Rechtbank Groningen, 25-09-2009 / 112136/KG ZA 09-268


ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ8795

Inhoudsindicatie
Vordering in conventie tot rectificatie van een ingezonden brief in een medisch tijdschrift. Vordering in reconventie tot verwijdering van een foto met bijbehorende tekst van een door een belangengroep op haar website gehanteerde zwarte lijst. Vrijheid van meningsuiting versus de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Belangenafweging.
Instantie
Rechtbank Groningen
Uitspraakdatum
2009-09-25
Publicatiedatum
2009-09-29
Zaaknummer
112136/KG ZA 09-268
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • GJ 2009/135
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN


Sector civielrecht


zaaknummer / rolnummer: 112136 / KG ZA 09-268


Vonnis in kort geding van 25 september 2009


in de zaak van


[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.M.B. Kramer,


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten mr. T.A.M. van den Ende en mr. O.L. Doubrovskaia.


Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.


1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van eis in reconventie,

- de mondelinge behandeling op 9 september 2009, waarbij [eiseres] bijgestaan door

mr. Kramer en [gedaagde] bijgestaan door mrs. Van den Ende en Doubrovskaia zijn verschenen,

- de pleitnota van [eiseres],

- de pleitnota van [gedaagde].


1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.


2. De feiten

2.1. [eiseres] is voorzitter van de belangengroep ‘Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland’ (hierna: SIN-NL) en de stichting/belangengroep IEU-Alliance. Deze belangengroep respectievelijk stichting komen op voor de belangen van slachtoffers van medische fouten en hun nabestaanden.


2.2. [eiseres] is eigenaresse van de website www.sin-nl.org. Op deze website is een ‘zwarte lijst’ opgenomen, waarvan het doel als volgt is omschreven:



‘Slachtoffers van medische fouten verkeren in een noodsituatie omdat de medische sector hen structureel eerlijke informatie en herstelbehandeling weigert. Derhalve publiceert SIN-NL een zwarte lijst van artsen, personen en organisaties uit de gezondheidszorg en de overheid. De artsen schenden hun zorgplicht, een fundamentele wettelijke verplichting op basis van de Wet Geneeskundige Behandelings Overeenkomst.

(…)

Wij publiceren onze Zwarte Lijst enerzijds om de aandacht te vestigen op hen die concreet verantwoordelijk zijn voor veel onnodig en vermijdbaar leed, en anderzijds om de aandacht te vestigen op de jarenlange door artsen opgestelde zwarte lijst van volstrekt onschuldige patiënten.

(…)’


2.3. Op voornoemde ‘zwarte lijst’ is een foto en de naam van [gedaagde] geplaatst onder vermelding van de tekst: ‘[gedaagde], Medisch specialist UMC Groningen. Weigert eerlijke diagnostiek, informatie en herstelbehandeling aan slachtoffer van medische fout’.


2.4. Bij e-mail van 19 december 2007 heeft [gedaagde] SIN-NL verzocht zijn naam, foto en begeleidende tekst van de website te verwijderen. SIN-NL heeft niet op de e-mail gereageerd.


2.5. [eiseres] heeft haar medewerking verleend aan het in het tijdschrift Medisch Contact van 9 april 2009 gepubliceerde artikel ‘Wakker schudden met shocktherapie’. Dit artikel betreft een interview met [eiseres] waarin zij haar bezorgdheid uitspreekt over de wijze waarop patiënten na een medische fout worden behandeld door de medische sector in Nederland en Europa. Daarbij spreekt zij haar wens uit dat artsen gaan erkennen dat zij een fout hebben gemaakt, dat de slachtoffers een herstelbehandeling krijgen en dat zij, dan wel hun nabestaanden, eerlijke informatie krijgen.


2.6. In Medisch Contact van 28 mei 2009 heeft [gedaagde] door middel van een ingezonden brief met de volgende inhoud op voornoemd artikel gereageerd:

‘In MC stond onlangs (MC 15/2009:654) een artikel met foto van de oprichter en woordvoerder van Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid Nederland (SIN). Ik had de ethicus en jurist niet direct herkend in die vredige omgeving.

Ook van mij is er een foto. Díe staat op de zwarte website van SIN. Enkele jaren geleden zag ik namelijk eenmalig een persoon voorzien van diverse hulpmiddelen die beeldvormend onderzoek eiste. Ik mocht de voorgeschiedenis van de patiënt niet inzien. De taxichauffeur kwam als getuige mee – een consultaanvrager met ervaring dus. Het klinische beeld was (voor zover dat mij ter beoordeling werd gelaten) niet compatibel met enige neurologische ziekte. In tegendeel. Geen MRI en einde consult want verder overleg bleek onmogelijk. Ik heb daarmee – lees ik in mijn lijfblad – onvoldoende gedaan voor een slachtoffer. Na het consult kreeg ik nog enkele ‘juristoïde’ brieven van de consultvrager die – zoals later bleek – een prominente SIN’er was. Geen klacht bij het ziekenhuis, geen oproep voor een tuchtraad, maar wel een foto op een website.

Het is voor een arts onmogelijk om hierop weerwoord te geven. Zolang er geen orgaan is waar indringers in spreekkamers ter verantwoording kunnen worden geroepen, is het verstandig geen aandacht te besteden aan dit soort tribunalen en hun lieden.

Graag zou ik mijn belevenissen met SIN eens voor een commissie uit de doeken doen. Dan zou ik het beroepsgeheim schenden, maar dat is toegestaan in besmettelijke zaken die de mensheid schaden. Zeker, er is veel wat fout kan gaan in het medische circuit. Ik wil ook best de hand in eigen boezem steken, maar niet in dit geval en niet voor deze stichting. Naar mijn ervaring is SIN kwaadaardige onzin van wrange wrokkers die hun zin niet krijgen’.


2.7. Bij brief van 29 juni 2009 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht in het Medisch Contact een rectificatiebrief op te laten nemen waarin hij zijn excuses aanbiedt. Bij brief van 9 juli 2009 heeft [gedaagde] gesteld geen aanleiding te zien om op dit verzoek van [eiseres] in te gaan.


2.8. Op 27 augustus 2009 heeft [eiseres] jegens [gedaagde] aangifte gedaan ter zake opzettelijke belediging, smaad, laster, zware mishandeling, valsheid in geschrifte en het verlaten van een hulpbehoevende in een hulpeloze toestand.


2.9. Begin september 2009 is op de website van SIN-NL een persbericht opgenomen waarin onder andere het volgende is vermeld: ‘[gedaagde] maakt zich schuldig aan het verzwijgen van een ernstige medische fout door collega-artsen, handhaaft daarmee de doofpot van medische fouten’.


3. Het geschil in conventie


3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis, een rectificatie te laten plaatsen in het eerst komende door het Medisch Contact uit te geven blad met de volgende tekst (de cursief toegevoegde woorden beogen vormen met de overige tekst een subsidiaire variant):


‘In aflevering van dit blad van 28 mei 2009 (jaargang 64, nr. 22) is een door mij, [gedaagde], ingezonden brief geplaatst als reactie op het artikel met de titel ‘Wakker schudden met shocktherapie’ en subtitel ‘SIN-NL: zelfregulering door de medische sector faalt’ gepubliceerd in de aflevering van 9 april 2009 (jaargang 64, nr. 15). Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen is geoordeeld dat mijn ingezonden brief jegens mevrouw [eiseres] onrechtmatig is om de navolgende redenen:

a. Ik heb mijn jegens [eiseres], als de in mijn brief bedoelde en ook tot haar te herleiden patiënte die ik éénmalig heb gezien, in acht te nemen beroepsgeheim geschonden door het weergegeven van feiten die zich tijdens het éénmalig consult zouden hebben voorgedaan en mijn bevindingen naar aanleiding van dit éénmalig consult, terwijl de door mij in dat kader gestelde feiten en bevindingen door de voorzieningenrechter daarnaast ook onvoldoende aannemelijk zijn bevonden.

b. Het gebruik van de woorden ‘indringers in spreekkamers’ is door de voorzieningenrechter onrechtmatig bevonden nu er geen sprake is geweest van het op onrechtmatige wijze door [eiseres] betreden van mijn spreekkamer, en [eiseres] ook rechtsgeldig door een revalidatiearts voor het consult naar mij was verwezen van welk feit ik in mijn ingezonden brief ten onrechte geen melding heb gemaakt, als gevolg waarvan de indruk heeft kunnen ontstaan dat [eiseres] zonder medische indicatie bij mij op consult is geweest.

c. Met de passage ‘Graag zou ik mijn belevenissen met SIN eens voor een commissie uit de doeken doen. Dan zou ik het beroepsgeheim schenden, maar dat is toegestaan in besmettelijke zaken die de mensheid schaden’, heb ik door het gebruik van de woorden ‘besmettelijke zaken die de mensheid schaden’ naar het oordeel van de voorzieningenrechter de grenzen van het betamelijke vergaand overschreden.


d. Door het gebruik van het woord ‘ervaring’ in de zin ‘Naar mijn ervaring is SIN kwaadaardige onzin van wrange wrokkers die hun zin niet krijgen’ heb ik ten onrechte de indruk gewekt als zou mijn mening zijn gebaseerd op feitelijke (medische) ervaringen die de juistheid van mijn mening staven, terwijl daarvan geen sprake is (subsidiair: niet is gebleken).


Ik bied door dezes aan [eiseres] en de door haar vertegenwoordigde belangengroepering Slachtoffers van Iatrogene Nalatigheid Nederland mijn excuses voor mijn door de voorzieningenrechter onrechtmatig bevonden ingezonden en gepubliceerde brief aan’,


II. te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom van EUR 5.000,00 zal verbeuren voor iedere dag die hij in gebreke zal blijven om aan de veroordeling onder I te voldoen,


III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.


3.2. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.


4. Het geschil in reconventie


4.1. [gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


1. [eiseres] te gebieden binnen zeven dagen na dit vonnis de foto van [gedaagde] alsmede de bijbehorende tekst ‘Medisch specialist UMC Groningen. Weigert eerlijke diagnostiek, informatie en herstelbehandeling aan slachtoffer van medische fout’ van de internetpagina http://www.sin-nl.org/index/de_zwarte_lijst te verwijderen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EUR 3.000,00 per dag dat [eiseres] na betekening van dit vonnis, in gebreke zou blijven met naleving van een zodanig door de voorzieningenrechter gegeven gebod;


2. [eiseres] te gebieden binnen zeven dagen na dit vonnis de passage ‘[gedaagde] maakt zich schuldig aan het verzwijgen van een ernstige medische fout door collega-artsen, handhaaft hiermee de doofpot van medische fouten’ te verwijderen uit de tekst van het persbericht op internetpagina http://www.sin-nl.org/pdf/pdf.php?artikel=Persbericht%202%20september%202009, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EUR 3.000,00 per dag dat [eiseres] na betekening van dit vonnis, in gebreke zou blijven met naleving van een zodanig door de voorzieningenrechter gegeven gebod;


3. [eiseres] te gebieden zich te onthouden van enige directe dan wel indirecte beschuldigingen in de media of anderzijds aan het adres van [gedaagde] die noch door de strafrechter, noch door de tuchtrechter gegrond zijn bevonden, waaronder doch niet uitsluitend de publicatie daarvan op de website http://www.sin-nl.org, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EUR 3.000,00 per dag dat [eiseres] na betekening van dit vonnis, in gebreken zou blijven met naleving van een zodanig door de voorzieningenrechter gegeven gebod;


4. [eiseres] te gebieden binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis op de website http://www.sin-nl.org prominent een rectificatie alsmede openbaar excuus op te nemen met de volgende inhoud:

‘Enige tijd is op de zwarte lijst van deze pagina [gedaagde], Medisch specialist UMC Groningen, opgenomen onder de mededeling ‘[gedaagde], Medisch specialist UMC Groningen. Weigert eerlijke diagnostiek, informatie en herstelbehandeling aan slachtoffer van medische fout’. Deze uitlating mist elke deugdelijke onderbouwing respectievelijk feitelijke grondslag en heeft de reputatie van de heer [gedaagde] ernstig geschaad. Op bevel van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, rechtdoende in kort geding, wordt daarom deze uitlating gerectificeerd en worden verontschuldigingen wegens onrechtmatig handelen aangeboden’;


5. enige andere voorziening te treffen welke de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;


6. [eiseres] te veroordelen in de kosten van dit geding, voor zover in reconventie gevallen.


4.2. [eiseres] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.


5. De beoordeling in conventie

Beroepsgeheim


5.1. [eiseres] heeft voorop gesteld dat [gedaagde] met de publicatie van de door hem ingezonden brief in Medisch Contact van 28 mei 2009 zijn beroepsgeheim heeft geschonden en aldus jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld.

Daartoe heeft [eiseres] aangevoerd dat [gedaagde], zoals hij in de eerste zin van zijn ingezonden brief heeft aangegeven, reageert op het in Medisch Contact van 9 april 2009 gepubliceerde artikel waarvoor [eiseres] is geïnterviewd en waarbij een foto van haar is geplaatst. Daarna schrijft hij ‘Ik had de ethicus en jurist niet direct herkend in die vredige omgeving’ en ‘Enkele jaren geleden zag ik namelijk eenmalig een persoon voorzien van diverse hulpmiddelen die beeldvormend onderzoek eiste’. Even verder schrijft hij ‘Het klinische beeld was (voor zover dat mij ter beoordeling werd gelaten) niet compatibel met enige neurologische ziekte’, en ‘Na het consult kreeg ik nog enkele juristoïde brieven van de consultaanvrager die – zoals later bleek – een prominente SIN’er was’.

Uit de combinatie van het artikel met foto waarnaar [gedaagde] verwijst en de hiervoor aangehaalde door [gedaagde] geschreven zinnen blijkt volgens [eiseres] onmiskenbaar dat hij in zijn brief doelt op de persoon van [eiseres] en dat hij dusdoende over haar en haar medische situatie in de ingezonden brief heeft geschreven, hetgeen strijdig is met het in artikel 7:457 BW bepaalde.


5.2. [gedaagde] heeft aangevoerd dat door [eiseres] ten onrechte een verband is gelegd tussen haar en de tekst van de ingezonden brief. De gemiddelde lezer van Medisch Contact zal bij het lezen van de brief niet hebben aangenomen dat de situatie met betrekking tot het medisch consult zoals omschreven op [eiseres] betrekking heeft en/of dat de persoon die [gedaagde] beschrijft, [eiseres] is.

De eerst aangehaalde zinnen leggen geen direct en/of tot de persoon van [eiseres] te herleiden relatie met het vervolg van de ingezonden brief. Het feit dat [gedaagde] [eiseres] heeft herkend op de bij het artikel geplaatste foto wil niet zeggen dat hij haar in de hoedanigheid van patiënte beschrijft. Immers, [eiseres] treedt veelvuldig in de publiciteit. Dat de patiënt die door [gedaagde] in zijn brief in zeer algemene bewoordingen is omschreven een patiënt met meerdere hulpmiddelen betreft, verwijst evenmin (rechtstreeks) naar [eiseres]. Het later blijken dat de schrijver van de ‘juristoïde brieven’ een prominente SIN’er was, verwijst evenmin naar [eiseres], enkel en alleen al omdat SIN-NL een organisatie is met vele sympathisanten.

Nu de situatie die [gedaagde] in zijn brief heeft geschetst niet tot enig individu is te herleiden en de weergave geen blijk geeft van vertrouwelijke gegevens, is van schending van het beroepsgeheim geen sprake.


5.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


5.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het weliswaar zo mag zijn dat het bij lezing van de ingezonden brief voor [eiseres] zélf meteen duidelijk was dat in de brief wordt gerefereerd aan het (eenmalig) consult dat zij – zoals [eiseres] zelf heeft gesteld – bij [gedaagde] heeft gehad, maar dat daarmee nog niet is gezegd dat die link ook (direct) door een derde (neutrale lezer) kan worden gelegd. Hetzelfde geldt voor de verwijzing in de brief naar ‘prominente SIN’er’.


5.5. Bepalend voor de vraag of [gedaagde] zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden is of een derde moet hebben begrepen dat de alinea van de brief beginnend met de zin ‘Enkele jaren geleden zag ik namelijk eenmalig een persoon voorzien van diverse hulpmiddelen die beeldvorm onderzoek eiste’ betrekking had op de daarvoor in de eerste twee zinnen beschreven persoon van [eiseres].


5.6. Het feit dat [eiseres] na de publicatie van de ingezonden brief (meerdere malen) nadrukkelijk de publiciteit heeft gezocht, waarbij zijzelf heeft verklaard dat zij de persoon is die door [gedaagde] in zijn brief als patiënt is bedoeld, maakt voornoemde toets niet eenvoudig.

Na kennisname van de thans – door [eiseres] – gegeven uitleg kan de brief immers zondermeer tot haar herleid worden, maar daarmee is niet gezegd dat deze indruk ook vóór die door [eiseres] gegeven uitleg moet zijn ontstaan.


5.7. Alles afwegende, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de inhoud van de ingezonden brief van [gedaagde] in de destijds gegeven context niet volgt dat in die brief wordt gedoeld op de persoon van [eiseres]. De voorzieningenrechter betrekt meer in het bijzonder bij dit oordeel dat de twee naar [eiseres] verwijzende openingszinnen (zelfs qua lay-out) los staan van de daarop volgende alinea waarin het medisch consult wordt beschreven. Aldus is de koppeling tussen de patiëntinformatie en de persoon van [eiseres] voor een derde niet kenbaar, zodat [gedaagde] geen schending van zijn beroepsgeheim jegens [eiseres] kan worden verweten.


Laster, smaad en belediging


5.8. [eiseres] heeft voorts gesteld dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de in de ingezonden brief vermelde opmerkingen als ‘indringers in de spreekkamer’, ‘besmettelijke zaken die de mensheid schaden’, en ‘kwaadaardige onzin van wrange wrokkers die hun zin niet krijgen’ ieder voor zich, maar zeker in hun onderling verband en samenhang bezien, onnodig grievend zijn en voorts te kwalificeren zijn als laster, smaad en minst genomen (eenvoudige) belediging, waardoor de positie van [eiseres] als patiënt in Nederland ernstig is geschaad en het krijgen van de noodzakelijke gezondheidszorg in Nederland voor haar ernstig is bemoeilijkt, zo niet onmogelijk is gemaakt.


5.9. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij, door in zijn open brief uiting te geven aan zijn opvattingen over de organisatie waar [eiseres] voorzitter/woordvoerder van is, onrechtmatig heeft gehandeld. Het in de brief gestelde is niet naar de persoon van [eiseres] te herleiden, zodat van onrechtmatig handelen jegens haar geen sprake is. Daarbij is tevens van belang dat niet zozeer de ingezonden brief debet is aan het door [eiseres] gestelde dat haar positie als patiënt in Nederland onmogelijk is geworden – zo dit al het geval is –, maar veeleer de omstandigheid dat zij veelvuldig de publiciteit heeft gezocht en in onder andere het Dagblad van het Noorden van 5 september 2009 ondubbelzinnig bekend heeft gemaakt dat zij patiënte is geweest bij [gedaagde] en dat zij [gedaagde] heeft geplaatst op de ‘zwarte lijst’. Aangaande de vordering om aan SIN-NL excuses aan te bieden is van belang dat deze organisatie rechtspersoonlijkheid ontbeert, zodat de vordering ook om die reden afgewezen dient te worden.


5.10. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


5.11. Het gevorderde vormt een beperking van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting dat aan [gedaagde] op grond van artikel 10 lid 1 EVRM toekomt. Dit recht kan slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.


5.12. Volstrekt duidelijk is dat de ingezonden brief geschreven is door een getergde arts die in stevige bewoordingen zijn reactie geeft op het interview van [eiseres] waarin zij het falende optreden van de medische sector in Nederland aan de kaak stelt en gewag maakt van de ‘zwarte lijst’ op de website van SIN-NL. De ingezonden brief is een protest tegen de geuite beschuldigingen en opname op de ‘zwarte lijst’ en de gevolgen die de handelwijze van SIN-NL heeft voor de medische zorg in Nederland.


5.13. De voorzieningenrechter heeft onder r.o. 5.7. reeds overwogen dat uit de inhoud van de ingezonden brief van [gedaagde] in de destijds gegeven context niet volgt dat in die brief wordt gedoeld op de persoon van [eiseres]. Nu hetgeen door [gedaagde] in de brief is gesteld (voor derden) niet herleidbaar is specifiek naar de persoon van [eiseres], levert dit geen laster, smaad dan wel (eenvoudige) belediging jegens [eiseres] op.


5.14. Met betrekking tot de gestelde laster, smaad en (eenvoudige) belediging door [gedaagde] jegens de belangengroep SIN-NL is van belang dat er bij de totstandkoming van de regelgeving omtrent belediging vanuit werd gegaan dat alleen natuurlijke personen beledigd kunnen worden. Nadien heeft de Hoge Raad bij arrest van 22 april 1986 (NJ 1986, 827) aangenomen dat het delict (smaad)schrift ook tegen rechtspersonen kan worden gepleegd.

In casu gaat het om – de gestelde – belediging van de belangengroep SIN-NL, waarvan onweersproken is dat deze belangengroep geen rechtspersoonlijkheid bezit. Dit brengt met zich dat van laster, smaad dan wel (eenvoudige) belediging van SIN-NL geen sprake kan zijn.



5.15. De voorzieningenrechter is evenmin van oordeel dat het door [gedaagde] in zijn brief geschrevene als onnodig grievend ten aanzien van SIN-NL, dan wel [eiseres] als voorzitter en woordvoerder, aangemerkt dient te worden. De voorzieningenrechter komt daartoe omdat SIN-NL, alsook [eiseres], zich in de media en op hun website in niet mis te verstane bewoordingen uitlaten over de (gestelde) situatie in de medische sector en individuen die zich in die sector bewegen. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat zowel de belangengroep, als [eiseres], in meer dan gemiddelde mate bestand moeten zijn tegen publicaties als de onderhavige waarin door één van die individuen in eveneens niet mis te verstane bewoordingen jegens hen van leer wordt getrokken. Tegen deze achtergrond wordt geoordeeld dat hetgeen door [gedaagde] in zijn brief is gesteld niet als onnodig grievend aangemerkt kan worden.


5.16. Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat van laster, smaad dan wel (eenvoudige) belediging jegens [eiseres] als persoon dan wel de organisatie SIN-NL geen sprake is, en het geschrevene evenmin als onnodig grievend aangemerkt dient te worden, is niet gebleken van onrechtmatig handelen van [gedaagde] in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van [eiseres] zullen dan ook worden afgewezen.


5.17. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00


6. De beoordeling in reconventie

6.1. Het gevorderde in reconventie vormt eveneens een beperking van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting dat in dit geval aan [eiseres] op grond van artikel 10 lid 1 EVRM toekomt. Als gezegd kan dit recht slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [eiseres], op haar beurt, onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.


6.2. Voor het antwoord op deze vraag – waarbij het in feite gaat om de botsing van twee fundamentele rechten – moeten alle terzake dienende omstandigheden en wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Het belang van [eiseres] is er in dit verband in het bijzonder in gelegen dat zij en haar belangengroep SIN-NL opkomen voor de belangen van slachtoffers van medische fouten dan wel hun nabestaanden, waarbij zij er naar streven artsen te bewegen te erkennen dat zij een fout hebben gemaakt en dat de slachtoffers een herstelbehandeling en eerlijke informatie krijgen. Het belang van [gedaagde] bestaat hierin dat hij niet lichtvaardig in zijn eer en goede naam wordt aangetast.


6.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat SIN-NL in het kader van het bereiken van haar doel, waarbij zij – zoals zij heeft gesteld – door de medische sector wordt tegengewerkt omdat medische fouten en de gevolgen daarvan in de doofpot worden gestopt en er in de medische wereld een cultuur van ‘elkaar dekken’ bestaat, op een stevige wijze de publiciteit mag zoeken waarbij het haar, gelet op de aard van de gestelde tegenwerking, toekomt om publieke figuren uit de medische wereld openlijk op hun verantwoordelijkheid aan te spreken en te beschuldigen indien deze verantwoordelijkheden niet worden nagekomen.

Daarbij is tevens van belang dat de ‘zwarte lijst’ op de website van SIN-NL – die niet alleen namen van artsen maar ook van politici en publieke figuren uit de gezondheidszorg omvat – er in z’n totaliteit toe strekt publiciteit en aandacht te genereren voor medische fouten en de wijze waarop daarmee – tot op heden – in de visie van SIN-NL door de medische wereld wordt omgegaan.


6.4. Daartegenover staat dat [gedaagde] zonder dat een bezwaarcommissie of een tuchtrechtelijk college zich op een negatieve wijze over zijn functioneren heeft uitgelaten op de ‘zwarte lijst’ is geplaatst. Daarbij dient evenwel betrokken te worden dat een hoge (medische) functie zoals door [gedaagde] wordt bekleed met zich kan brengen dat er (in het openbaar) kritiek op het functioneren wordt geuit en dat men daartegen (tot op zekere hoogte) ook bestand moet zijn, hetgeen door [gedaagde] ook zelf is erkend. In dit concrete geval dient daarbij voorts de omstandigheid betrokken te worden dat [gedaagde] in het verleden heeft laten blijken dat de plaatsing op de ‘zwarte lijst’ van SIN-NL hem niet raakt dan wel schaadt en dat hij – na zijn e-mail van 19 december 2007 waarin hij SIN-NL heeft verzocht zijn naam, foto en begeleidende tekst van hun website te verwijderen – lange tijd stil is blijven zitten, waardoor hij (tot op zekere hoogte) zijn recht heeft verwerkt om nu nog verwijdering van de ‘zwarte lijst’ te vorderen.


6.5. Alles afwegende, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit concrete geval gezien de specifieke hiervoor genoemde omstandigheden aan het belang van SIN-NL een zwaarder gewicht dient te worden toegekend dan aan het persoonlijk belang van [gedaagde]. Derhalve zullen de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.


6.6. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris advocaat EUR 816,00

Totaal EUR 816,00


7. De beslissing

De voorzieningenrechter:


in conventie

7.1. wijst de vorderingen af,


7.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.078,00,


7.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in reconventie

7.4. wijst de vorderingen af,


7.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 816,00,


7.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2009.?