Rechtbank Haarlem, 20-07-2012 / 11/5336


ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5976

Inhoudsindicatie
De zekerheid is terecht verbeurd verklaard.
Instantie
Rechtbank Haarlem
Uitspraakdatum
2012-07-20
Publicatiedatum
2012-12-12
Zaaknummer
11/5336
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTFR 2013, 249
Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer


Zaaknummer: AWB 11/5336


Uitspraakdatum: 20 juli 2012


Uitspraak in het geding tussen


[X] B.V., gevestigd te [Z] eiseres,

gemachtigde: mr. TH.J.H.M. Linssen,


en


de voorzitter van het Productschap Vee en Vlees, verweerder.


1. Ontstaan en loop van het geding


Verweerder heeft met het besluit van 6 juli 2010 de door eiseres gestelde zekerheid van

€ 6.448 verbeurd verklaard.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2011 het bezwaar ongegrond verklaard en genoemd besluit gehandhaafd.


Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2012.


Gemachtigde van eiseres is daar verschenen, bijgestaan door [A], gevolmachtigd directeur van eiseres. Namens verweerder is verschenen mr. A.F. Ordogh.


2. Tussen partijen vaststaande feiten


Op 15 oktober 2009 heeft eiseres een certificaat aangevraagd voor de uitvoer van 248

levende runderen. Met de afgifte van het certificaat met nummer [NUMMER A] op 21 oktober

2009 is aan eiseres het recht verleend en de verplichting opgelegd om 248 levende runderen

tijdens de geldigheidsduur van het certificaat uit te voeren. Het certificaat was geldig van 21 oktober 2009 tot en met 31 maart 2010. Op 20 oktober 2009 heeft eiseres met de Sagitta-aangiften [NUMMER B] tot en met [NUMMER C] in totaal 247 vaarzen met een levend gewicht van meer dan 250 kilogram tot en met de leeftijd van 30 maanden, onder restitutiecode [NUMMER D] ten uitvoer aangegeven met bestemming Rusland. Hiermee heeft eiseres tevens restitutie aangevraagd voor deze 247 vaarzen. Eiseres heeft in de Sagitta-aangiften in totaal 228 vaarzen vermeld, alsmede het certificaat met nummer [NUMMER E]. Eiseres heeft hiermee beoogd om 228 vaarzen af te schrijven van het certificaat met nummer [NUMMER E] (gewijzigd in [NUMMER A]).

3. Geschil


In geschil is de verbeurdverklaring van de zekerheid van € 6.448. Voorts is in geschil of verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.


Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de verbeurdverklaring van de onder 1 genoemde zekerheid.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.


4. Wettelijk kader


Punt 15 van de considerans van de verordening (EG) Nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappel?ke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (hierna: de certificatenverordening) vermeldt dat het invoer- of uitvoercertificaat het recht geeft in- of uit te voeren en dat het daarom moet worden overgelegd b? de aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer.


Artikel 7, eerste lid, van de certificatenverordening bepaalt het volgende:

“1. Het invoer-, respectievel?k het uitvoercertificaat, brengt het recht en de verplichting mede om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product en/of goed in-, respectievel?k uit te voeren, zulks — behoudens overmacht — t?dens de geldigheidsduur van het certificaat.

De in dit lid bedoelde verplichtingen z?n primaire eisen in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie.”


Artikel 22 van de certificatenverordening bepaalt het volgende:

“1. Voor de bepaling van de geldigheidsduur van de certificaten wordt ervan uitgegaan dat de certificaten op de dag van indiening van de aanvraag z?n afgegeven, die dag wordt in de geldigheidsduur van het certificaat meegerekend. Het certificaat kan evenwel eerst vanaf de feitel?ke afgifte ervan worden gebruikt.

2. Bepaald kan worden dat de geldigheidsduur van het certificaat op de datum van de feitel?ke afgifte ingaat; in dat geval wordt de dag van de feitel?ke afgifte in de geldigheidsduur van het certificaat meegerekend.”


Artikel 23, eerste lid, van de certificatenverordening bepaalt het volgende:

“1. Exemplaar nr. 1 van het certificaat wordt overgelegd aan het douanekantoor waar wordt aanvaard:

a) (…)

b) wanneer het een uitvoercertificaat of een certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie betreft, de aangifte ten uitvoer.”


Artikel 24 van de certificatenverordening bepaalt het volgende:

1. In afwijking van artikel 23 kan een lidstaat toestaan dat het certificaat:

a) (…)

b) in de gevallen waarin artikel 18 van toepassing is, wordt opgeslagen in de databank van de instantie van afgifte of van de met de betaling van de restitutie belaste autoriteit.

2. (…)

3. (…)

4. B? de aanvaarding van de douaneaangifte moet de belanghebbende in het aangiftedocument met name het feit dat h? gebruik maakt van de bepalingen van dit artikel, alsmede het nummer van het te gebruiken certificaat vermelden.”


Artikel 34, tweede lid, van de certificatenverordening bepaalt het volgende:

“2. Onverminderd de artikelen 39, 40 en 47 wordt, wanneer de verplichting tot invoer, respectievel?k tot uitvoer, niet is nagekomen, de zekerheid verbeurd voor een hoeveelheid die gel?k is aan het verschil tussen:

(…)

Indien evenwel de in- of uitgevoerde hoeveelheid minder dan 5 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid bedraagt, wordt de zekerheid volledig verbeurd.”


De verordening (EG) Nr. 376/2008 van de Commissie van 21 april 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer- en uitvoercertificatenregeling in de sector rundvlees (hierna: de uitvoeringsverordening) bepaalt in artikel 9 het volgende:

“Onverminderd artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 moet voor elke uitvoer van producten in de sector rundvlees waarvoor een uitvoerrestitutie wordt gevraagd, een uitvoercertificaat worden overgelegd met vaststelling vooraf van de restitutie, overeenkomstig de artikelen 10 tot en met

16 van de onderhavige verordening.”


Voor artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 geldt thans artikel 4, eerste lid, van de uitvoeringsverordening.


Artikel 10 van de uitvoeringsverordening bepaalt het volgende:

“1. Voor de uitvoer van producten waarvoor een restitutie wordt aangevraagd en waarvoor een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie moet worden overgelegd, wordt

de geldigheidsduur van de certificaten met vaststelling vooraf van de restitutie, te rekenen vanaf de datum waarop het certificaat is afgegeven als bedoeld in artikel 23, lid 2, van Verordening

(EG) nr. 1291/2000, vastgesteld op (…)”


Artikel 12 van de uitvoeringsverordening bepaalt het volgende:

“1. (…)

De uitvoercertificaten worden afgegeven op de woensdag die volgt op de week waarin de aanvraag is ingediend, tenzij de Commissie in die periode een van de in lid 2 of lid 3 van dit artikel bedoelde bijzondere maatregelen heeft genomen. (…)”


Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten vermeldt in de considerans het volgende:

“(…)

(4) In de zin van deze verordening is de dag van uitvoer de dag waarop de douanedienst de handeling aanvaardt waardoor de aangever te kennen geeft de producten waarvoor hij een uitvoerrestitutie aanvraagt, te willen uitvoeren. Deze handeling heeft tot doel de aandacht van met name de douaneautoriteiten erop te vestigen dat de betrokken transactie met financiële steun van de Gemeenschap plaatsvindt, opdat deze autoriteiten de nodige controles zullen uitvoeren. De producten worden op het tijdstip van deze aanvaarding onder douanecontrole geplaatst totdat zij daadwerkelijk worden uitgevoerd. Die datum is bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.

(…)

(10) Om een eenvormige interpretatie van het begrip uitvoer uit de Gemeenschap te verkrijgen, dient als maatstaf het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap door het product te worden genomen. (…)”

en bepaalt in artikel 1 en 2:

“Artikel 1

Onverminderd afwijkende bepalingen in bijzondere Gemeenschapsregelingen voor bepaalde producten, voorziet de onderhavige verordening in gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van uitvoerrestituties, hierna „restituties” genoemd:

a) voor de producten van de in artikel 162, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 genoemde sectoren;

(…)

Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

g) „uitvoer”: het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer gevolgd door het verlaten van de producten van het douanegebied van de Gemeenschap; (…)”


5. Beoordeling van het geschil


5.1. Vaststaat dat eiseres op 15 oktober 2009 een uitvoercertificaat heeft aangevraagd voor de uitvoer met restitutie van 248 vaarzen. Vaststaat ook dat verweerder op woensdag 21 oktober 2009 aan eiseres het gevraagde uitvoercertificaat onder nummer [NUMMER A] heeft verleend en dat de eerste dag van geldigheid van dit certificaat woensdag 21 oktober 2009 is. Voorts staat vast dat de zeven in geding zijnde aangiften ten uitvoer, waarmee 247 vaarzen ten uitvoer zijn aangegeven, zijn aanvaard op 20 oktober 2010. Niet in geschil is dat eiseres met deze 7 aangiften uitvoerrestitutie met gebruikmaking van genoemd certificaat heeft willen aanvragen. Verweerder betwist niet dat de vaarzen feitelijk zijn uitgevoerd en het douanegebied van de Unie op 22 oktober 2009 hebben verlaten en daarmee binnen de geldigheidsduur van het certificaat.


5.2. De aangiften ten uitvoer zijn aanvaard op 20 oktober 2009, een tijdstip buiten de geldigheidsduur van het certificaat en de vaarzen hebben het douanegebied van de Unie binnen de geldigheidsduur van het certificaat verlaten. Uit artikel 7 van de certificatenverordening volgt dat het uitvoercertificaat het recht en de verplichting met zich brengt om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product uit te voeren tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Het recht op restitutie en de verbeurdverklaring van de zekerheid hangen gelet op dit artikel af van de vraag of de uitvoer heeft plaatsgevonden tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Uit de definitie van “uitvoer”, als bedoeld in artikel 2, onder g, van Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, welke verordening hier van toepassing is, volgt dat onder uitvoer moet worden verstaan: “het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer gevolgd door het verlaten van de producten van het douanegebied van de Gemeenschap”. Uitvoer omvat derhalve hier het aanvaarden van de aangiften ten uitvoer alsmede het verlaten van de vaarzen van het douanegebied van de Unie, met andere woorden het vervullen van de formaliteiten en het daadwerkelijk verlaten van het douanegebied. Nu het vervullen van de formaliteiten (het aanvaarden van de aangiften) heeft plaatsgevonden buiten de geldigheidsduur van het certificaat is geen sprake van uitvoer als bedoeld in artikel 34, tweede lid, vierde alinea, van de certificatenverordening.


5.3. Ingevolge artikel 34, tweede lid, vierde alinea, van de certificatenverordening wordt de gehele zekerheid verbeurd verklaard indien minder dan 5% van de in het certificaat vermelde hoeveelheid is uitgevoerd. Nu niet in geschil is dat eiseres in de periode van de geldigheidsduur van het certificaat, te weten 21 oktober 2009 tot en met 31 maart 2010, geen aangiften ten uitvoer van vaarzen heeft gedaan met gebruikmaking van dit certificaat, staat tevens vast dat minder dan 5% van de in het certificaat vermelde hoeveelheid is uitgevoerd. Verweerder heeft daarom in beginsel terecht de zekerheid verbeurd verklaard.


Vertrouwensbeginsel

5.4. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wijst de rechtbank af. Afgezien van het feit dat eiseres, op wie in dezen de bewijslast rust, geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die haar stelling in voldoende mate kunnen staven, kan ingevolge vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU niet met succes een beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan tegen een duidelijke bepaling van het Unierecht. Een daarmee strijdige handeling van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale instantie kan geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige handeling doen ontstaan (zie arrest van 26 april 1988, zaak 316/86 inzake Krücken). Er kan daarom geen sprake zijn van een geldig certificaat op 20 oktober 2009 dat door een medewerker van verweerder in strijd met het Unierecht mondeling aan eiseres is verleend.


5.5. De slotsom is dat verweerder terecht de zekerheid heeft verbeurd verklaard.


Redelijke termijn

5.6. Eiseres verzoekt om toekenning van immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal dit verzoek behandelen overeenkomstig het ter zake gestelde in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (waaronder het arrest met zaaknummer 09/05112, LJN: BO5080). De Hoge Raad heeft beslist dat in belastingzaken (de rechtbank rekent de onderhavige verbeurdverklaring van de zekerheid ook hiertoe) aanspraak kan bestaan op een schadevergoeding indien niet binnen een redelijke termijn op een ingesteld rechtsmiddel wordt beslist. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat de schadevergoeding in een beroep als het onderhavige met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden toegekend. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet, aldus de Hoge Raad, worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.


5.7. Uit de arresten van de Hoge Raad van 22 april 2005 en 10 juni 2011 volgt dat de redelijke termijn in zaken zoals deze in beginsel is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, op dat beroep is beslist. Dit betekent dat de hoogte van de schadevergoeding dient te worden beoordeeld naar de dag waarop de rechtbank uitspraak doet, in casu 20 juli 2012. De procedure heeft, gerekend vanaf de dag waarop het bezwaarschrift is ingediend (de rechtbank gaat hierbij niet uit van de indiening van het pro forma bezwaarschrift, maar van de dag van de indiening van de gronden van bezwaar van 10 september 2010) in totaal 22 maanden en 10 dagen geduurd.


5.8. Nu de totale procedure van bezwaar en beroep niet langer dan twee jaar heeft geduurd kan niet gezegd worden dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om toekenning van immateriële schadevergoeding af.


6. Proceskosten


De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


7. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om toekenning van immateriële schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Roke, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.Y. Ip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2012.


Afschrift verzonden aan partijen op:


De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.


Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.


Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.