Rechtbank Midden-Nederland, 08-03-2017 / 5389530


ECLI:NL:RBMNE:2017:1101

Inhoudsindicatie
CAO kleinmetaal verplicht werkgever niet om bij een geschil over de functie-indeling en -waardering gebruik te maken van door de CAO opengestelde procedure bij de zogenoemde Vakraad.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-08
Publicatiedatum
2017-03-24
Zaaknummer
5389530
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/1521
  • AR-Updates.nl 2017-0326
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5389530 UC EXPL 16-13874 MJ/1546


Vonnis van 8 maart 2017


inzake


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: FNV Individuele Belangenbehartiging,


tegen:


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

verschenen in de persoon van haar gevolmachtigde, L. Janmaat.



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenvonnissen van 5 oktober 2016 en 12 oktober 2016

- de comparitie van 2 februari 2017, waarvan aantekening is gehouden.


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

[eiser] is sedert 18 oktober 1999 werkzaam in dienst van [gedaagde] , aanvankelijk in de functie van chauffeur/medewerker hoofdmagazijn. Na een ongeval is [eiser] voor deze functie arbeidsongeschikt geraakt. Op 29 april 2015 is om die reden de functie van [eiser] gewijzigd naar de functie van productiemedewerker assemblage en is zijn bruto maandsalaris aangepast van € 1.915,15 naar het wettelijk minimum loon van € 1.501,80. Dit salaris hoort bij functiegroep 2 als bedoeld in de CAO Metaal en Techniek.


2.2.

In de in 1999 ondertekende arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald:

“Voor zover niet in deze arbeidsovereenkomst vermeld, is van toepassing de bepalingen in de CAO voor de kleinmetaal”. Deze CAO staat thans bekend als de CAO voor de Metaal en Techniek.


2.3.

In het rapport Reïntegratieonderzoek van arbeidsdeskundige T. van Bodegom van 26 november 2014 is vastgesteld dat [eiser] niet geschikt is voor zijn eigen werk bij [gedaagde] en dat dit eigen werk ook niet passend is te maken. Wel is geconcludeerd dat [eiser] geschikt is voor ander werk bij [gedaagde] en dat de passende functie is die van productiemedewerker assemblage. In het rapport is te lezen dat het personeelsbestand van [gedaagde] , afgezien van hogere functies, bestaat uit 8 medewerkers in productie en magazijn en iedere dag tussen de 30 en 60 mensen van de sociale werkplaats. De functie van productiemedewerker assemblage is in het rapport algemeen omschreven als “het assembleren van onderdelen tot een verwarmingsproduct (..) uitvoeren van eindcontrole.” De functie kent geen overschrijding van het belastbaarheidsprofiel van [eiser] omdat de werkzaamheden “zonder enige vorm van deadlines, hoog handelingstempo e.d.” kunnen worden verricht.



3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan de functie-indeling van de functie van [eiser] en wel door het invullen van het door de Vakraad voor Metaal en Techniek in bijlage 3 CAO Metaal en Techniek vastgestelde formulier en toezending aan genoemde Vakraad onder blijktijdige overlegging van een kopie van de brief aan de Vakraad en van het ingevulde formulier, alsmede de ontvangstbevestiging van de Vakraad aan [eiser] een en ander binnen 48 uur na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag of gedeelte van een dag, dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.


3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat een functie op grond van artikel 10 van de toepasselijke CAO Metaal en Techniek moet worden gewaardeerd en ingedeeld volgens het Handboek functie-indeling voor de Metaal en Techniek en dat [eiser] bij brief van zijn gemachtigde van 10 september 2015 aan [gedaagde] heeft gevraagd of die functiewaardering en -indeling heeft plaatsgevonden en zo dit niet het geval is, dit alsnog te doen. Bij brief van 12 november 2015 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat de reactietermijn van 2 maanden was overschreden en dat de externe beroepsprocedure volgens de CAO kan worden gestart bij de Vakraad. Procedurevoorschrift is daarbij, dat werkgever en werknemer een van de website van de Vakraad te downloaden formulier invullen en in onderling overleg tekenen. [gedaagde] heeft het invullen van dit formulier geweigerd waarna de Vakraad aan [eiser] op 11 februari 2016 heeft bericht dat de behandeling van het geschil niet kan plaatsvinden omdat partijen het niet eens zijn geworden over de gezamenlijk te formuleren antwoorden op bepaalde vragen. [gedaagde] weigert dus om mee te werken terwijl in bijlage 3 onder lid 6 van de CAO is bepaald dat [gedaagde] daartoe wel gehouden is.


3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanpassing van de arbeidsovereenkomst een gevolg is van het feit dat [eiser] door de gevolgen van een ongeval niet langer arbeidsgeschikt was voor zijn eigen functie en dat partijen uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt over een andere functie waarvoor [eiser] geen beperkingen heeft. Volgens [gedaagde] gaat het om aangepast werk, waarvoor destijds geen vacature bestond en die vergelijkbaar is met het werk dat wordt verricht door mensen die zijn aangewezen op werk van de sociale werkplaats. Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiser] met zijn salarisverlaging heeft ingestemd. Een hoger salaris is zij niet bereid te betalen en zij zou bij een hoger salaris ook geen andere functie aan [eiser] hebben aangeboden. Het standpunt van [eiser] komt er op neer dat hij recht heeft op eerlijk loon en dat dit moet worden vastgesteld door gebruik te maken van de procedure bij de Vakraad. Hij bestrijdt dat hij hetzelfde werk doet als mensen die op werk van de sociale werkplaats zijn aangewezen. Het bij functiegroep 2 behorende salaris is volgens hem niet afgestemd op de door hem verrichte werkzaamheden.


4.2.

In de kern betreft het geschil tussen partijen derhalve de vraag op welk loon [eiser] op grond van de CAO Metaal en Techniek aanspraak kan maken. Die vordering is echter niet aan de kantonrechter voorgelegd, nu [eiser] eerst gebruik wil maken van de bij CAO geboden mogelijkheid zijn functiewaardering en -indeling voor te leggen aan de Vakraad. [gedaagde] is ervan overtuigd dat zij het juiste salaris betaalt en zou reeds om die reden geen bezwaar hoeven hebben tegen de voorgestelde bindende advisering door de Vakraad. [gedaagde] verzet zich daar echter wel tegen en stelt zich op het standpunt dat zij hoe dan ook geen hoger salaris wenst te betalen omdat zij anders nooit aan [eiser] de aangepaste functie had aangeboden.


4.3.

Zoals de kantonrechter ter zitting heeft vastgesteld komt de vordering van [eiser] er dan ook op neer, dat [gedaagde] op grond van de CAO Metaal en Techniek gehouden is mee te werken aan een in de CAO geregelde procedure bij de zogenoemde Vakraad om te komen tot de juiste waardering en indeling van de functie van [eiser] in door de CAO genoemde functiegroepen.


4.4.

[eiser] beroept zich daarbij op artikel 10 van de CAO Metaal en Techniek dat luidt:

“II. BEGIN EN EINDE DIENSTVERBAND

10. INDELING VAN FUNCTIES

Artikel 10

1. De werkgever deelt de functie van de werknemer in. De werkgever deelt de door hem

vastgestelde functie-indeling mee aan de werknemer.

2. De indeling van de functie van de werknemer vindt plaats op basis van het meest

recente Handboek Functie-indeling voor de Metaal en Techniek (voorheen Handboek

Functie-indeling voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken) (FC-Handboek), dat

onderdeel uitmaakt van deze CAO.

Aantekeningen:

1. Zie artikel 36a voor de salarisgevolgen van de invoering van het FC-Handboek.

2. Het FC-Handboek is een afzonderlijke uitgave en is te bestellen bij de Vakraad.

3. Indien de werknemer een functie uitoefent die een samenstelling is van de functies die

zijn opgenomen in het FC-Handboek, dan worden in de aanstellingsbrief de

samenstellende functies vermeld.

4. Bij verschil van mening over de door de werkgever vastgestelde functie-indeling kan

de Vakraad worden verzocht de functie in te delen. De indeling van de Vakraad is

bindend.

Aantekening:

Zie voor de beroepsprocedure bijlage 3.

5. Ten aanzien van de introductie van het FC-handboek is artikel 27 Wet op de

ondernemingsraden van toepassing.

Aantekening:

Dit artikel houdt in dat zaken die niet inhoudelijk in de CAO zijn geregeld onderwerp van overleg zijn met het

medezeggenschapsorgaan. Zie voor de tekst van artikel 27 Wet op de ondernemingsraden bijlage 11B.”


4.5.

De kantonrechter oordeelt dat blijkens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel de Vakraad ‘kan’ worden verzocht de functie in te delen in welk geval de indeling van de Vakraad bindend is. De formulering van deze bepaling (“kan worden verzocht”) geeft aan dat een mogelijkheid wordt geboden, maar leidt niet tot de conclusie dat partijen ook verplicht zijn de procedure via de Vakraad te volgen. Pas als partijen hun verzoek aan de Vakraad hebben gedaan, zal deze voor partijen bindend beslissen over de indeling van de functie. Kortom, het bepaalde in artikel 10 van de CAO Metaal en Techniek dwingt niet tot de conclusie dat [gedaagde] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot functie-indeling door de Vakraad.


4.6.

Ter zitting kon de gemachtigde van [eiser] desgevraagd niet onderbouwen op welke grond desalniettemin van een verplichting van [gedaagde] tot het verlenen van medewerking kan worden gesproken.


4.7.

De kantonrechter dient evenwel de rechtsgronden aan te vullen en betrekt om die reden bijlage 3 bij de CAO Metaal en Techniek, waarnaar in het vierde lid van artikel 10 van die CAO is verwezen, bij de beoordeling. De CAO Metaal en Techniek is immers algemeen verbindend verklaard.


4.8.

In deze bijlage 3 is het volgende opgenomen:

“3. BEROEPSPROCEDURE BIJ INDELINGSGESCHIL

1. Indien de werknemer van mening is dat de door de werkgever vastgestelde functieindeling

niet juist is, kan hij schriftelijk bezwaar indienen bij de werkgever. De

werknemer kan daarbij zijn v.v. inschakelen

2. De werkgever bevestigt de ontvangst van het bezwaarschrift en neemt het in

behandeling.

3. De werkgever deelt zijn standpunt schriftelijk en gemotiveerd mee aan de werknemer.

4. Indien dit standpunt niet leidt tot overeenstemming of wanneer de werkgever niet

binnen 2 maanden na het indienen van het bezwaarschrift zijn standpunt schriftelijk

heeft kenbaar gemaakt vullen werkgever en werknemer, in overleg, het

vragenformulier in dat door de w.v. en v.v. is vastgesteld ten behoeve van het

onderzoek naar de functie-inhoud van functies in de Metaal en Techniek. De

werknemer kan ook hierbij zijn v.v. inschakelen. Zowel de werkgever als de

werknemer dienen dit formulier te ondertekenen. Indien dit formulier uitsluitend door

de werknemer is ondertekend zal de Vakraad de werkgever verzoeken mee te werken

aan de procedure. De werkgever is gehouden aan dit verzoek van de Vakraad te

voldoen. Dit vragenformulier is verkrijgbaar bij de Vakraad.

5. Het ingevulde en ondertekende vragenformulier dient gezonden te worden naar de

Vakraad. Op basis van de bevindingen van de indelingscommissie doet de Vakraad

schriftelijk een bindende uitspraak met betrekking tot de functie-indeling.

6. Indien de uitspraak van de Vakraad leidt tot een hogere indeling dan werkt dit terug tot

de datum waarop de werknemer zijn bezwaar schriftelijk bij de werkgever heeft

ingediend.”


4.9.

In onderdeel vier van deze bijlage is bepaald dat de werkgever gehouden is te voldoen aan een verzoek van de Vakraad om mee te werken aan de procedure in het geval het verzoek uitsluitend door de werknemer is ondertekend. Dit zou kunnen wijzen op een verplichting van de werkgever om mee te werken aan de in artikel 10 van de CAO geboden mogelijkheid van functie-indeling door de Vakraad. Toch is dit gelet op de duidelijke tekst van artikel 10 CAO onvoldoende. In de overgelegde brief van de Vakraad aan [gedaagde] van 14 december 2015 is ook slechts het verzoek te lezen:

“Bij deze verzoeken wij u conform de CAO, in het bijzonder bijlage 3, het vragenformulier gezamenlijk in te vullen en te ondertekenen en aan ons te retourneren.”

Dat sprake is van een verplichting van [gedaagde] is in die brief niet met zoveel woorden te lezen.

Daarbij komt dat in de overgelegde brief van de Vakraad aan de gemachtigde van [eiser] van 11 februari 2016 is te lezen:“Inmiddels is gebleken dat partijen het niet eens kunnen worden om gezamenlijke antwoorden op bepaalde vragen te formuleren waardoor er voor de leden van de Indelingscommissie geen basis is om dit geschil in behandeling te nemen.”

Ook hieruit volgt dat alleen in het geval partijen tot een gezamenlijke beantwoording van bepaalde vragen kunnen komen, sprake kan zijn van een beslissing door de Vakraad. Er moet derhalve sprake zijn van overeenstemming tussen partijen over bepaalde uitgangspunten. Dit betekent dat in het geval reeds over die uitgangspunten geen overeenstemming bestaat, geen procedure bij de Vakraad kan volgen. Met dit systeem is niet in overeenstemming dat een werkgever toch gehouden zou zijn diens medewerking aan die procedure te verlenen.


4.10.

De kantonrechter concludeert dat de vordering van [eiser] geen rechtsgrond heeft, zodat die zal worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] , die worden begroot op nihil.



5De beslissing


De kantonrechter:


wijst de vordering af;


veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.