Rechtbank Den Haag, 29-11-2018 / AWB - 18 _ 2593


ECLI:NL:RBDHA:2018:14486

Inhoudsindicatie
Eiseres is bij brief van 12 februari 2018 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 februari 2018. In deze brief is vermeld dat onderhavig bezwaarschrift tijdens het hoorgesprek zal worden behandeld. Niet in geschil is dat op 19 februari 2018 daadwerkelijk een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de gemachtigde en verweerder. Aldus heeft verweerder voldaan aan zijn hoorplicht. Dat als gevolg van onenigheid over andere op deze datum te bespreken bezwaren onderhavig bezwaar uiteindelijk niet is besproken, maakt niet dat geen sprake is geweest van een hoorgesprek. Onder deze omstandigheden is geen sprake van schending van de hoorplicht. Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van een auto. Een niet ex-rental auto bevindt zich dan ook niet in een concurrentieverhouding tot ex-rental auto’s als bedoeld in het arrest van 19 december 2013 (C-437/12) van het HvJ EU. Evenmin kan worden gesteld dat sprake is van eenzelfde gebruikte staat als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:45). Niet is in geschil dat tussen partijen de afspraak bestaat dat indien aangifte wordt gedaan op basis van een koerslijst AutotelexPro een waardevermindering van 5% wordt toegepast, omdat bij gebruik van genoemde koerslijst niet kan worden vastgesteld of sprake is van een BTW- dan wel van een margevoertuig. Ter zitting heeft verweerder het bestaan van deze afspraak desgevraagd ook meerdere keren bevestigd. Vast staat dat in deze zaken aangifte is gedaan op basis van een koerslijst AutotelexPro, zodat de 5%-regeling op zichzelf geacht moet worden van toepassing te zijn. Verweerder heeft onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat deze afspraak in deze zaken toepassing mist. Ook in andere zaken waarin de 5%-regeling wel is toegepast, zal immers bewust zijn gekozen voor een koerslijst Autotelexpro Uit artikel 26 Awr volgt dat een beroep tegen de voldoening op aangifte uitsluitend betrekking kan hebben op de hoogte van de materiële belastingschuld. De renteschade die eiseres stelt te hebben geleden doordat zij de belasting heeft moeten voldoen voordat registratie in het kentekenregister plaatsvindt, vindt niet zijn grondslag in de hoogte van de verschuldigde belasting maar in het moment van de betaling daarvan. Voor het gestelde rentenadeel dient eiseres zich dan ook tot de civiele rechter te wenden. De stelling van eiseres dat bij een binnenlands voertuig de belasting niet behoeft te worden voldaan voordat registratie plaatsvindt, wat daar overigens van zij, en dat reeds daarom sprake is van schending van artikel 110 VWEU op grond waarvan het door haar gestelde rentenadeel onderdeel uitmaakt van onderhavige procedure, leidt niet tot een ander oordeel. Dit artikel zegt immers niets over het tijdstip van betaling van de belasting en een eventueel daaruit voortvloeiend rentenadeel. De schadevergoedingsplicht zoals die is geformuleerd in het Irimie-arrest bestaat dan ook alleen indien in strijd met het Unierecht teveel belasting is voldaan. Ook in het Grundig-arrest kan geen steun worden gevonden voor de stelling dat een eventuele rentevergoeding in deze zaak aan de orde gesteld kan worden.
Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2018-11-29
Publicatiedatum
2019-03-07
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2593
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Viditax (FutD), 07-03-2019
  • FutD 2019-0684
  • V-N Vandaag 2019/554
Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/2593 en SGR 18/2595

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

29 november 2018 in de zaken tussen

[eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),


en


de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.



De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 2 maart 2018 op de bezwaren van eiseres tegen de op 22 november 2017 en 12 december 2017 op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).


Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde, bijgestaan door [X]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.G.M. Schepper en G. Genç.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt het recht op teruggaaf vast op € 849 (€ 206 in de zaak 18/2593 en € 643 in de zaak 18/2595) en bepaalt dat deze beslissing in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002.


Overwegingen

1. Eiseres heeft aangiften Bpm gedaan voor de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een [auto 1] en een [auto 2] (de auto’s). De aangiften zijn gedaan aan de hand van een koerslijst van AutotelexPro. Op 22 november 2017 en 12 december 2017 heeft eiseres de volgens de aangiften verschuldigde Bpm van € 4.115 respectievelijk € 12.855 voldaan.


2. Eiseres heeft op 29 december 2017 bezwaar gemaakt en daarin onder meer gesteld dat de aangiften zijn gedaan aan de hand van een X-ray koerslijst voor een BTW-voertuig en een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank van 20 februari 2014.


3. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar geconcludeerd dat eiseres in bezwaar ten onrechte ervan is uitgegaan dat de aangiften zijn gedaan op basis van een X-ray koerslijst voor een BTW-voertuig en dat in bezwaar niet een X-ray koerslijst is overgelegd. Verweerder acht het aannemelijk dat bij de aangiften reeds het voordeligste tarief is gekozen en heeft daarop de bezwaren ongegrond verklaard.


4. Eiseres stelt dat de hoorplicht is geschonden omdat tijdens de bijeenkomst met verweerder op 19 februari 2018 uiteindelijk toch geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Eiseres stelt voorts dat voor de waardebepaling van de auto’s mag worden uitgegaan van de waarde van zogenoemde ex-rentalvoertuigen (ex-rentals) en dat daarom een teruggaaf van 10% dient te worden verleend. De bewijslast dat dit percentage onjuist is, rust volgens eiseres op verweerder. Daarnaast dient een teruggaaf van belasting te worden toegekend op grond van de 5%-regeling. De 5%-regeling houdt in dat is afgesproken dat bij aangiften op basis van een koerslijst van AutotelexPro een teruggaaf van 5% van de voldane belasting wordt verleend. Eiseres stelt verder dat niet alleen rente dient te worden vergoed over een eventuele teruggaaf, maar dat ook rente dient te worden vergoed over de periode gelegen tussen de voldoeningen op aangifte en de registratie van de auto’s in het kentekenregister. Die periode beslaat volgens eiseres ten minste 14 dagen. Eiseres acht het in strijd met artikel 110 VWEU dat voor een auto afkomstig uit een andere lidstaat de belasting moet worden voldaan voordat de registratie plaatsvindt, terwijl bij de aanschaf van een nieuwe auto in Nederland de belasting moet worden voldaan op het moment van de registratie. Eiseres wijst in dit kader op het arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) van 17 juni 1998, C‑68/96, Grundig Italiana SpA, ECLI:EU:C:1998:299 (Grundig-arrest).


5. Verweerder stelt dat geen sprake is van schending van de hoorplicht omdat eiseres ervan heeft afgezien om te worden gehoord. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de bewijslast dat sprake is van waardeverminderende factoren op eiseres rust, zodat het aan haar is aannemelijk te maken dat zij te veel belasting op de aangiften heeft voldaan. Het zijn van een ex-rental is weliswaar een waardeverminderende factor, maar dit kan alleen een rol spelen als de auto waarvoor aangifte wordt gedaan ook zelf een ex-rental is. De 5%-regeling acht verweerder niet van toepassing, omdat eiseres bewust ervoor heeft gekozen aangifte te doen op basis van een koerslijst AutotelexPro. Verder stelt verweerder dat indien sprake is van belastingheffing in strijd met het EU-recht, de in verband daarmee verschuldigde rente ingevolge artikel 28c Invorderingswet niet door hem moet worden vergoed maar dat eiseres zich daarvoor tot de ontvanger moet wenden. Voor wat de vergoeding van rente over een mogelijke te vroege betaling betreft, conformeert verweerder zich aan het oordeel van de rechtbank.


hoorplicht

6. Eiseres is bij brief van 18 januari 2018 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 13 februari 2018. In genoemde brief is vermeld dat onderhavig bezwaarschrift tijdens het hoorgesprek zal worden behandeld. Op 8 februari 2018 heeft tussen eiseres en verweerder een telefoongesprek plaatsgevonden, waarbij de afspraak is gemaakt dat het hoorgesprek zal plaatsvinden op 19 februari 2018. Eiseres is daarop bij brief van 12 februari 2018 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 februari 2018. Ook in deze brief is vermeld dat onderhavig bezwaarschrift tijdens het hoorgesprek zal worden behandeld. Niet in geschil is dat op 19 februari 2018 daadwerkelijk een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de gemachtigde en verweerder. Aldus heeft verweerder voldaan aan zijn hoorplicht. Dat als gevolg van onenigheid over andere op deze datum te bespreken bezwaren onderhavig bezwaar uiteindelijk niet is besproken, maakt niet dat geen sprake is geweest van een hoorgesprek. Onder deze omstandigheden is geen sprake van schending van de hoorplicht.



ex-rentals

7. In zijn arrest van 19 december 2013, nr. C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, heeft het HvJ met betrekking tot de vraag wanneer voertuigen gelijksoortig zijn het volgende overwogen:


“Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C‑101/00, Jurispr. blz. I-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, Jurispr. blz. I-7585, punten 29 en 37).”


8. In zijn arrest van 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:


“2.4.2. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, teneinde te voldoen aan artikel 110 VWEU, bij de berekening van de waardedaling van de referentieauto moet worden uitgegaan van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat door een particulier is aangekocht (…) en anderzijds van de prijs waarvoor de referentieauto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde bpm moet worden bepaald, door een handelaar van een particulier wordt aangekocht (vgl. het arrest BNB 2009/273, onderdeel 3.3, het arrest BNB 2009/273, onderdeel 3.5.3, en het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2014, nr. 13/02558, ECLI:NL:HR:2014:2707, BNB 2009/273, onderdeel 3.6.2).”


9. Het zijn van een ex-rental is naar het oordeel van de rechtbank een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van een auto. Een niet ex-rental auto bevindt zich dan ook niet in een concurrentieverhouding tot ex-rental auto’s als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van het HvJ. Evenmin kan worden gesteld dat sprake is van eenzelfde gebruikte staat als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad.

De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar stelling dat ook bij de waardebepaling van een niet ex-rental moet worden uitgegaan van de waarde van een in Nederland aanwezige ex-rental.


10. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 21 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1695) volgt dat op de belastingplichtige, die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte voldane Bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, bij betwisting door verweerder, aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Eiseres heeft echter niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto’s ex-rentals zijn. Het beroep is dan ook in zoverre ongegrond.


5%-regeling

11. Niet is in geschil dat tussen partijen de afspraak bestaat dat indien aangifte wordt gedaan op basis van een koerslijst AutotelexPro een waardevermindering van 5% wordt toegepast, omdat bij gebruik van genoemde koerslijst niet kan worden vastgesteld of sprake is van een BTW- dan wel van een margevoertuig. Ter zitting heeft verweerder het bestaan van deze afspraak desgevraagd ook meerdere keren bevestigd.


12. Vast staat dat in deze zaken aangifte is gedaan op basis van een koerslijst AutotelexPro, zodat de 5%-regeling op zichzelf geacht moet worden van toepassing te zijn. Verweerder heeft onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat deze afspraak in deze zaken toepassing mist. Ook in andere zaken waarin de 5%-regeling wel is toegepast, zal immers bewust zijn gekozen voor een koerslijst Autotelexpro. Het beroep is dan ook in zoverre gegrond. De rechtbank berekent de teruggaaf in zaaknummer 18/2593 op € 206 en in zaaknummer 18/2595 op € 643, derhalve in totaal op € 849.


rentevergoeding over de teruggaaf

13. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eiseres in eerste instantie meer Bpm heeft voldaan dan zij volgens het Unierecht verschuldigd was. Uit het arrest van het HvJ van 18 april 2013, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (Irimie-arrest) volgt dat het een aangelegenheid van nationaal recht is van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de rentevergoeding moet worden betaald die een lidstaat verschuldigd is omdat belasting in strijd met het Unierecht is geheven. De wetgever heeft dan ook ervoor mogen kiezen deze rentevergoeding via de ontvanger te laten lopen (Hoge Raad 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341). De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 september 2018 (nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790) geoordeeld dat artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (Iw) als bijzondere regeling voorrang heeft op de algemene regels die de belastingrechter de bevoegdheid geven schadevergoeding toe te kennen en dat de rechter niet bevoegd is de inspecteur op te dragen deze rente te vergoeden. In dit arrest heeft de Hoge Raad tevens geoordeeld dat de in artikel 28c Iw opgenomen voorwaarden voor toekenning van Irimie-rente niet in strijd zijn met het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2018 (nr. 17/01548, ECLI:NL:HR:2018:583) volgt dat evenmin kan worden gesteld dat de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie verleende recht op rentevergoeding aldus in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De wetgever heeft de verplichting tot vergoeding van rente wegens met het Unierecht strijdige belastingheffing dus kunnen en mogen neerleggen bij de ontvanger, zodat de rechtbank eiseres niet volgt in haar stelling dat verweerder die rente dient te vergoeden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat de rechtbank niet bevoegd is in een procedure tegen de inspecteur te oordelen over de werking van artikel 28c Iw (zie Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341). Het beroep is dan ook ongegrond voor zover dit ziet op de rentevergoeding op de voet van artikel 28c Iw.


rentevergoeding in verband met tijdstip betaling

14. Ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan bij de bestuursrechter alleen beroep worden ingesteld tegen een belastingaanslag of tegen een voor bezwaar vatbare beschikking. Het tweede lid van artikel 26 Awr bepaalt dat de voldoening op aangifte van een belastingbedrag voor de mogelijkheid van beroep gelijk gesteld wordt met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Daaruit volgt dat een beroep tegen de voldoening op aangifte uitsluitend betrekking kan hebben op de hoogte van de materiële belastingschuld. De renteschade die eiseres stelt te hebben geleden doordat zij de belasting heeft moeten voldoen voordat registratie in het kentekenregister plaatsvindt, vindt niet zijn grondslag in de hoogte van de verschuldigde belasting maar in het moment van de betaling daarvan. Voor het gestelde rentenadeel dient eiseres zich dan ook tot de civiele rechter te wenden. De stelling van eiseres dat bij een binnenlands voertuig de belasting niet behoeft te worden voldaan voordat registratie plaatsvindt, wat daar overigens van zij, en dat reeds daarom sprake is van schending van artikel 110 VWEU op grond waarvan het door haar gestelde rentenadeel onderdeel uitmaakt van onderhavige procedures, leidt niet tot een ander oordeel. Dit artikel zegt immers niets over het tijdstip van betaling van de belasting en een eventueel daaruit voortvloeiend rentenadeel. De schadevergoedingsplicht zoals die is geformuleerd in het Irimie-arrest bestaat dan ook alleen indien in strijd met het Unierecht teveel belasting is voldaan. Ook in het Grundig-arrest kan geen steun worden gevonden voor de stelling dat een eventuele rentevergoeding in deze zaken aan de orde kan worden gesteld.


15. Gelet op wat hiervoor onder 12 is overwogen, zijn de beroepen gegrond verklaard.


proceskosten

16. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. Artikel 2, derde lid, van het Besluit bevat de mogelijkheid van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden.


17. Van bijzondere omstandigheden kan onder meer sprake zijn als verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking oplegt of uitspraak doet, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).


18. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in deze zaken één van deze verwijten treft. De enkele stelling dat dit volgt uit schending van het Unierecht, is daarvoor onvoldoende. Eiseres heeft overigens evenmin de hoogte van de gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gesteld en aannemelijk gemaakt.


19. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor vergoeding van de kosten van bezwaar. Niet gebleken is dat eiseres op grond van enige wettelijke bepaling dan wel aanwijzingen van verweerder bij de aangifte gebruik heeft moeten maken van de koerslijst van AutotelexPro. Dat zij daarvoor gekozen heeft, valt verweerder dan ook niet aan te rekenen. Dat betekent dat de teruggaaf niet het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht.


20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). De rechtbank heeft de zaken aangemerkt als samenhangend.


21. In onderhavige zaken is geen griffierecht geheven. De stelling van eiseres dat over een restitutie van griffierecht rente moet worden vergoed, behoeft dus geen behandeling.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.A.H. Strik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.








griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.