Rechtbank Den Haag, 22-02-2016 / AWB - 15 _ 2566


ECLI:NL:RBDHA:2016:2965

Inhoudsindicatie
Eiseres exploiteerde een discotheek. Na een boekenonderzoek heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat eiseres zwarte lonen heeft betaald en de ontvangsten niet tot de juiste bedragen heeft verantwoord. Verweerder heeft daarom naheffings- en navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. In geschil is of dit terecht is en of daarbij omkering van de bewijslast geldt. De rechtbank oordeelt op feitelijke gronden dat de bevindingen van verweerder juist zijn en dat de verschillen tussen de verantwoorde en de werkelijke omzetten dusdanig groot zijn dat omkering van de bewijslast geldt. De naheffingsaanslagen blijven in stand. Anders dan verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat de nageheven loonheffing in mindering komt op de winst voor de vennootschapsbelasting. De navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting worden daarom verminderd. Aangaande de vergrijpboeten oordeelt de rechtbank dat eiseres, met name vanwege het betalen van zwarte lonen, willens en wetens omzet heeft verzwegen. De boeten zijn terecht opgelegd. Wel worden de boeten gematigd en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2016-02-22
Publicatiedatum
2016-04-28
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2566
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2016/939
  • FutD 2016-1123
  • NTFR 2016/1541 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
Uitspraak Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht


zaaknummer: SGR 15/2566


uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2016 in de zaak tussen

[X] B.V., [Y] B.V., gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),


en


de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 (het naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en bij daartoe strekkende beschikkingen een boete opgelegd van € 14.617 en € 3.156 aan belastingrente in rekening gebracht.


Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 4 maart 2015 de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.


Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2015.

Namens eiseres is [persoon A] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon G] .


Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van [Z] B.V. met de zaaknummers SGR 15/2465, SGR 15/2469, SGR 15/2471 en SGR 15/2474 betreffende de aan die vennootschap opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2009 en de beroepen van [persoon A] met de zaaknummers SGR 15/2467, SGR 15/2470, SGR 15/2473 en SGR 15/2476, betreffende de aan hem voor dezelfde jaren opgelegde navorderingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt tevens geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.



Overwegingen


Feiten

1. [W] B.V. ( [W] ), [Y] B.V. en [V] B.V. zijn een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. [W] is opgericht in 1980 en exploiteerde een discotheek die gedurende het naheffingstijdvak was gevestigd in [plaats] .


2. Op 23 augustus 2011 is verweerder begonnen aan een boekenonderzoek bij eiseres. Doel van het onderzoek was onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de aangiftetijdvakken binnen het naheffingstijdvak. Van het onderzoek heeft verweerder op 25 april 2012 het controlerapport uitgebracht dat in kopie tot de gedingstukken behoort. In het controlerapport wordt onder meer geconcludeerd dat niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht, dat de ontvangsten niet tot de juiste bedragen zijn geboekt en dat er lonen en artiestenvergoedingen zijn uitbetaald die niet in de administratie zijn verantwoord en waarop geen loonheffingen zijn ingehouden. Volgens het controlerapport is de administratie daarom verworpen en is de omzet opnieuw berekend op basis van inkopen, geschatte brutomarges, geschatte bezoekersaantallen, entreeprijzen en verkoopprijzen van dranken en snacks. Op pagina 21 van het controlerapport is het volgende overzicht opgenomen:


Totale correcties omzetbelasting


2006 2007 2008 2009
Omzet 7.565 -2.272 20.812 15.675
Onderhoudskosten 4.196
Kranten 23 27 29 27
Totale correctie 11.784 -2.245 20.841 15.702

3. Op basis van de bij het boekenonderzoek opgedane bevindingen heeft verweerder eiseres voor het naheffingstijdvak de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 34.298 (/ € 2.245 (2007) + € 20.841 (2008) + € 15.702 (2009)).


Geschil 4.In geschil is of de naheffingsaanslag en de beschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd dan wel gegeven. Meer specifiek ligt de vraag voor of sprake is van omkering van de bewijslast. In het kader van de boete ligt voorts de vraag voor of het aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is betaald.


5. Eiseres stelt dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is omdat geen informatiebeschikking is gegeven en omdat de administratie aan de eisen voldeed en bij eerdere onderzoeken ook nooit is aangegeven dat dit niet het geval was. Verder stelt eiseres dat verweerder voor de geschatte bezoekersaantallen geen rekening heeft gehouden met de crisis vanaf 2007 en het in 2008 van kracht geworden rookverbod en bovendien is uitgegaan van ramingen uit het haalbaarheidsonderzoek dat is uitgevoerd met het oog op een eventuele bedrijfsverplaatsing. Tot slot stelt eiseres nog dat er voor het aannemen van zwarte lonen onvoldoende aanwijzingen zijn.


6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de beschikkingen terecht zijn afgegeven. Verweerder stelt dat de administratie ernstige gebreken vertoonde en dat essentiële bescheiden daarin ontbraken. De omzet is daarom opnieuw berekend op de wijze als vermeld in overweging 9 van deze uitspraak. De op die wijze berekende omzet wijkt in zowel absolute als relatieve zin dermate af van de verantwoorde omzet, dat moet worden geconcludeerd dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, met omkering van de bewijslast tot gevolg, aldus verweerder.


Beoordeling van het geschil

7. Op grond van artikel 25, derde lid, en 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geldt omkering van de bewijslast als de vereiste aangifte niet is gedaan of als sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking.


8. Aan eiseres is geen informatiebeschikking gegeven. Verweerder stelt dat omkering van bewijslast geldt omdat de door eiseres over het naheffingstijdvak verantwoorde omzet absoluut en relatief dermate lager is dan de werkelijke omzet, dat moet worden geoordeeld dat eiseres de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Verweerder baseert zich daarbij op de bevindingen uit het boekenonderzoek. In het controlerapport is onder meer een overzicht gegeven van personen van wie na het boekenonderzoek is gebleken dat zij voor eiseres optredens hebben verzorgd of werkzaamheden hebben verricht, maar wier namen niet voorkwamen in de loonadministratie, terwijl in de administratie ook geen vergoedingen voor deze optredens en werkzaamheden zijn verantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat er zwarte lonen zijn betaald en dat er, om deze lonen te kunnen betalen, ook omzet moet zijn behaald die niet in de administratie is verantwoord. Dit wordt ondersteund door de in het controlerapport weergegeven tekortkomingen in de kasadministratie. De kasadministratie bevatte onjuistheden en de bijlage bij het controlerapport bevat een overzicht van de dagen waarop volgens de kasadministratie geen omzet werd behaald en er wel pinbetalingen binnenkwamen of waarop geen omzet zou zijn behaald maar er wel een optreden plaatsvond. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvangsten niet tot de juiste bedragen zijn geboekt. Eiseres heeft hetgeen verweerder dienaangaande heeft aangevoerd slechts summier weersproken en daarmee onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel kunnen leiden.


9. Bij het berekenen van de theoretische omzet is verweerder uitgegaan van 60.000 bezoekers per jaar. In het controlerapport is onder meer vermeld dat op grond van de veiligheidsvoorschriften in de discotheek maximaal 620 bezoekers aanwezig mochten zijn, – hetgeen leidt tot een maximum bezoekersaantal van ongeveer 64.000 per jaar – maar dat dit aantal regelmatig ruim werd overschreden. Eiseres heeft dit niet weersproken en de rechtbank acht het door verweerder aangehouden bezoekersaantal van 60.000 dan ook niet te hoog. De omzetberekeningen van verweerder resulteren voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 in brutowinstpercentages van respectievelijk 375, 336, 311 en 311 en uiteindelijk in omzetcorrecties van respectievelijk € 300.628, € 167.568, € 305.317 en € 289.337. De rechtbank heeft geen reden om aan de aanvaardbaarheid van deze berekeningen te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat de verschillen tussen de verantwoorde omzet en de vermoedelijk werkelijke omzet dusdanig groot zijn, dat moet worden geoordeeld dat deze gebreken ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat derhalve de vereiste aangiften niet zijn gedaan.

Voorts acht de rechtbank op grond van de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor onder 8 weergegeven, aannemelijk dat eiseres bewust omzet moet hebben verzwegen en daarom wist of zich ervan bewust moet zijn geweest dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit heeft tot gevolg dat omkering en verzwaring van de bewijslast geldt en het beroep ongegrond moet worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar en daarmee de naheffingsaanslag onjuist is.


10. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft zij, naar het oordeel van de rechtbank, niet doen blijken dat de uitspraak op bezwaar en daarmee de naheffingsaanslag onjuist is en ook anderszins is dat niet gebleken. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder de omzetcorrecties nog heeft verminderd met 25 procent voor verlies en afval en dat de omzetcorrecties uiteindelijk leiden tot een besteding per bezoeker die in lijn ligt met een daarvan bekend landelijk gemiddelde. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. In zoverre is het beroep dus ongegrond.


11. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft verweerder eiseres een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 14.617. Verweerder dient te bewijzen dat eiseres het vergrijp dat tot het opleggen aanleiding gaf heeft gepleegd. Verweerder heeft daarvoor aangevoerd dat eiseres haar administratieve verplichtingen niet is nagekomen en het daarom aan (voorwaardelijk) opzet van eiseres is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is betaald.


12. Op grond van de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden, met name die op grond waarvan is geoordeeld dat er zwarte lonen zijn uitbetaald, acht de rechtbank bewezen dat eiseres willens en wetens omzet moet hebben verzwegen. Dit kan tot geen ander oordeel leiden dan dat het aan opzet van eiseres is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is betaald. Verweerder heeft daarom terecht een vergrijpboete opgelegd. De rechtbank acht de boete passend en geboden. In de loop van het geding heeft verweerder zich evenwel op het standpunt gesteld dat er redenen zijn om de boete te matigen en dat deze moet worden verminderd met 10 procent. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Feiten en omstandigheden die tot verdere matiging aanleiding zouden kunnen geven zijn gesteld noch gebleken. In zoverre is het beroep derhalve gegrond.


13. Daarnaast dient de boete te worden verminderd in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. De boete is aangekondigd in het controlerapport van 25 april 2012. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak op 22 februari 2016. Op dat moment zijn afgerond drie jaren en tien maanden verstreken sinds de aankondiging. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden. Gelet daarop dient de boete nader te worden verminderd met 15% tot een bedrag van € 11.182 (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 en Hof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298).


14. Tegen het in rekening brengen van de belastingrente heeft eiseres geen gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Voor zover het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen de rentebeschikking is het dus ongegrond.


15. Op grond van het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard, dienen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking te worden gehandhaafd en dient de boete te worden verminderd tot € 11.182.


Proceskosten

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat zij de onderhavige zaken en de zaken van [Z] B.V. met de zaaknummers SGR 15/2465, SGR 15/2469, SGR 15/2471 en SGR 15/2474 en de zaken van [persoon A] met de zaaknummers SGR 15/2467, SGR 15/2470, SGR 15/2473 en SGR 15/2476 aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 744 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken). De rechtbank rekent deze kosten voor een negende deel, derhalve € 83, toe aan de zaken van eiseres. Voor het vergoeden van de kosten van het bezwaar is geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat tijdens de bezwaarfase om vergoeding daarvan is verzocht. Voor een hogere kostenvergoeding ziet de rechtbank voorts geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op de boetebeschikking;
  • - verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de boetebeschikking;
  • - wijzigt de boetebeschikking en vermindert de boete tot € 11.182;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 83;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, voorzitter, mr. S.E. Postema en mr. S.E. Faber, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2016.



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.