Het hof heeft die verklaring toereikend geacht.


- Stelling (e) betreft de bonussen bij Zenit. Naar de onbestreden vaststelling van het hof heeft Zenit opgave gedaan over de uitgekeerde bonussen (rov. 4.14.(iv).). Volgens het hof blijkt uit de verklaring van [getuige 1] en de publicaties in de media onvoldoende dat deze opgave onjuist zou zijn.


- Stelling (f) ziet op de aanwezigheid van gelden in Schotland. Het hof heeft vastgesteld dat de man ten behoeve van de vrouw een algehele volmacht heeft afgegeven aan de Schotse advocaat mr. Caplan die namens en voor de vrouw onderzoek zou kunnen doen en kennis heeft kunnen nemen van de aldaar bestaande vermogensbestanddelen (rov. 4.16.). Volgens het hof had de vrouw dus alle mogelijkheid om nader onderzoek te doen en heeft dat onderzoek geen nieuwe bezittingen aan het licht gebracht (rov. 4.16.-4.17.).


3.36

Tegen de achtergrond van deze overwegingen behoefde het hof naar mijn mening (ook) in het licht van de zes aangehaalde stellingen niet nader te motiveren op welke gronden geen toepassing wordt gegeven aan art. 22 Rv.


3.37

Het derde onderdeel is dus vergeefs voorgesteld.


De verdeling van de bewijslast en de respons op (essentiële) stellingen


3.38

Het vierde onderdeel (randnummers 2.4.1-2.4.4) richt zich tegen het uitgangspunt in rov. 4.8.-4.17. dat het aan de vrouw is om te stellen en te bewijzen dat er meer vermogen op de peildatum was dan uit de door de man overgelegde afschriften blijkt. Verder komt het onderdeel op tegen de overweging dat de vrouw, mede gezien de betwisting van de man, niet in het bewijs van die stelling is geslaagd. Bovendien wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat niet (op grond van de redelijkheid en billijkheid) wordt afgeweken van het uitgangspunt van de datum van echtscheiding als peildatum voor de verdeling.


3.39

Onderdeel D van het aanvullend verzoekschrift bevat een drietal aanvullingen op de subonderdelen van randnummers 2.4.1 tot en met 2.4.4. Deze aanvullingen zullen hierna worden aangeduid als subonderdelen D(1) tot en met D(3).


3.39

Het (uitvoerige) subonderdeel in randnummer 2.4.1 betoogt het volgende.


3.40

Op grond van art. 1:83 BW (en tot 1 januari 2012 art. 1:98 BW (oud)) zijn echtelieden verplicht elkaar informatie te verschaffen omtrent de gemeenschap tijdens het huwelijk en na de ontbinding tot aan de echtscheiding. Na de echtscheiding vloeit die informatieplicht (ook) voort uit art. 3:166, art. 6:2 en art. 3:194 BW. Per saldo zou dit betoog ertoe moeten leiden dat de man rekening en verantwoording over zijn inkomsten en uitgaven dient af te leggen. Daarnaast rust op de man een verzwaarde stelplicht voor wat betreft zijn bank- en inkomensgegevens. Die gegevens behoren immers tot zijn domein. De man heeft nagelaten inzicht te geven in het vermogen op de peildatum dat onder zijn beheer valt. Daarom had het hof hetzij de man op de voet van art. 22 Rv moeten opdragen om met nadere informatie te komen hetzij schattenderwijs moeten vaststellen welk vermogen buiten de verdeling wordt gehouden.


3.40

De vrouw heeft in dit verband gewezen op haar stellingen (i) dat de man het beheer heeft gehad over de buitenlandse bankrekeningen en daarover dus openheid van zaken dient te geven, (ii) dat de man die openheid van zaken niet heeft gegeven: de overgelegde afschriften zijn ondeugdelijk gebleken omdat daarop geen tegenrekeningen staan vermeld, (iii) dat de man op grond van de genoemde bepalingen en art. 21 Rv wel gehouden is om deze informatie te verstrekken, (iv) dat het hof, nu de man niet aan zijn informatieverplichting voldoet, hetzij de man dient te gelasten de informatie te verstrekken hetzij dient uit te gaan van de reconstructie van mr. Hoekstra en (v) dat de verzwegen bestanddelen op de voet van art. 3:194 lid 2 BW geheel aan de vrouw toevallen.


3.41

In subonderdeel D(1) van het aanvullend verzoekschrift wordt daaraan toegevoegd dat de vrouw ook ter zitting aan de orde heeft gesteld dat het op de weg van de man ligt om inzage te geven in zijn financiële positie.


3.42

Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop. Art. 1:83 BW bepaalt dat echtgenoten elkaar desgevraagd inlichtingen verstrekken over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het hier gaat om een bepaling van dwingend recht en dat onder inlichtingen (louter) het verstrekken van informatie wordt verstaan en niet mede het doen van rekening en verantwoording.


3.43

Art. 1:83 BW is in 2012 ingevoerd met de Wet Aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen. Het artikel is de opvolger van art. 1:98 BW (oud) dat gold tussen 1992 en 2012 en zich (anders dan het huidige artikel) beperkte tot de goederen en schulden van de gemeenschap. Art. 1:83 BW richt zich naar de letter alleen tot echtgenoten en niet tot ex-echtgenoten. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat ex-echtelieden op grond van art. 3:166 lid 3 en art. 6:2 BW gehouden zijn om elkaar inlichtingen te verstrekken. Op grond van deze artikelen dienen zij zich namelijk als deelgenoten in een gemeenschap en ook overigens te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

3.44

Dan kom ik toe aan de bespreking van het subonderdeel van randnummer 2.4.1 en subonderdeel D(1). In randnummer 2.4.1 wordt in de eerste plaats verdedigd dat de inlichtingenplicht van de man per saldo meebrengt dat hij rekening en verantwoording zou dienen af te leggen over zijn inkomsten en uitgaven. Die klacht faalt. Uit de wetsgeschiedenis van art. 1:83 BW blijkt immers dat de inlichtingenplicht (louter) het verstrekken van informatie betreft en niet mede het doen van rekening en verantwoording omvat (hiervoor 3.42).


3.45

Verder wordt in het subonderdeel van randnummer 2.4.1 en D(1) in de kern aangedragen dat het hof zou hebben miskend dat de man (op grond van art. 1:83, 3:166 en/of 6:2 BW danwel op grond van een verzwaarde stelplicht) gehouden zou zijn om openheid van zaken te geven over de bankrekeningen. Ook in zoverre treft de klacht geen doel. Het oordeel van het hof houdt onder meer in (i) dat de man ter onderbouwing van de banksaldi rekeningafschriften heeft overgelegd (rov. 4.10. en 4.25.), (ii) dat de vrouw heeft betoogd dat er meer bankrekeningen zouden bestaan, (iii) dat de man in dat kader volmachten heeft afgegeven aan een door de vrouw aangewezen notaris in Rusland en aan de Schotse advocaat mr. Caplan waarmee de vrouw de juistheid en volledigheid van die informatie kon controleren en (iv) dat op grond van dit onderzoek en de diverse getuigenverhoren niet is komen vast te staan dat de verstrekte informatie onjuist was. Het hof heeft bij die stand van zaken tot het oordeel mogen komen dat de man heeft voldaan aan zijn verplichting om informatie te verstrekken.


3.46

De verwijzing naar de stelling over art. 3:194 lid 2 BW stuit af op de (inhoudelijk onbestreden) overweging in rov. 4.7. dat blijkens een uitspraak van Uw Raad van 4 december 2015 eerst een beroep op de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW kan worden gedaan nadat verdeling heeft plaatsgevonden. Het subonderdeel van randnummer 2.4.1 en subonderdeel D(1) falen dus.


3.47

Het subonderdeel van randnummer 2.4.2 bestaat uit vijf klachten, aangeduid met nummers 2.4.2-I tot en met 2.4.2-V. Ik bespreek deze klachten hierna.


3.49

Subonderdeel 2.4.2-I richt zich tegen het oordeel in rov. 4.10. (1) dat de reconstructie van mr. Hoekstra buiten beschouwing wordt gelaten, (2) dat het aan de vrouw is om te stellen en bewijzen dat het vermogen op de peildatum hoger was dan uit de bankafschriften blijkt en (3) dat naar geldend recht niet kan worden afgeweken van de regel dat de datum van de echtscheiding de peildatum is voor de verdeling van het gemeenschappelijke vermogen.


3.50

Met betrekking tot de reconstructie van mr. Hoekstra wordt in het subonderdeel het volgende aangevoerd. Het zou onbegrijpelijk zijn dat de reconstructie onvoldoende is onderbouwd, aangezien deze reconstructie is gebaseerd op de beweringen van de man uit zijn biografie en de inkomensgegevens van Zenit en slechts in (te) algemene termen is weersproken. Verder zou de reconstructie ook aantonen dat de man onvoldoende aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan.


3.51

Deze klachten treffen geen doel. Uit (de stellingen over) de inkomensgegevens van Zenit en de biografie van de man volgt dat hij als voetballer grote sommen geld heeft verdiend. De man heeft daar echter tegenover gesteld dat dure goederen zijn gekocht en dat hij zich (in Rusland) heeft uitgeleefd in drank, drugs en vrouwen. Dat is tussen partijen op zich ook niet in geschil. Het is daarom niet onaannemelijk dat het uitgavenpatroon hoger zal hebben gelegen dan de in de reconstructie aangehouden ‘redelijke uitgavencomponent’. Daarin ligt dus ook een betwisting van de reconstructie van mr. Hoekstra besloten. Van de man kan niet worden gevergd dat hij rekening en verantwoording aflegt over die uitgaven. Voldoende is dat de man inlichtingen verstrekt over de stand van de goederen en schulden op de peildatum. Aan die verplichting heeft de man naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof voldaan.


3.52

Met betrekking tot de stelplicht en bewijslast heeft de vrouw wederom aangedragen dat de man (op grond van art. 1:83, 3:166 en/of 6:2 BW danwel op grond van een verzwaarde stelplicht) gehouden zou zijn om openheid van zaken te geven over de bankrekeningen. Deze klacht faalt op de gronden die zijn genoemd in randnummer 3.45. Verder wijst de vrouw ook in dit verband op de reconstructie van mr. Hoekstra en haar stelling dat die reconstructie onvoldoende gemotiveerd is weersproken. In zoverre faalt de klacht op de gronden genoemd in randnummer 3.51. Bovendien wordt verdedigd dat het hof de keuze had om ‘hetzij de man ex art. 22 Rv te gelasten nog verdere openheid van zaken te geven, hetzij de conclusies te verbinden die het aan deze als schending van artikel 21 Rv te kwalificeren proceshouding geraden acht.’ (p. 23 van het verzoekschrift tot cassatie, tweede tekstblok). Ook dit onderdeel van de klacht treft geen doel. Art. 21 Rv en 22 Rv bevatten beide discretionaire bevoegdheden van de rechter. De rechter is dus hoe dan ook niet gehouden om deze bevoegdheden toe te passen. Verder houdt het oordeel van het hof in dat de man heeft voldaan aan zijn verplichting om informatie te verstrekken. In dat licht lag het niet in de rede toepassing te geven aan de bevoegdheden die voortvloeien uit art. 21 en/of 22 Rv.


3.53

Ten aanzien van het tijdstip van verdeling is in het subonderdeel het volgende aangevoerd. Volgens de vrouw heeft het hof miskend dat de datum van de ontbinding van het huwelijk weliswaar bepalend is als peildatum van de omvang van de boedel, maar dat bij de verdeling van de gemeenschap de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 1:100 BW wel een rol kan spelen. De vrouw bestrijdt in zoverre dus niet zozeer de vaststelling van de peildatum. Dit is naar mijn mening terecht. De overweging van het hof dat niet op grond van de redelijkheid en billijkheid van de peildatum kan worden afgeweken, vindt steun in rechtspraak van Uw Raad. Het subonderdeel stelt echter dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog om de boedel op grond van de redelijkheid en billijkheid voor meer dan helft aan haar toe te delen. De vrouw heeft in dat kader verwezen naar pagina 38-39 van het appelschrift en pagina 19 van de nadere toelichting. Op deze plaatsen heeft de vrouw het hof verzocht op grond van art. 1:100 BW af te wijken van de verdeling bij helfte.


3.54

Art. 1:100 BW bepaalt dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is een afwijking van de regel van verdeling bij helfte ook niet geheel uitgesloten in andere dan de in de wet voorziene gevallen. Een zodanige afwijking kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap.


3.55

De vrouw heeft ter onderbouwing van het beroep op art. 1:100 BW in essentie aangevoerd dat een andere verdeling gezien het bestedingsgedrag van de man redelijk zou zijn. Die stelling kan, ook indien juist, niet het oordeel dragen dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man zich jegens de vrouw beroept op een verdeling bij helfte. Van een dergelijk uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn als het huwelijk slechts kort heeft geduurd en nadien blijkt dat één van de echtelieden hoge schulden heeft en deze voor de ander verborgen had gehouden. De gestelde feiten kunnen niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat hier sprake is van een zodanige situatie: de gelden zijn tijdens het huwelijk door de man in het profvoetbal verdiend en ondanks zijn hoge uitgavenpatroon plukt de vrouw vruchten van deze verdiensten (zij het aanzienlijk minder dan het geval was geweest wanneer tijdens het huwelijk zuinig zou zijn geleefd). Het hof behoefde daarom, bij gebreke van een toereikende feitelijke grondslag, niet op het beroep van de vrouw op art. 1:100 BW te responderen. De klacht faalt derhalve.


3.56

In het subonderdeel van randnummer 2.4.2-II wordt naar voren gebracht dat de vrouw een groot aantal feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de man onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven. Deze feiten en omstandigheden zijn volgens de vrouw slechts in algemene bewoordingen weersproken. Het betreft hier dezelfde stellingen als de vrouw heeft aangevoerd ter onderbouwing van de klacht in randnummer 2.3.3 tegen de overweging dat het hof in deze stand van het geding onvoldoende grond ziet voor het toepassen van art. 22 Rv (hiervoor randnummer 3.33). Zoals hiervoor is toegelicht (randnummer 3.35) heeft het hof deze stellingen niet miskend maar gemotiveerd verworpen. De klacht treft daarom in zoverre geen doel.


3.57

Verder vermeldt de klacht het volgende: ‘Ook tijdens het getuigenverhoor doet de man slechts ongefundeerde beweringen die, blijkens de reactie van mr Kaandorp aan het hof bij brief van 6 mei 2016 in strijd zijn met de overigens gebleken feiten en omstandigheden’, waarna een citaat van meer dan drie pagina’s uit deze brief van 6 mei 2016 volgt. Het subonderdeel komt vervolgens tot de volgende slotsom: ‘De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat de man op geen enkele wijze aan zijn inlichtingenplicht en aan de op hem rustende verzwaarde stelplicht heeft voldaan en dat uit het debat van partijen zoals hierboven weergegeven geen andere conclusie kan worden getrokken [dan] dat de man in strijd met artikel 21 Rv niet eigener beweging en naar waarheid die informatie in het geding brengt, die voor een goede en billijke uitkomst noodzakelijk is.’ Het oordeel van het hof over de verdeling van de bewijslast zou in dat licht onjuist of onbegrijpelijk zijn. De klacht maakt zo echter niet duidelijk welke specifieke feiten en omstandigheden uit de genoemde brief van 6 mei 2016 het oordeel van het hof over de verdeling van de bewijslast onjuist of onbegrijpelijk zouden maken. Zij faalt derhalve.


3.58

Het subonderdeel van randnummer 2.4.2-III vangt aan met de klacht dat het hof miskent ‘dat het niet-voldoen aan de op hem rustende inlichtingenplicht een schending van artikel 21 Rv oplevert en het hof daaraan de gevolgtrekking moet verbinden die hem geraden voorkomt, hetgeen kan zijn het vragen van nadere inlichtingen op basis van artikel 22 Rv, dan wel het zelfstandig, al dan niet schattenderwijs of door het benoemen van deskundigen (doen) vaststellen van hetgeen moet worden geacht aanwezig te zijn geweest op de peildatum (…).’ Deze klacht faalt nu de rechter niet gehouden is toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheden van art. 21 en 22 Rv en in het oordeel van het hof besloten ligt dat de man aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan (hiervoor 3.45 en 3.52).


3.59

Het subonderdeel verdedigt verder dat hetgeen verzwegen is krachtens art. 3:194 lid 2 BW geheel aan de vrouw toekomt. Deze klacht stuit af op de (overigens onbestreden) overweging in rov. 4.7. dat blijkens een uitspraak van Uw Raad van 4 december 2015 eerst een beroep op de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW kan worden gedaan nadat verdeling heeft plaatsgevonden.


3.60

Het subonderdeel betoogt vervolgens dat het hof de derde grief ten onrechte bij gebrek aan belang onbehandeld heeft gelaten. Ook die klacht faalt. De derde grief richt zich namelijk tegen de verwerping van het beroep op art. 3:194 lid 2 BW. Het oordeel van het hof is aldus te begrijpen dat het beroep op art. 3:194 lid 2 BW afstuit op het in rov. 4.7. overwogene en dat daarom de juistheid van de motivering van de rechtbank op dit punt in het midden kan blijven.


3.61

Tot slot refereert het subonderdeel aan de reconstructie van mr. Hoekstra. In zoverre faalt de klacht om de redenen genoemd in randnummers 3.50-3.51.


3.62

Volgens het subonderdeel in randnummer 2.4.2-IV zou het hof hebben miskend dat de verstrekking van de volmachten ten behoeve van de vrouw de man niet zou ontslaan van zijn verplichting tot het verstrekken van informatie. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit het oordeel van het hof volgt dat de man ter onderbouwing van de banksaldi rekeningafschriften heeft overgelegd (rov. 4.10. en 4.25.). Het betoog van de vrouw houdt in dat er meer bankrekeningen zouden bestaan. Uit het oordeel van het hof volgt dat de man in dit kader volmachten heeft afgegeven aan een door de vrouw aangewezen notaris in Rusland en aan de Schotse advocaat mr. Caplan waarmee de vrouw de juistheid en volledigheid van die informatie kon controleren (rov. 4.14.(i). en 4.16.). Het hof heeft dus niet tot uitgangspunt genomen dat de volmachten de inlichtingenplicht vervangen, maar geoordeeld dat de vrouw met behulp van de volmachten kan controleren of de inlichtingen van de man een volledig beeld geven van het vermogen op de peildatum.


3.63

Volgens het subonderdeel in randnummer 2.4.2-V zou het hof voorbij hebben gezien aan het betoog dat in de periode 2009-2010 na de opname van de vrouw € 500.000,- op de gezamenlijke rekening is blijven staan, dat de man in de periode van maart 2009 tot en met november 2009 € 772.000,- aan inkomsten heeft genoten, zodat de man in die periode beschikte over € 1.272.000,- ten aanzien waarvan de man als verweer zou hebben aangevoerd dat het bedrag ‘op’ zou zijn. Het subonderdeel bepleit dat de man in het kader van de informatie- en verzwaarde stelplicht had moeten stellen en bewijzen waaraan dat bedrag is uitgegeven. Ook deze klacht treft geen doel. De man is immers niet gehouden rekening en verantwoording af te leggen (hiervoor 3.42). Verder heeft het hof de genoemde stellingen niet miskend. Het hof heeft in dat verband overwogen dat tussen partijen vast staat dat dure (onroerende en roerende) goederen zijn aangekocht en dat de man zich heeft verloren in drank, drugs en vrouwen (rov. 4.15.). Het hof heeft op die grond aannemelijk geacht dat aan dit leven een zeer ruim uitgavenpatroon is verbonden. Onbegrijpelijk acht ik die beoordeling niet.


3.64

Op voornoemde gronden slaagt het subonderdeel van randnummer 2.4.2 niet.


3.65

Het subonderdeel van randnummer 2.4.3 betreft de verwerping in rov. 4.14. van de vijfde grief en van de stelling dat de man onvoldoende gegevens in het geding heeft gebracht. Het subonderdeel valt in vijf klachten uiteen.


3.66

In randnummer 2.4.3-I wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof zou hebben miskend dat het in deze zaak primair gaat om de inlichtingenplicht van de man met betrekking tot het door hem gevoerde beheer en de aard en omvang van de boedel. Daarom zou de vrouw niet behoeven te stellen en bewijzen dat er op de peildatum meer vermogen was dan uit de door de man overgelegde stukken blijkt. Voldoende zou zijn dat de vrouw aannemelijk maakt dat de man zich onvoldoende van zijn informatieplicht heeft gekweten.


3.67

Deze klacht treft geen doel. Het oordeel van het hof houdt namelijk in dat de man ter onderbouwing van de banksaldi rekeningafschriften heeft overgelegd (hiervóór 3.45). De vrouw heeft echter aan haar vordering ten grondslag gelegd dat er meer bankrekeningen bestaan. De man heeft het bestaan van andere bankrekeningen naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat het op de voet van art. 150 Rv op de weg van de vrouw ligt om het bestaan van deze rekeningen te bewijzen.


3.68

Verder wordt in randnummer 2.4.3-I verdedigd dat er ingevolge de zogenoemde domeinleer op de man een verzwaarde stelplicht zou rusten en dat die domeinleer het hof er ook toe had moeten brengen de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid om te keren. In subonderdeel D(2) van het aanvullend verzoekschrift wordt daaraan toegevoegd dat de vrouw ook ter zitting aan de orde heeft gesteld dat het hof uitgaat van een onjuiste (verdeling van de) stelplicht en bewijslast. Ook die klachten slagen niet. De domeinleer komt erop neer dat de eisen die aan de stelplicht verbonden kunnen worden mede afhankelijk zijn van de vraag in wiens sfeer de betreffende informatie zich bevindt. In dit geval heeft de man echter gesteld dat er niet meer bankrekeningen bestaan. In het geval die stelling juist is, berust er ook niet meer informatie bij de man dan hij al heeft verstrekt. Naar het oordeel van het hof had de vrouw de mogelijkheid om met behulp van door de man verstrekte volmachten in Rusland en Schotland alle gegevens bij de betreffende banken op te vragen. De vrouw heeft de juistheid van haar stelling naar ’s hofs oordeel echter niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het hof niet op grond van de domeinleer tot een andere verdeling van de stelplicht en/of de bewijslast behoefde te komen.


3.69

Voorts acht randnummer 2.4.3-I onbegrijpelijk dat het hof de man niet heeft opgedragen om informatie te verstrekken met betrekking tot zijn inkomsten (salarissen en bonussen) uit de periode in Schotland. De vrouw verwijst in cassatie echter niet naar stellingen in de gedingstukken waarin een dergelijk verzoek is gedaan. Daar komt bij dat er, gezien het vastgestelde bestedingspatroon, niet van kan worden uitgegaan dat de inkomsten op de peildatum nog op de bankrekening aanwezig waren. Deze klacht treft daarom evenmin doel.


3.70

Tot slot heeft de vrouw in randnummer 2.4.3-I betoogd dat het hof voorbij zou hebben gezien aan haar gemotiveerde betoog dat zij in bewijsnood zou verkeren. Het hof heeft echter in rov. 4.14.(i). op dat betoog gerespondeerd. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat de man aan een door de vrouw aangewezen notaris volmacht heeft verschaft om alle afschriften van de bankrekeningen van de man bij de Gazprombank en de Citibank in de periode van 2006 tot en met 2010 op te vragen. Het hof is op die grond tot het oordeel gekomen dat de vrouw in staat moet worden geacht om in Rusland via de door haar ingeschakelde notaris alle gegevens bij deze banken op te vragen en op die wijze bewijs van haar stellingen bijeen te brengen. Naar het oordeel van het hof bestaat om die reden geen aanleiding om de man op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast te laten dragen. Daarmee heeft het hof ook het betoog over bewijsnood op toereikende gronden verworpen.


3.71

Het subonderdeel van randnummer 2.4.3-II betoogt dat het hof ten onrechte niet zou hebben gerespondeerd op de stelling van de vrouw dat uit de verklaring van de Russische advocaat Bauke van de Meer blijkt dat de door de man overgelegde bankafschriften in werkelijkheid betalingsoverzichten van een betaalkaart zijn. Verder zou uit die betalingsoverzichten niet kunnen worden afgeleid dat dit de enige rekening bij de Gazprombank is. Deze klacht faalt op dezelfde grond (hiervoor 3.70). Het hof heeft het betoog van de vrouw, dat de man onvoldoende gegevens zou hebben verstrekt over bankrekeningen in Rusland, onderkend. Het hof heeft echter geoordeeld dat de vrouw in staat moet worden geacht om op basis van de door de man verstrekte volmacht alle gegevens bij de Citibank en de Gazprombank op te vragen. Het hof behoefde daarom niet nader in te gaan op het betoog met betrekking tot de overgelegde betalingsoverzichten. Tot slot betoogt de klacht dat tegen de achtergrond van deze stelling, in samenhang met de hiervoor in randnummer 3.33 genoemde stellingen, niet kan worden vastgesteld dat de man een consistent beeld heeft gegeven van het inkomen en het vermogen. Die klacht slaagt evenmin. Het ligt immers op de weg van de vrouw om te stellen en bewijzen dat de door de man verstrekte inlichtingen een onvolledig beeld geven.


3.72

In het subonderdeel van randnummer 2.4.3-III wordt verwezen naar de stelling van de vrouw dat de man naar haar overtuiging van de aanvang af onjuiste en onware stellingen met betrekking tot de bankrekeningen heeft ingenomen. Volgens de klacht had het hof op grond van art. 21 Rv (in verbinding met art. 6:2 en 3:166 BW) daaraan de consequenties dienen te verbinden die hem geraden voorkomen. De klacht faalt. Art. 21 Rv voorziet, zoals gezegd, in een discretionaire bevoegdheid voor de rechter. Het oordeel van het hof houdt in dat de man (door het overleggen van bankafschriften en het afgeven van de volmachten) aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Bij die stand van zaken was er voor het hof geen reden om toepassing te geven aan art. 21 Rv.


3.73

Het subonderdeel van randnummer 2.4.3-IV strekt ten betoge dat het hof niet had mogen refereren aan de uitspraak in kort geding van 22 december 2015. Geen van partijen zou een beroep hebben gedaan op die uitspraak en het subonderdeel betoogt dat de vrouw daarom in staat had moeten worden gesteld hierop te reageren. Verder zou sprake zijn van een verboden aanvulling van de feiten en strijd met art. 19 Rv en art. 6 EVRM (recht op hoor en wederhoor).


3.74

De klacht is vergeefs voorgesteld. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 januari 2016 is de uitspraak van het hof in kort geding van 22 december 2015 bij die zitting door de voorzitter ter sprake gebracht (proces-verbaal p. 2, vijfde alinea). Verder heeft het hof zijn beslissing niet op de uitspraak in kort geding gegrond. Het hof heeft overwogen dat de man naar aanleiding van dit kort geding aan een door de vrouw aangewezen notaris volmacht heeft verstrekt om alle afschriften van de bankrekeningen van de man bij de Gazprombank en de Citibank in de periode van 2006 tot 2010 op te vragen. Die gang van zaken vindt echter grond in (het voorgedragen gedeelte van) de nadere toelichting van de vrouw zelf. De vrouw stelt daarin immers (p. 7-8): “Want in het kader van het tussen partijen in december 2014 en januari 2015 gevoerde executiegeschil is afgesproken dat de vrouw een notaris zou aanwijzen die eigenmachtig naar de Citibank en de Gazprombank zou gaan om (wederom) informatie op te vragen met betrekking tot de aldaar door de man aangehouden rekeningen in de periode 2006-2010. De vrouw verwachtte overigens weinig van deze exercitie, want het viel natuurlijk te verwachten dat de banken zodanig geïnstrueerd waren dat zij dezelfde informatie en stukken zouden voortbrengen als eerder rechtstreeks aan de man.” Dit betekent dat de klacht over de verwijzing door het hof naar de uitspraak in kort geding geen doel treft.


3.75

In het subonderdeel in randnummer 2.4.3-V wordt verdedigd dat het hof de vrouw bij tussenbeschikking in de gelegenheid had moeten stellen om de resultaten van het onderzoek van de Russische notaris en mr. Caplan in het geding te brengen. Daartoe verwijst de vrouw naar een passage in de pleitnota van mr. Kaandorp voor de mondelinge behandeling van 14 januari 2016 waarin zij aanbiedt om bankafschriften uit Schotland in het geding te brengen. Ook in zoverre faalt de klacht. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt namelijk dat van partijen mag worden verlangd dat zij relevante stukken zelf in het geding brengen en dat de rechter partijen daartoe niet in de gelegenheid behoeft te stellen.


3.76

Volgens het subonderdeel in randnummer 2.4.3-VI zou het hof ook in rov. 4.14.(ii). hebben miskend dat het de man is die inzage dient te verschaffen. Het hof zou in dat licht ten onrechte hebben overwogen dat de vrouw aan de getuigenverklaringen geen bewijs kan ontlenen. Het subonderdeel faalt in zoverre op de gronden genoemd in randnummers 3.45 en 3.67. Verder heeft het hof volgens dit subonderdeel miskend dat de vrouw bij de nadere toelichting bewijs heeft aangeboden van het bestaan van (nog) een eurorekening beginnend met 4260 en eindigend op 015. Deze klacht faalt. Van de partij die de bewijslast draagt, mag volgens rechtspraak van Uw Raad in hoger beroep een gespecificeerd bewijsaanbod worden verlangd. De vrouw heeft echter niet toegelicht welke concrete feiten en omstandigheden zij zou willen bewijzen die het bestaan van de genoemde rekening (kunnen) onderbouwen. Het hof heeft het bewijsaanbod daarom als onvoldoende specifiek mogen passeren. Tot slot wordt betoogd dat het hof pagina’s 1 tot en met 12 van de nadere toelichting in dit verband onbesproken laat. Deze klacht faalt aangezien niet wordt vermeld welke concrete (essentiële) stellingen het hof zou hebben gepasseerd.


3.77

Het subonderdeel in randnummer 2.4.3-VII richt zich tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.14.(ii). dat het enkele feit dat op de via de Russische notaris verkregen bankafschriften een nummer voorkomt met de eindcijfers 0000 onvoldoende is om te aanvaarden dat de man bij de Gazprombank een euro- of dollarrekening bezit en dat hetzelfde geldt als daarbij wordt betrokken de omstandigheid dat op de ABN Amro-rekening vanuit Rusland een rond bedrag groot € 100.000,- is ontvangen. De vrouw voert aan dat het hof ook had moeten ingaan op de door haar aangevoerde stellingen: (1) dat de tegenrekening bij ABN Amro een 4260 rekening was en dat van de -181 rekening 2 miljoen roebel is afgeschreven hetgeen net iets meer is dan wat er aan euro’s in een rond bedrag werd ontvangen en (2) dat de man naast een roebelrekening bij Gazprombank eindigend op -180 tenminste een tweetal (euro)rekeningen aldaar moet hebben gehad met als beginnummer 4260, waarvan er één eindigde op 000 en de ander op 015. Ook in zoverre faalt de klacht. In de klacht worden namelijk geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waaraan het hof de gevolgtrekking had kunnen of moeten verbinden dat de man op de peildatum een euro- of dollarrekening bij Gazprombank zou hebben gehad. Ditzelfde geldt voor de verwijzing naar de verklaring van Gazprombank, die vertaald is geciteerd op pagina 8 van de nadere toelichting, aangezien deze verklaring de stand van zaken op 2 maart 2015, en dus niet op de peildatum, omschrijft.


3.78

Het subonderdeel in randnummer 2.4.3-VIII betoogt het volgende: ‘Eveneens is onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rovv 4.14 (iii) en iv) met betrekking tot de bonussen in het licht van hetgeen de vrouw gesteld heeft in het appelschrift en het aanvullend appelschrift (en de media verwijzingen, mede ook de door Bauke van der Meer gemaakte verwijzing naar de woordvoerder van Zenit, zie in dit verband onder meer voetnoot 68 tot en met 70), in samenhang met hetgeen door haar naar voren is gebracht in de brief na getuigenverhoor van 6 mei 2016.’ Subonderdeel D(3) van het aanvullend verzoekschrift voegt daaraan toe dat de vrouw blijkens p. 6-9 van het proces-verbaal ook ter zitting uitvoerig heeft betoogd dat en waarom er meer bankrekeningen moeten zijn. Ook deze klachten bevatten geen verwijzingen naar concrete stellingen die het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk maken. De klachten treffen dus geen doel.


3.79

Het subonderdeel in randnummer 2.4.3-IX bevat een voortbouwende klacht tegen het passeren van het bewijsaanbod in rov. 4.14.(iv). Het subonderdeel bevat geen zelfstandige klacht en faalt daarom op de voornoemde gronden.


3.80

Het subonderdeel van randnummer 2.4.3 en de subonderdelen D(1) en D(2) falen.


3.81

Het subonderdeel van randnummer 2.4.4 komt op tegen de beslissingen in rov. 4.15.-4.17. In die overwegingen is geoordeeld dat de vrouw het hof er niet van heeft overtuigd dat er op de peildatum meer vermogen was dan uit de overge-legde bescheiden blijkt en de stelling verworpen dat de man gelden in Schotland en/of Engeland zou achterhouden. Het subonderdeel bevat vijf klachten.


3.82

Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-I behelst een voortbouwende klacht. Het subonderdeel betoogt dat het hof ook in rov. 4.15.-4.17. heeft miskend dat het aan de man is om voldoende inzicht te geven in het door hem gevoerde beheer en dat het niet aan de vrouw is om te stellen en te bewijzen dat er op de peildatum meer vermogen was dan de man stelt en er op de man een verzwaarde stelplicht van de tot zijn domein behorende stukken rust. Dit subonderdeel faalt op de hiervoor in randnummers 3.45 en 3.67-3.68 genoemde gronden.


3.83

Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-II bevat opnieuw de klacht dat de volmachtverlening de man niet ontslaat van zijn informatieverplichting en zijn verzwaarde stelplicht. Verder herhaalt het subonderdeel de klacht dat de man in het licht van de reconstructie van mr. Hoekstra inzichtelijk moet maken waaraan hij de bedragen heeft uitgegeven. De klachten missen doel om de hiervoor in randnummers 3.42 en 3.62-3.63 genoemde redenen.


3.84

Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-III verdedigt dat het hof ten onrechte de essentiële stelling zou hebben gepasseerd dat de volmacht van mr. Caplan niet bruikbaar zou zijn geweest. De vrouw heeft in dat kader gewezen op haar stelling dat de volmacht zou neerkomen op een ‘kattenbel’ met een enkele handtekening van de man eronder zonder dat deze was opgemaakt door een notaris en was voorzien van een apostille en dat de vrouw er daarom niets mee kon. Volgens de vrouw zou de man deze stelling slechts in algemene termen hebben weersproken. Ook deze klacht faalt. De vrouw heeft namelijk geen concrete stellingen betrokken of stukken overgelegd waaruit volgt dat de volmacht van mr. Caplan daadwerkelijk is geweigerd of onbruikbaar was. Verder staat het betoog haaks op de onbestreden vaststelling van het hof in rov. 4.17. dat uit het verrichte onderzoek is gebleken van het bezit van de man bij EBT.


3.85

Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-IV richt zich tegen de overwegingen met betrekking tot het uitgavenpatroon van de man. Het subonderdeel betoogt in dat kader opnieuw dat het hof de reconstructie van mr. Hoekstra niet buiten beschouwing had mogen laten. In dat kader is erop gewezen dat mr. Hoekstra in de reconstructie heeft aangegeven (i) dat het (conservatief berekende) huwelijkse inkomen van € 13.850.000,- is gebaseerd op de eigen uitlatingen van de man in zijn autobiografie, (ii) dat bij de reconstructie is uitgegaan van een bestedingspatroon van 25%, zijnde € 30.000,- per maand, dat de man die stelling niet voldoende heeft betwist en dat uit de afschriften uit de Schotse periode inderdaad blijkt van een maandelijkse consumptie van € 30.000,- en (iii) dat er geen rekening is gehouden met bonussen, overwaardes, aanvullende inkomsten uit reclames en uit het Trustfund alsmede bijstortingen. Deze klacht faalt op de gronden die zijn genoemd in randnummer 3.51. Tussen partijen is niet in geschil dat dure goederen zijn gekocht en dat de man zich in zijn Russische periode heeft uitgeleefd in drank, drugs en vrouwen. Het is daarom niet onaannemelijk dat het uitgavenpatroon hoger zal hebben gelegen dan de in de reconstructie aangehouden ‘redelijke uitgavencomponent’. Daarin ligt dus ook een betwisting van de reconstructie van mr. Hoekstra besloten. De vrouw beklaagt zich in dit subonderdeel voorts nog over het feit dat de door haar in het kader van de incidentele vordering gestelde vragen niet door het hof zijn behandeld. Ook die klacht slaagt niet. Het hof heeft namelijk in rov. 4.28. terecht en op zich onbestreden geoordeeld dat het stellen van vragen niet onder het bereik van (een incidentele vordering op de voet van) art. 843a Rv valt. Het hof behoefde daarom niet in te gaan op de in dat kader door de vrouw voorgelegde vragen.


3.86

Het subonderdeel in randnummer 2.4.4-V komt op tegen de overweging van het hof in rov. 4.15 met betrekking tot de stelling over het uitblijven van protest van de man na het overhevelen van grote bedragen naar de rekening van de vrouw in 2009. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat de man heeft uiteengezet dat hij niet heeft geprotesteerd omdat hij dacht dat het tussen de vrouw en hem nog wel goed zou komen. Het hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat deze door de vrouw aangevoerde omstandigheid minder gewicht in de schaal legt dan zij wil. Het subonderdeel acht die overweging onbegrijpelijk. Daartoe wordt erop gewezen dat de man heeft aangedrongen op een snelle uitspraak van de echtscheiding. De klacht faalt. Op het laatstbedoelde moment had de vrouw immers al het verzoek tot echtscheiding ingediend en was het dus (voor de man) duidelijk dat het niet meer goed zou komen. Verder wordt gewezen op de omstandigheid dat de man tegen de alimentatievordering heeft aangevoerd dat de vrouw na scheiding en deling zou kunnen leven van de opbrengsten van het vermogen. De vrouw heeft zich (voor zover uit het verzoekschrift blijkt) in feitelijke instanties in het kader van de verdeling niet op die stelling beroepen. Dit betekent dat het hof ook niet op die stelling behoefde in te gaan. Het subonderdeel van randnummer 2.4.4-V slaagt dus evenmin. Het subonderdeel van randnummer 2.4.4 is daarom vergeefs voorgesteld. Dit betekent dat onderdeel 4 in het geheel geen doel treft.


3.87

Het subonderdeel van randnummer 2.5 richt zich tegen de beslissingen in rov. 4.25. In die overweging is kort gezegd geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van het uitgangspunt dat moet worden gekeken naar hetgeen partijen op de peildatum bezaten en dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld voor de veronderstelling dat de aanwezige afschriften onjuist zouden zijn.


3.88

Het subonderdeel van randnummer 2.5.1 betoogt (opnieuw) dat het hof met dit oordeel zou hebben miskend dat het aan de man is om ter zake voldoende informatie te geven, dat op hem een verzwaarde stelplicht rustte en dat het hof zou zijn uitgegaan van een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast op dit punt. Dit subonderdeel faalt op de hiervoor in randnummers 3.45 en 3.67-3.68 genoemde gronden. Het subonderdeel van randnummer 2.5.1 slaagt dus niet.


Behandeling van een drietal aanvullende grondslagen


3.89

Het subonderdeel van randnummer 2.5.2 en het onderdeel van randnummer 2.6 betogen dat het hof een drietal grondslagen ten onrechte onbehandeld zou hebben gelaten.


3.90

Het subonderdeel van randnummer 2.5.2 betoogt in de eerste plaats dat het hof het beroep op een afwijking van de verdeling bij helfte op grond van de redelijkheid en billijkheid ex art. 1:100 BW onbehandeld zou hebben gelaten. Deze klacht faalt op de gronden genoemd in randnummers 3.54-3.55 hiervoor. De vrouw heeft ter onderbouwing van het beroep op art. 1:100 BW slechts aangevoerd dat een andere verdeling gezien het bestedingsgedrag van de man redelijk zou zijn. Zoals gezegd kan die stelling, ook indien juist, niet het oordeel dragen dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man zich jegens de vrouw beroept op een verdeling bij helfte.


3.91

Verder bepleit het subonderdeel van randnummer 2.5.2 dat het hof ten onrechte niet zou hebben beslist op het beroep van de vrouw op art. 1:164 BW (schadevergoeding bij benadeling van de huwelijkse gemeenschap) en art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). Deze klacht faalt eveneens. De vrouw heeft voor het eerst in de nadere toelichting een beroep gedaan op art. 1:164 BW en op art. 6:162 BW als grondslagen van de vordering. Verder heeft de vrouw voor het eerst in de nadere toelichting verzocht te bepalen dat de man schadevergoeding dient te betalen (hiervoor 3.23). Dit betekent dat in zoverre sprake is van een eisvermeerdering. Het hof heeft in rov. 4.5. geoordeeld dat de nadere toelichting buiten beschouwing blijft voor zover dit stuk een uitbreiding c.q. vermeerdering van de eis inhoudt. Naar mijn mening is de klacht tegen dat oordeel vergeefs voorgesteld (hiervoor 3.22). Dit betekent dat het hof niet inhoudelijk behoefde te beslissen op het beroep op art. 1:164 BW en op art. 6:162 BW. Dit betekent dat het subonderdeel van randnummer 2.5.2 vergeefs is voorgesteld.


3.92

Onderdeel 5 treft daarom geen doel.


3.93

Het onderdeel van randnummer 2.6 meent dat het hof zou hebben verzuimd te oordelen over de verdeling van de eenmanszaak en een Belgische, Nederlandse en twee Duitse bankrekeningen. Deze klacht slaagt evenmin. Ik licht dit toe.


3.94

Voor wat betreft de Belgische en Nederlandse bankrekening heeft de vrouw zich beroepen op de volgende stellingen op pagina 36 van het appelschrift: “De man beschikte op de peildatum tenminste nog over 1 bankrekening in België (hij was inmiddels aldaar woonachtig) bij de Citibank onder nummer [002] . Graag zou de vrouw zien, dat de man op dit punt (inzichtelijk maken van alle door hem aangehouden rekeningen in België op de peildatum) tot bewijslevering wordt verplicht, waarvan akte! De vrouw komt een beroep toe op het bepaalde ex artikel 3:194 lid 2 BW. Dit houdt meer concreet in, dat alle bij de Citibank België op de peildatum aanwezige banktegoeden aan de vrouw dienen te worden verbeurd (…). Los van dit alles heeft de vrouw inmiddels ook vernomen dat de man op de peildatum nog beschikte over 1 of meerdere privérekeningen bij de ING bank. De vrouw verzoekt uw gerechtshof de man ook op dit punt tot (tegen)bewijslevering te verplichten, waarvan akte!” Met betrekking tot de Duitse bankrekeningen heeft de vrouw erop gewezen dat zij op pagina 10 van de nadere toelichting in appel nog een tweetal (tot dat moment onbekende) bankrekeningen (bij Commerzbank en Deutsche bank) heeft benoemd en daarvan bewijs heeft overgelegd.


3.95

Uit het vorenstaande volgt dat de vrouw met betrekking tot een Belgische rekening bij Citibank en een Nederlandse ING-rekening aan het hof verzocht om de man te verplichten tot nadere bewijslevering en om te bepalen dat de vrouw een beroep toekomt op het bepaalde in art. 3:194 lid 2 BW. De vrouw heeft geen verdeling van deze bankrekeningen gevorderd. In het appelschrift wordt weliswaar verzocht om in algemene zin verdeling van de banksaldi per peildatum (petitum sub 11, subsidiair), maar niet gesteld is welke saldi op de genoemde Belgische rekening bij Citibank en de Nederlandse ING-rekening zouden staan. De man heeft het bestaan van de rekeningen betwist (voorgedragen verweerschrift, randnummer 138). Het heeft in de beschikking tot uitdrukking gebracht waarom er naar zijn oordeel geen grond is voor een omkering van de bewijslast (rov. 4.14.(i).) of voor de toepassing van art. 22 Rv (rov. 4.28.). Het verzoek van de vrouw om de man te verplichten tot nadere bewijslevering met betrekking tot de Belgische en Nederlandse bankrekening is daarmee niet miskend, maar naar mijn mening op toereikende gronden (voor wat betreft art. 22 Rv: randnummers 3.34-3.35 en 3.51 hiervóór en voor de verdeling van de bewijslast: randnummers 3.67-3.68 hiervóór) verworpen. Daarom kan in rechte niet worden uitgegaan van het bestaan van de rekeningen. Het hof was bij deze stand van zaken niet gehouden de gestelde Belgische rekening bij Citibank en Nederlandse rekening bij ING in de verdeling te betrekken. In zoverre treft het subonderdeel van randnummer 2.6 dus geen doel.


3.96

Voor wat betreft twee rekeningen bij de Duitse Commerzbank geldt het volgende. De nadere toelichting bevat een passage waarin is gesteld dat de man op de peildatum rekeningen bij de Commerzbank aanhield (pagina 10, derde alinea). Het hof heeft deze nadere toelichting echter geweigerd (rov. 4.5.) en de tegen die overweging gerichte klacht treft naar mijn mening geen doel (randnummer 3.20 hiervóór). Het hof heeft de vrouw wel toegestaan om de nadere toelichting ter zitting voor te dragen. De vrouw heeft de nadere toelichting daarop gedeeltelijk als pleitnota voorgedragen. De niet voorgedragen gedeelten zijn door het hof in de pleitnota weggestreept (rov. 4.5.). De passage met betrekking tot de Commerzbank is doorgehaald. Dit betekent dat deze passage ter zitting niet is voorgedragen en derhalve geen deel uitmaakt van de rechtsstrijd. Het hof behoefde om die reden niet te responderen op de passage uit de nadere toelichting over rekeningen bij de Commerzbank. Ook in zoverre is het onderdeel van randnummer 2.6 dus vergeefs voorgesteld.


3.97

Voor wat betreft het verzoek om de eenmanszaak te verdelen, heeft de vrouw in cassatie gewezen op de volgende passages uit haar processtukken. In het appelschrift heeft zij verzocht de eenmanszaak aan de man toe te scheiden onder verbeurte van de waarde van de eenmanszaak aan de vrouw, zijnde een bedrag ad € 225.000, althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag, althans subsidiair bij helft te verdelen (petitum sub 13). In de nadere toelichting heeft de vrouw daartoe onder meer gesteld dat de man het goedlopende café ‘Se7en’ naar eigen zeggen in 2009 heeft aangekocht voor € 225.000,-, dat de waarde van het café op de peildatum op dit bedrag dient te worden gesteld en dat het café ook beschikte over een zakelijke rekening, te weten [003] (nadere toelichting pagina 15, sub 7).


3.98

Bij de mondelinge behandeling is de waarde van het café op de peildatum aan de orde gekomen. Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat van de man hierover het volgende aangevoerd (pagina 4, laatste alinea en pagina 5, eerste alinea): “De man huurde bedrijfsruimte van Heineken, er waren kosten voor verbouwing en inrichting van het café. Er is betaald voor goodwill en inventaris. Het bedroeg € 30.000,- exclusief verbouwingskosten. De exploitatie van het café was rampzalig. De zoon van de vrouw was bedrijfsleider. Het is ontruimd en gesloten door de gemeente. Het voldeed niet aan het bouwbesluit, het plafond was te laag. Er was een huurschuld van € 80.000,- en de schuld aan Heineken deed mee in de verdeling. De man probeerde het café over te dragen. Er is € 15.000,- door een ander aan Heineken betaald. Die ander probeerde het café te exploiteren. Mr. Laus, de vorige raadsman van de vrouw, verhinderde dat. Men trof een vreemde man aan, maar dat was niet de bedoeling. De zoon van de vrouw, [getuige 5] , zou het café namelijk exploiteren. Lubeck was de beoogde koper, maar Heineken trok de stekker eruit. De zoon heeft zich in 2013 in het handelsregister ingeschreven. Hij exploiteert het café. Alles is gestript en de inventaris van de man is weg. De onderneming vertegenwoordigt dus geen waarde op de peildatum. De vrouw is overbedeeld in het kader van die verdeling. De man kon een onderhandse verkoop doen ten tijde van de sluiting door Heineken, maar de vrouw werkte niet mee. De man heeft € 80.000,- schuld voor zijn rekening genomen. Als blijkt dat de zoon het café om niet voortzet, dan is het flauw dat men in hoger beroep nog stelt dat het café nog tegen een waarde van € 225.000,- verdeeld dient te worden.” Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat de vrouw op deze stellingen heeft gerespondeerd.


3.99

Het hof heeft geen overwegingen gewijd aan het verzoek tot verdeling van de eenmanszaak. Daarover wordt naar mijn mening in het onderdeel van randnummer 2.6 terecht geklaagd. Mijns inziens kan die klacht echter niet tot cassatie leiden. Een afweging van de hiervoor genoemde stellingen moet tot de conclusie leiden dat de vrouw haar stellingen dat het café op de peildatum een bepaalde waarde vertegenwoordigde, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft immers niet gemotiveerd weersproken dat het café (kort gezegd) vooral geld kostte, niet mocht worden verkocht omdat het door de zoon van de vrouw werd geëxploi-teerd en om die reden op de peildatum geen waarde vertegenwoordigde. Onder deze omstandigheden kan het verzoek tot verdeling van de eenmanszaak niet leiden tot een andere beslissing dan het hof heeft bereikt (te weten, kort gezegd, bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank en afwijzing van het meer of anders gevorderde). Dit betekent dat het hier genoemde gedeelte van het onderdeel van randnummer 2.6 niet tot cassatie kan leiden.


3.100 Onderdeel 6 leidt dus niet tot cassatie.


3.101 Onderdeel E van het aanvullend verzoekschrift betoogt dat uit het proces-verbaal van de zitting zou volgen dat de vrouw openstaat voor een redelijke oplossing, maar dat daartoe geen mogelijkheid bestaat, omdat de man geen open kaart speelt. Het is mij niet duidelijk waarom dit betoog, wat daar ook van zij, zou afdoen aan de door het hof gegeven beschikking. Het onderdeel E faalt.


3.102 Het onderdeel van randnummer 2.7 bevat een voortbouwende klacht. Deze klacht heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige klachten. Het onderdeel van randnummer 2.7 is dus vergeefs voorgesteld.


Slotsom


3.103 Het vorenstaande zou meebrengen dat het cassatieberoep van de vrouw moet worden verworpen.


4Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.



De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden


A-G

1 Beschikking rechtbank Alkmaar 15 juli 2010, p. 1 (eerste alinea).
2 Beschikking rechtbank Alkmaar 15 juli 2010, p. 2 (dictum).
3 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 2.
4 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.1.
5 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 2.1 en beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 2.
6 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.1.
7 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 2.2.
8 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.1.
9 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 3 (derde alinea van onderen).
10 Brief van 10 februari 2010 van mr. H.C.A. de Groot aan de rechtbank, p. 1, derde alinea.
11 Brief van 14 januari 2013 van mr. L. Laus aan de rechtbank, p. 1 (tweede alinea) en p. 2 (derde alinea).
12 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 1 (alinea’s 1-3).
13 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.3.
14 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 1 (laatste alinea) en p. 2 (alinea’s 1-3).
15 Brief van 7 juni 2013 van mr. L. Laus aan de rechtbank met als productie 27 de betekende dagvaarding in kort geding.
16 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 2 (laatste drie alinea’s).
17 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 3 (één na laatste alinea).
18 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 3.2 en 3.3.
19 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 3 (laatste alinea).
20 In de beschikking is overwogen als volgt: ‘Van de zijde van de vrouw dient op de voet van artikel 9.2 van genoemd procesreglement nog een formulier – met producties – te worden overgelegd. Op grond van artikel 9.3 procesreglement scheiding zal de vrouw hiertoe nog één maal een termijn worden gegeven van vier weken.’ Zie beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 4 (derde en vierde alinea). Blijkens het procesreglement scheiding heeft art. 9.2 van dat reglement betrekking op het formulier ‘verdelen en verrekenen’.
21 Beschikking rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, p. 4 (vijfde alinea).
22 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 3.3.
23 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.5.
24 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 3.4 en 4.1.
25 Proces-verbaal van 21 augustus 2014, p. 5 (eerste en tweede alinea).
26 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.7.
27 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.7.
28 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.8 en 1.11.
29 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.9-1.10.
30 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.12.
31 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.13.
32 Beschikking rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, rov. 1.14-1.17.
33 Deze weergave is ontleend aan beschikking rechtbank Noord-Holland 18 maart 2015, rov. 1.3.
34 Deze zin maakt niet helemaal duidelijk of het genoemde bedrag van € 90.000,00 het geheel of de helft van de contanten in de kluis van Rabobank vormt. Uit de beschikking van het hof blijkt echter dat in deze kluis in totaal € 180.000,00 aan contanten aanwezig was (hierna 2.47).
35 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.2.
36 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.3.
37 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.5.
38 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 1.4.
39 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.5.
40 Beschikking hof Amsterdam 14 juni 2016, rov. 4.6.
42 Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 18 (memorie van toelichting).
43 Onder meer HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210 (Bureau Pals/L) en HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, NJ 2015/210 m.nt. H.J. Snijders (De Nieuwe Woning/Staat).
44 HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418 (Van Agt/Pessers), HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804, NJ 2014/418 (Persaud/Scharroo) en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/418 (L/Eimers en ASR).
45 HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/Huyton).
46 Vergelijk HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1524, NJ 1995/98.
47 Vergelijk HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1186, NJ 1990/732.
48 Proces-verbaal hof Amsterdam zitting 14 januari 2016, p. 3 (vijfde tekstblok).
49 Daartoe verwijst de klacht onder meer naar Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein & E.M. Wesseling-van Gent, Hoger beroep, Deventer: Kluwer 2012, nr. 245.
50 HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, NJ 2013/102 (Pinckaers/Weisz en Van Gelderen), HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0731, NJ 2013/102 en HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914, NJ 2013/102 m.nt. J.B.M. Vranken ( [… ] / [… ] ).
51 HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, NJ 2012/552.
52 HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders (mr. Wertenbroek q.q./Van den Heuvel) en HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2010/154 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders ( [… ] /NOM).
53 HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7201, NJ 2009/476 m.nt. H.J. Snijders ( [… ] / [… ] ), HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 2009/476, HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 2009/476 m.nt. M.M. Mendel (Fraser & Co/Bruinisse BV) en HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 2009/476 (mr. Vermeulen q.q./Nationale-Nederlanden).
54 HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, NJ 2012/157, HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2012/157 ( [… ] / [… ] ) en Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Cassatie, Deventer: Kluwer 2015, nr. 265 met verwijzing naar onder meer HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 2012/157 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 2012/157, HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1242, NJ 2012/157, HR 2 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8207, NJ 2012/157 (Dijkstra/mr. Kemperink q.q.) en HR 2 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8075, NJ 2012/157.
55 HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264, NJ 2013/288 m.nt. H.B. Krans (Snuut BV/Optiver Holding) en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263, NJ 2013/288 (ABN Amro/A).
56 De vrouw verwijst daartoe naar p. 23-26 en p. 61-70 van het appelschrift en naar p. 5-8 van de nadere toelichting en productie 76.
57 De vrouw verwijst daartoe naar p. 8 van het appelschrift en producties 44, 48, 53 en 82.
58 De vrouw verwijst daartoe naar p. 6, 32 en 44 van het appelschrift en p. 8 (punt 13) van het p-v van het getuigenverhoor d.d. 21 januari 2016.
59 De vrouw verwijst daartoe naar p. 11, 12, 15, 16, 22 en 50-51 van het appelschrift.
60 De vrouw verwijst daartoe naar p. 17 van het appelschrift, p. 6-9 van de nadere toelichting en p. 7-10 van de brief van mr. Kaandorp d.d. 6 mei 2016.
61 De vrouw verwijst daartoe naar p. 31-32 en 60-63 van het appelschrift, p. 20-22, p. 2, 5 en voetnoot 2 van de brief van mr. Kaandorp d.d. 6 mei 2016, p. 114-115 van de gedeponeerde (auto)biografie en naar productie 69.
62 Parlementaire Geschiedenis Herziening Rechtsvordering, p. 155 (memorie van toelichting).
63 De vrouw verwijst daartoe naar p. 20-22, 37-38, 41-42 en 50 van het appelschrift.
64 De vrouw verwijst daartoe naar p. 56-64 en 66 van het appelschrift en de brief van mr. Kaandorp d.d. 21 december 2015 met de bijbehorende productie 82.
65 De vrouw verwijst daartoe naar p. 6, 40-41, 48-49 en punt 11 van het petitum van het appelschrift.
66 De vrouw verwijst daartoe naar punt 12 (primair) van het petitum.
67 Kamerstukken II 2002-2003, 28867, 3, p. 15-16.
68 Zie hierover ook Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:83 BW (J.H. Lieber, voorheen A.L.G.A. Stille), aant. A2, A3 en 1 alsmede Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (deel 1-II), Deventer: Kluwer 2016, nr. 141.
69 Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), Stb. 2011, nr. 205.
70 Dit artikel is op zijn beurt gebaseerd op de uitspraak HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338 m.nt. E.A.A. Luyten (Hotel Jan Luyken).
71 Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (deel 1-II), Deventer: Kluwer 2016, nr. 141 met verwijzing naar W.D. Kolkman, F.R. Salomons & L.C.A. Verstappen, Parlementaire geschiedenis Moderniserings-wetgeving huwelijksvermogensrecht, Derde tranche, Deventer: Kluwer 2012, p. 135.
73 De vrouw verwijst daartoe naar p. 11-13, 15, 63 en 77 van het appelschrift.
74 HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050, NJ 2014/129 m.nt. S.F.M. Wortmann. ( [… ] / [… ] ).
75 HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1393, RvdW 2013/1395, HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748, NJ 2013/450, HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2013/450 m.nt. S.F.M. Wortmann, Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:100 BW (B.E. Reinhartz), aant. 3 en 7 alsmede Asser/J. de Boer, W.D. Kolkman en F.R. Salomons, Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven (deel 1-II), Deventer: Kluwer 2016, nr. 359.
76 Vergelijk in dat verband HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 m.nt. S.F.M. Wortmann.
78 Zie in dat verband bijvoorbeeld HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106, NJ 2012/603 m.nt. H.J. Snijders ( [… ] / [… ] ).
79 HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174.
80 HR 9 juli 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser (OZ Export Planten/Roozen Holland).
81 Vergelijk HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, RvdW 2010/1328.
82 De vrouw verwijst in dat kader naar p. 57-58 van het appelschrift.
83 De vrouw verwijst in dat kader naar p. 5-9 en 57-70 van het appelschrift.
84 De vrouw verwijst in dat kader naar p. 53-54 van het appelschrift.
85 De vrouw verwijst daartoe naar p. 16 en 50 van het appelschrift.
86 De vrouw verwijst daartoe naar p. 11, 12 en 50-51 van het appelschrift.
87 De vrouw verwijst daartoe naar p. 49 van het appelschrift.