Rechtbank Midden-Nederland, 11-01-2017 / C/16/415769 / HA ZA 16-375


ECLI:NL:RBMNE:2017:1

Inhoudsindicatie
Bank handelt niet onrechtmatig door de opname van gegevens van een persoon, die valse bankbiljetten heeft gewisseld, in haar incidentenregister en in het externe verwizingsregister. Ook de aanvullende eisen van de redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat de bank de gegevens moet verwijderen. Aan het vereiste, dat de feiten en omstandigheden de bewezenverklaring, in de zin van artikel 350 Sv, van een strafbaar feit kunnen dragen, is voldaan. De gedragingen van degene de de valse bankbiljetten heeft gewisseld kunnen worden gekwlificeerd als schuldwitwassen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-11
Publicatiedatum
2017-01-24
Zaaknummer
C/16/415769 / HA ZA 16-375
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Module Privacy en persoonsgegevens 2018/1196
  • JBP 2017/7
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht



zaaknummer / rolnummer: C/16/415769 / HA ZA 16-375


Vonnis van 11 januari 2017


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. de Haan te Grave,


tegen


de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Vermaire te Utrecht.



Partijen zullen hierna [eiser] en Rabobank genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 20 juli 2016
  • - het proces-verbaal van comparitie van 21 september 2016
  • - de akte nadere bewijslevering van Rabobank van 19 oktober 2016
  • - de akte uitlating van [eiser] van 16 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[eiser] was klant bij Rabobank. Op 14 juli 2015 heeft Rabobank twee bankrekeningen van [eiser] geblokkeerd. Op 31 juli 2015 heeft Rabobank de bankrelatie met [eiser] beëindigd en zijn naam, geboortedatum en adres opgenomen in haar zogenoemde incidentenregister en het externe verwijzingsregister (zie 2.2).


2.2.

Rabobank hanteert, net als andere Nederlandse financiële instellingen, het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het Protocol). Dit, door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) goedgekeurde, protocol strekt tot maatregelen ter bescherming van gevaren van (rechts)personen die een financiële instelling willen schaden of op oneigenlijke gronden gebruik maken van de diensten van die instelling. De plicht deze maatregelen te treffen rust mede op de aangesloten financiële instellingen uit hoofde van de Wet financieel toezicht (Wft). Het Protocol kent, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, de navolgende definities:


‘Incident = een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een financiële instelling, de financiële instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in

dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.


Incidentenregister: de gegevensverzameling(en) van de deelnemer, waarin gegevens zijn vastgelegd voor het in artikel 4.1.1 protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) incident;


Extern verwijzingsregister: de deelverzameling van het incidentenregister van de betreffende deelnemers, welke uitsluitend verwijzingsgegevens bevat met betrekking tot (rechts)personen en welke bestemd is voor gebruik door (de organisaties van) alle deelnemers.’


Voorts luidt het Protocol:


‘Doel Incidentenregister


4.1.1

Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het

Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het

ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn

  • - op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
  • - op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare

gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;

 op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.” (…)


4.3

Verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister


4.3.1

Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.1.1 Protocol wordt voldaan draagt de Deelnemer zorg voor verwijdering van dit gegeven uit het Incidentenregister. (…)


4.3.2

Verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister moet plaatsvinden uiterlijk 8 jaar na opname van het betreffende gegeven in het Incidentenregister, tenzij zich ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon een nieuwe aanleiding heeft voorgedaan die opname in het

Incidentenregister rechtvaardigt. (…)


5 Extern Verwijzingsregister


5.1

Functie van het Extern Verwijzingsregister


5.1.1

Volledige en ongecontroleerde toegang tot het Incidentenregister van een Deelnemer door de overige Deelnemers is niet wenselijk. Daarom is er voor gekozen aan het Incidentenregister een Extern Verwijzingsregister te koppelen. In het Extern Verwijzingsregister zijn uitsluitend Verwijzingsgegevens opgenomen. Het Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de (Organisaties van de) Deelnemers. Nadat door een Deelnemer wordt vastgesteld dat een (rechts)persoon is opgenomen in het Externe Verwijzingsregister, zijn volgens het bepaalde in artikel 4.2 Protocol gegevens uit het Incidentenregister voor de Deelnemer beschikbaar. Op deze wijze worden gegevens uit het Incidentenregister op een zorgvuldige en gecontroleerde wijze beschikbaar voor de (Organisaties van de) Deelnemers.


5.2

Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister


5.2.1

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde

proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.


a. a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging

vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een

Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of

(II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de

onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in

principe aangifte of klacht wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister. (…)


5.3

Verwijdering van gegevens uit het Extern Verwijzingsregister


5.3.1

Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 5.2.1 Protocol wordt voldaan draagt de Deelnemer zorg voor verwijdering van de door de Deelnemer opgenomen

Verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister. (…)


5.3.2

Verwijdering van Verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister moet plaatsvinden uiterlijk 8 jaar na opname van het betreffende gegeven in het Incidentenregister, tenzij zich ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon een nieuwe aanleiding heeft voorgedaan en opname in het Extern Verwijzingsregister conform artikel 5.2.1 Protocol heeft plaatsgevonden.’


2.3.

Op 21 juli 2015 heeft [eiser] aangifte gedaan tegen een man die hij [A] noemt. Het proces-verbaal van aangifte luidt, voor zover in deze zaak van belang, als volgt:


‘[…] Ik doe aangifte van fraude en uitgave van vals geld. Doordat de verdachte een valse naam, valse hoedanigheid aannam, dan wel gebruikmaakte van listige kunstgrepen samenweefsel van verdichtsels, werd ik bewogen tot uitvoering van onderstaande daad […]. Op zaterdag 11 juli 2015 omstreeks 14.00 uur kwam ik een bekende van mij tegen in de AH te [woonplaats] . Ik weet dat hij [A] heet met zijn voornaam. Ik weet niet zijn achternaam of waar hij woont. Ik kom hem wel eens tegen bij het turkscafé: […] in [vestigingsplaats] . Hij wou sigaretten betalen met een briefje van 500 euro, maar dit werd niet aangenomen door de kassamedewerkster. Hij vertelde dat hij het geld niet kon storten op zijn eigen bank tegen de kassamedewerkster omdat hij alleen een buitenlandse bankrekening had. Ik stelde hem voor om het geld op mijn bankrekening te storten en het vervolgens meteen te pinnen in wel uit te geven briefjes. Ik hoorde dat hij zei: “Ik heb een auto verkocht en ze hebben mij betaald met allemaal briefjes van 500 euro. Zou jij die allemaal voor mij kunnen storten en wisselen? We hadden afgesproken dat ik 3 procent kreeg van het gewisselde bedrag. Vervolgens zijn we samen naar de Rabobank in [woonplaats] gereden gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Ik ben daar vervolgens naar binnen gegaan om mijn limiet voor opname te verhogen. Ik kreeg vervolgens van [A] 10.000,- euro om te storten op mijn rekening. We hebben dit bedrag samen bij Rabobank, [woonplaats] om 15.05 uur gestort op mijn rekening: NL45Rabo[…]. Vervolgens heb ik bij de opname apparaat in 3 stappen gepind, […], en deze aan [A] overhandigd. […] Ik heb op maandag 13 juli 2015 vervolgens nog 20.500 euro meegekregen van [A] om te gaan wisselen. Een vriend van mij [B] […] is bij onderstaande boekingen mee geweest. Ik heb hiervan op 13 juli 2015 1 x 7.000 euro gestort bij de Rabobank in [woonplaats] om 11.16 uur op mijn andere rekeningnummer: NL32Rabo[…]. Hierna heb ik […] gepind. Ik ben vervolgens om 15.55 uur terug gegaan en heb nog een bedrag van 3.500,- euro gestort op hetzelfde bankrekeningnummer. Ik ben toen naar de Rabobank in [woonplaats] gegaan om daar vervolgens nog […] te pinnen. Omdat het niet opschoot met het pinnen heb ik [B] gevraagd om ook geld te storten en te pinnen. [B] heeft vervolgens op maandag 13 juli 2015 om 14.59 uur bij de Rabobank [woonplaats] 5.000,- gestort op rekening nummer NL91Rabo[…]. Vervolgens zijn wij naar de Rabobank in [woonplaats] gereden en hebben daar een bedrag van 5.000 euro gestort om 15.52 uur op bovengenoemde rekening van [B] . […] Alles bij elkaar heb ik een bedrag van 20.500 euro op mijn bankrekeningen gestort. (NL45 Rabo[…] en NL32Rabo[…]) En hiervan heb ik 15.430 gepind en aan [A] gegeven. Er staat nog 5.070,- euro op mijn rekening wat niet van mij is. Alles bij elkaar heeft [B] een bedrag van 10.000 euro op zijn bankrekening gestort (NL91 Rabo[…]) En hiervan heb ik 5.000,- euro gepind en aan [A] gegeven. Er staat nog 5.000,- euro op [B] zijn rekening wat niet van hem is. […]’


2.4.

Bankafschriften van [eiser] en zijn in 2.3 genoemde vriend bevestigen de door [eiser] in zijn aangifte genoemde stortingen en opnames. Deze opnames hebben bestaan uit kleinere coupures (biljetten) dan € 500.


2.5.

Op 30 juli 2015 heeft Rabobank aangifte gedaan tegen onder andere [eiser] wegens oplichting en het witwassen van geld door het storten van valse € 500-bankbiljetten. [eiser] is naar aanleiding van deze aangifte (nog) niet door de politie gehoord.


2.6.

Rabobank heeft een zogenoemde gebeurtenissenadministratie die alleen toegankelijk is voor leden van haar veiligheidsteam. Met betrekking tot [eiser] staat in de gebeurtenissenadministratie van Rabobank dat hij betrokken is geweest bij het omwisselen van valse € 500-biljetten bij Rabobank, waardoor Rabobank is opgelicht. Het in 2.2 genoemde incidentenregister van financiële instellingen, zoals Rabobank, omvat een intern verwijzingsregister (hierna: IVR) en een koppeling naar het extern verwijzingsregister (EVR). De gebeurtenissenadministratie van Rabobank staat technisch los van het incidentenregister maar is er wel onlosmakelijk mee verbonden, omdat het de grondslag bevat voor registratie in het IVR en het EVR.


2.7.

Bij brief van 14 augustus 2015 heeft Rabobank [eiser] meegedeeld dat zijn gegevens zijn opgenomen in het incidentenregister en het EVR voor de duur van maximaal acht jaar. In deze brief heeft Rabobank als reden opgegeven dat [eiser] betrokken is geweest bij het omwisselen van valse € 500-biljetten, waardoor Rabobank is opgelicht.


2.8.

In een voor interne doeleinden bestemde schriftelijke verklaring van Rabobank van 12 februari 2016 staat het volgende:


‘[…] De afstortautomaat (hierna te noemen CDS) deelt biljetten in verschillende categorieën (gelijk aan de categorieën van de Europese Centrale Bank).

Categorie 1: zijn geen bankbiljetten (kassabonnen etc.). De automaat geeft deze documenten terug aan de klant.

Categorie 2: vermoedelijk valse biljetten. Deze biljetten mogen niet gecrediteerd worden, de CDS bewaart deze biljetten in een apart compartiment. Deze biljetten worden na servicing direct naar DNB verzonden. Klant wordt niet gecrediteerd voor deze biljetten en heeft niet de mogelijkheid de biljetten terug te krijgen uit de CDS.

Categorie 3: niet duidelijk echt bevonden, de klant wordt gecrediteerd. De CDS bewaart de biljetten niet apart. Bij telling op de telcentrale kan blijken dat het valse biljetten zijn, de rekening van de klant wordt vervolgens gedebiteerd door de bank.

Categorie 4: deze biljetten zijn echt, de klant wordt gecrediteerd. De CDS bewaart deze biljetten niet apart maar samen met Cat3 in de cassette.


De biljetten in categorie 3 en 4 worden in sealbags naar de telcentrale van Geld Service Nederland (hierna te noemen GSN) vervoerd. De biljetten worden bij GSN in de telstraat op echtheid gecontroleerd. Vermoedelijk valse biljetten worden gesepareerd en gaan een nabehandelings traject in. Vermoedelijk valse biljetten worden naar de Nederlandse Bank (hierna te noemen DNB) verzonden. De bank wordt voor deze biljetten niet gecrediteerd. DNB controleert de biljetten uiteindelijk op echtheid; stuurt DNB geen bericht dan is het biljet vals gebleken. Indien het biljet toch echt blijkt te zijn, stuurt DNB een bericht naar de bank en ontvangt de bank alsnog een creditering voor het biljet.


Klant [eiser] heeft op 11 en 13 juli in totaal 44 biljetten van €500,- afgestort. Deze biljetten zijn door de CDS als categorie 3 (niet duidelijk echt bevonden) herkend. Bij controles op de telcentrale bleken de biljetten “vermoedelijk vals”. Dit is gedaan in vier stortingen verdeeld over twee verschillende automaten, op twee verschillende locaties, één in [woonplaats] en één in [woonplaats] .


Storting 1, 11-07-2015, 15:09 uur te [woonplaats]

Klant [eiser] heeft 20 biljetten a €500 gestort.

Automaat geleegd op: 13-07-2015 en vervoerd in sealbagnr. 1462267336

Ten tijde van het legen bevat de automaat 78 biljetten van €500

Inhoud sealbag geteld op: 15-07-2015 en geadministreerd onder stortingsnummer: […] bij GSN.

Constatering: uit de telling zijn 74 biljetten van €500 aangemerkt als vermoedelijk vals waaronder dus minimaal 16 vermoedelijk valse biljetten van klant [eiser] zich moeten bevinden. Deze zijn voor echtheidscontrole naar DNB gestuurd.

DNB heeft geen melding van het tegendeel gedaan, dus alle 74 biljetten zijn vals.


Storting 2, op 13-07-2015 om 11:18 uur te [woonplaats]

Klant [eiser] heeft 14 biljetten a €500 gestort.

Automaat geleegd op 15-07-2015 en inhoud vervoerd in sealbagnummer: 1465741973

Ten tijde van het legen bevat de automaat 93 biljetten van €500,-

Inhoud sealbag geteld op 16-07-2015 en verwerkt onder stortingsnummer […] bij GSN

Constatering: in deze telling zijn 34 vermoedelijk valse biljetten aangetroffen. Deze zijn voor echtheidscontrole naar DNB gestuurd.

DNB heeft geen melding van het tegendeel gedaan, dus vals.


Storting 3, 13-07-2015 om 14:54 uur te [woonplaats]

Klant [eiser] heeft 3 biljetten a €500,- gestort.

Automaat geleegd op 15-07-2015 en vervoerd in sealbagnr: 1459033938

Ten tijde van het legen bevat de automaat 70 biljetten van €500,-

Inhoud sealbag geteld op: 16-07-2015 en verwerkt onder stortingsnummer: […] bij GSN

Constatering: zie bij storting 4


Storting 4, 13-07-2015 om 15:56 uur te [woonplaats]

Klant [eiser] heeft 7 biljetten a €500,- gestort.

Automaat geleegd op 15-07-2015 en vervoerd in sealbagnr: 1459033938 (zelfde sealbag als bij storting 3)

Ten tijde van het legen bevat de automaat 70 biljetten van €500,-

Inhoud sealbag geteld op 16-07-2015 en verwerkt onder stortingsnummer: […] (dezelfde als bij storting 3) bij GSN

Constatering: in de telling van deze sealbag zijn 70 vermoedelijk valse biljetten van €500,- aangetroffen waaronder dus de 10 biljetten van klant [eiser] zich bevinden. Deze zijn voor echtheidscontrole naar DNB gestuurd. DNB heeft geen melding van het tegendeel gedaan, dus alle 70 biljetten, inclusief de 10 biljetten die [eiser] heeft afgestort zijn vals.


Conclusie

De biljetten zijn diverse malen op echtheid gecontroleerd. Uit sealbagnr. 1459033938 zijn alle €500,- biljetten door De Nederlandsche Bank als vals aangemerkt. Hierdoor weten we zeker dat klant [eiser] hiervan 10 valse biljetten heeft gestort. Uit sealbagnr. 1462267336 zijn 74 €500 biljetten (van de 78 biljetten) door De Nederlandsche Bank als vals aangemerkt. Hierdoor weten we zeker dat klant [eiser] hiervan 16 valse biljetten heeft gestort. […]’


2.9.

In een brief van Geldservice Nederland BV (hierna GSN) aan Rabobank van

3 oktober 2016 staat het volgende:


‘[…] GSN verzendt conform wet- en regelgeving vermoedelijk valse biljetten door naar DNB.

Op donderdag 23 juli 2015 hebben wij sealbagnummer 10000051321326 , met incidentnummers 10951 - 11000 , verpakt.

In deze sealbag zaten vermoedelijk valse biljetten. Deze sealbag naar DNB is verzonden in TU nummer: 266846 met zegel nummer NL 0100230491037088 .


In de ontvangstbevestiging die Rabobank zou moeten hebben ontvangen van DNB is deze informatie terug te vinden.

Indien biljetten wel echt blijken te zijn, wordt dit overigens op de ontvangstbevestiging van DNB aangegeven. […]


In onderstaande tabel worden de bij GSN oorspronkelijk in ontvangst genomen sealbagnummers aan de incidentnummers gekoppeld.


Incident-nummer datum klant Sealbagnr opmerkingen Iso Jaar Cou

naam

10968 13-07-15 [...] 146226733 12.00.58.111 500 € 2002 500

( SERVICIN 6 (74X) VALS (74X )

G)

10979 15-07-15 [...] 145903393 12.00.58.111 500 € 2002 500

( SERVICIN 8 (70X) VALS (70X )

G)

10976 15-07-15 [...] 1465741973 16.03.78.494 50 € 2002 500

( SERVICIN 0 (34X) VALS (34X ) […]’


2.10.

In een brief van De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) aan GSN van 23 juli 2015 staat het volgende:


Onderwerp

Ontvangstbevestiging zending Falsificaties


Geachte heer/mevrouw,


Betreft zending falsificaties met sealbagnummer 10000051321326 en inc. nrs. 10.951 t/m 11.000 .


In uw zending werd aangetroffen:


Valuta: coupure: aantal: geregistreerd onder nummer:

EUR (euro) 20 11 61150

EUR (euro) 50 67 61150

EUR (euro) 500 525 61150


Wij verzoeken u het nummer waaronder wij de falsificatie’s hebben geregistreerd altijd te vermelden bij eventuele vragen. […]’


2.11.

Bij brief van 8 oktober 2015 heeft [eiser] Rabobank gesommeerd de registraties ongedaan te maken en zijn lopende rekeningen weer normaal te laten functioneren.


2.12.

Bij brief van 13 oktober 2015 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde registraties en om opheffing van zijn bankrekeningen gevraagd.


2.13.

Bij brief van 30 oktober 2015 heeft Rabobank [eiser] meegedeeld dat de omstandigheden van de zaak voldoende aanleiding zijn om hem te registreren, zodat beide registraties gehandhaafd blijven.


2.14.

In februari 2016 heeft [eiser] in kort geding gevorderd Rabobank te veroordelen om de door haar verrichte registraties in het extern verwijzingsregister en het incidentenregister ongedaan te maken. Deze vordering is afgewezen bij vonnis van 2 maart 2016 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland.

2.15.

[eiser] ontvangt een uitkering. Deze wordt door de Sociale Dienst overgemaakt naar een bankrekening van zijn moeder.


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van Rabobank, uitvoerbaar bij voorraad, tot intrekking van de melding in het incidentenregister en het EVR, op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000, en veroordeling van Rabobank in de kosten van dit geding.


3.2.

Hieraan legt [eiser] ten grondslag dat de registratie niet gerechtvaardigd is omdat a) hij geen strafbaar feit heeft gepleegd, b) niet vast staat dat de door hem gestorte bankbiljetten vals zijn en c) er, in verband met de registratie in het EVR, geen enkele Nederlandse bankinstelling is die een bankrelatie met hem wil aangaan.


3.3.

Rabobank voert verweer en concludeert (samengevat) tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] , in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente, en veroordeling in de nakosten.


3.4.

Rabobank betoogt dat zij [eiser] op goede gronden in haar IVR en het EVR heeft opgenomen. [eiser] heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van Rabobank of aan het witwassen van (vals) geld. Wat betreft dit laatste stelt Rabobank dat [eiser] , als moet worden aangenomen dat hij niet wist dat de bankbiljetten vals waren, in ieder geval behoorde te weten dat de 500 eurobiljetten ‘verdacht’ waren en dat hij niet tot storting en directe opname van kleinere coupures had moeten overgaan. [eiser] had zich bewust moeten zijn van de mogelijkheid dat hij gebruikt werd als katvanger voor witwaspraktijken. In verband met zijn gebrek aan een kritische houding in omstandigheden die voor ieder redelijk denkend mens als verdacht zijn aan te merken, vormt [eiser] een gevaar voor de integriteit van de financiële sector in Nederland.


3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

In de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) is bepaald dat, in gevallen als het onderhavige, door een (rechts)persoon bij de rechtbank een verzoekschrift kan worden ingediend met het verzoek een financiële instelling te bevelen zijn of haar naam, geboortedatum en adres (hierna ook: gegevens) uit het IVR en EVR te verwijderen (zie artikel 46 Wbp in combinatie met, bijvoorbeeld, de artikelen 36 en 45 Wbp). [eiser] heeft echter geen verzoekschrift ingediend, maar heeft Rabobank gedagvaard. Mede gelet op het betoog van [eiser] in deze procedure houdt de rechtbank het er daarom voor dat [eiser] heeft bedoeld te stellen dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld door zijn gegevens op te nemen in haar IVR en het EVR en nog steeds onrechtmatig handelt zolang deze registraties niet zijn verwijderd, en/of dat Rabobank op grond van de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid verplicht is hem uit de registers te verwijderen.


4.2.

Voor de (voortdurende) opname van gegevens van een persoon door een financiële instelling in het EVR, welke registratie de meest verstrekkende gevolgen heeft, gelden op grond van het protocol (artikel 5.2.1, zie 2.2) de volgende eisen:


De gedraging(en) van de persoon vormen of kunnen een bedreiging vormen voor 1) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een financiële instelling, alsmede de (organisatie van de) financiële instelling zelf of 2) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

Het staat in voldoende mate vast dat de persoon betrokken is bij de onder a) genoemde gedraging(en). Hiervoor geldt dat sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden, dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin van artikel 350 Wetboek van strafvordering - kunnen dragen. Het moet daarbij gaan om vastgestelde gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de in de registers te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan (zie HR 29 mei 2009, ECLI:HR:2009:BH4720).

De afdeling veiligheidszaken van de financiële instelling heeft het proportionaliteitsbeginsel in acht genomen.


4.3.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze vereisten is voldaan, zodat Rabobank niet kan worden verplicht tot verwijdering van de gegevens van [eiser] uit het IVR en EVR. Dit wordt hieronder toegelicht.


4.4.

De automaat waarin [eiser] op 11 juli en 13 juli 2015 € 500-biljetten heeft gestort, heeft deze biljetten niet met voldoende zekerheid herkend als vals. Ter zitting is namens Rabobank verklaard dat de door [eiser] gestorte € 500-biljetten vrij goed waren vervalst. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat [eiser] wist dat de biljetten vals waren of willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de biljetten vals waren. Het voor een bewezenverklaring van oplichting vereiste opzet ontbreekt dus. Het handelen van [eiser] , bestaande uit de stortingen van de € 500-biljetten en het vervolgens opnemen van bedragen in kleinere coupures, kan wel worden gekwalificeerd als schuldwitwassen (artikel 420 quater Sr.). Dit oordeel is gebaseerd op de volgende omstandigheden.


4.5.

Van de door [eiser] op 11 en 13 juli 2015 gestorte € 500-biljetten zijn er tenminste 26 vals. Dit volgt uit de schriftelijke verklaring van Rabobank van 12 februari 2016, de brief van GSN van 3 oktober 2016 en de brief van De Nederlandse Bank van 23 juli 2015 (zie 2.7 tot en met 2.9), bezien in hun samenhang.


4.6.

Een vals bankbiljet is een voorwerp in de zin van artikel 420 quater Sr. Dit artikel stelt als voorwaarde dat het voorwerp afkomstig is uit misdrijf. Aan die voorwaarde is voldaan als het gaat om valse bankbiljetten (zie de artikelen 208 tot en met 215 Sr.). Onder omzetten in de zin van de witwasbepalingen in het Wetboek van Strafrecht (waaronder artikel 420 quater Sr.) wordt verstaan het wisselen van (vals) geld. [eiser] heeft valse € 500-biljetten gewisseld voor kleinere coupures. Afgaande op de juistheid van de door [eiser] gestelde gang van zaken zijn dus voorwerpen, afkomstig uit misdrijf, omgezet (en voorhanden gehad).


4.7.

Verder is voor een bewezenverklaring van schuldwitwassen vereist dat degene die het voorwerp heeft omgezet (of bijvoorbeeld voorhanden heeft gehad) redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp onmiddellijk of middellijk (direct of indirect) afkomstig was uit enig misdrijf. Volgens [eiser] heeft [A] hem verteld dat hij een auto (BMW) heeft verkocht voor € 30.500 in contanten. Niet uitgesloten kan worden dat deze verkoop heeft plaatsgevonden. Uitgaande van de juistheid van de verklaring die [eiser] bij de politie heeft afgelegd (en waarover hij ter comparitie heeft meegedeeld dat die verklaring klopt) had [eiser] toch redelijkerwijs moeten vermoeden dat de € 500-biljetten die [A] aan hem heeft overhandigd direct of indirect afkomstig waren van enig misdrijf (zoals bijvoorbeeld de verkoop van drugs of valsemunterij), aangezien:

  • - [A] [eiser] heeft verteld dat hij alleen een buitenlandse bankrekening had, terwijl [eiser] hem al gedurende ongeveer tweeënhalf jaar vaak in zijn woonplaats had gezien, zodat het niet hebben van een Nederlandse bankrekening op zijn minst de vraag oproept waarom niet
  • - [eiser] wist dat een kassamedewerkster had geweigerd een biljet van € 500 van [A] in ontvangst te nemen, waaruit [eiser] heeft moeten afleiden dat € 500-biljetten niet gangbaar zijn (voor zover hij dat niet al wist)
  • - [A] de verkoopopbrengst, bestaande uit 61 biljetten van € 500, aan [eiser] heeft gegeven met de vraag deze voor hem te storten, dit bedrag in kleinere coupures weer op te nemen en deze coupures aan hem af te geven
  • - [A] bereid was om [eiser] hiervoor 3% van het gewisselde bedrag te betalen
  • - [eiser] niet weet wat de achternaam van [A] is en waar hij woont.

4.8.

[eiser] had kunnen en moeten bedenken dat het heel vreemd is dat iemand hem, een vage kennis, vraagt om een dergelijk groot bedrag te wisselen, maar dat een logische verklaring hiervoor kan zijn dat die persoon er juist belang bij heeft dat hij, door op deze manier gebruik te maken van de diensten van [eiser] , moeilijk traceerbaar is voor de politie. Toch heeft [eiser] niets gedaan om die logische verklaring nader te onderzoeken en heeft hij gedaan wat [A] van hem vroeg. Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de gedragingen van [eiser] de bewezenverklaring (in de zin van artikel 350 Wetboek van strafvordering) van schuldwitwassen kunnen dragen. Dit soort gedragingen kan een bedreiging vormen voor de integriteit van de financiële sector.


4.9.

Een gevolg van de opname van de gegevens van [eiser] in het EVR is dat geen enkele bank met hem een zakelijke relatie wenst aan te gaan. Op grond van het Convenant Basis Bankdiensten is Rabobank echter verplicht op verzoek van [eiser] een betaalrekening voor hem te openen. In het licht hiervan en gelet op de overige omstandigheden is de opname van de gegevens van [eiser] door Rabobank in haar IVR en het EVR niet disproportioneel. Dat [eiser] tot op heden niet gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij Rabobank een betaalrekening te openen, kan hij niet aan Rabobank tegenwerpen. Verder heeft [eiser] geen enkele omstandigheid aangevoerd op grond waarvan ook het voortduren van de opname van zijn gegevens in de registers disproportioneel is.


4.10.

De conclusie luidt dat Rabobank de gegevens van [eiser] heeft mogen opnemen in haar IVR en het EVR en dat deze gegevens daarin geregistreerd mogen blijven (in beginsel totdat de in artikel 5.3.2 van het protocol voorgeschreven periode van 8 jaar is verstreken). Van onrechtmatig handelen van Rabobank ten opzichte van [eiser] is dus geen sprake. Ook de aanvullende eisen van de redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat Rabobank deze registraties moet verwijderen.


4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.749,00


De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna (in 5.2) is weergegeven. Ook de gevorderden nakosten zullen worden toegewezen.


5De beslissing

De rechtbank


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 1.749,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,


5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen (5.2 en 5.3) uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.

1 type: JvdB/4223 coll: RS/4234