Rechtbank Midden-Nederland, 15-03-2017 / C/16/433318 / KL ZA 17-69


ECLI:NL:RBMNE:2017:1277

Inhoudsindicatie
Vordering in kort geding tot afgifte van drie mallen. Eiseres heeft eigendom voldoende aannemelijk gemaakt. Ook belangafweging valt in haar voordeel uit. Vordering wordt toegewezen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-15
Publicatiedatum
2017-04-05
Zaaknummer
C/16/433318 / KL ZA 17-69
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/1780
  • INS-Updates.nl 2017-0122
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Lelystad


zaaknummer / rolnummer: C/16/433318 / KL ZA 17-69


Vonnis in kort geding van 15 maart 2017 (bij vervroeging)


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.M. Kroone te Alkmaar,


tegen


LAMBERTUS THEODORUS LONIS Q.Q.

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijfsnaam 1] B.V.,

kantoorhoudende en wonende te Lelystad,

gedaagde,

verschenen in persoon.



Partijen zullen hierna WES en de curator genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 22 februari 2017 met producties 1 t/m 19
  • - de brief d.d. 28 februari 2017 van de curator met producties 20 t/m 26
  • - de brief d.d. 1 maart 2017 van [eiseres] met productie 27
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van [eiseres]
  • - de pleitnota van de curator
  • - 3 producties van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met het ontwikkelen, produceren en verkopen van windmolens. De onderneming van [eiseres] is een voortzetting van de onderneming van [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), die op 23 juni 2015 is gefailleerd.


2.2.

[bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) dreef een onderneming, die zich bezig hield met de fabricage van composiet (polyester) producten. Op 29 november 2016 is het faillissement uitgesproken met benoeming van de curator tot curator.


2.3.

Zowel [bedrijfsnaam 2] als [eiseres] lieten de windmolenbladen (wieken) van haar windmolens […] , […] , […] en […] fabriceren door [bedrijfsnaam 1] . Voor de fabricage van de windmolenbladen worden mallen gebruikt.


2.4.

Voor de productie van de bladen voor de windmolens […] , […] en […] werd in het verleden de LW18mal gebruikt. Deze mal wordt op dit moment als reservemal gebruikt. Voor de productie van de bladen voor deze molens wordt op dit moment een andere mal (hierna: India-mal) gebruikt. Voor de windmolen […] wordt gebruik gemaakt van de LW30mal.


2.5.

[eiseres] heeft bij koopovereenkomst van 2 juli 2015 alle activa, inclusief immateriële activa en goodwill gekocht en overgedragen gekregen van [bedrijfsnaam 2] . In de koopovereenkomst in samenhang met het bijhorende expertiserapport staat – voor zover relevant – vermeld dat een drietal mallen, die volgens eigen opgave van [bedrijfsnaam 2] haar eigendom zijn, zich bevinden bij [bedrijfsnaam 1] en dat [bedrijfsnaam 1] daarover een retentierecht uitoefent die door [eiseres] voor eigen rekening en risico zal worden afgehandeld.


2.6.

Op 16 februari 2016 heeft [eiseres] een brief verstuurd naar [bedrijfsnaam 1] . Het onderwerp van de brief betreft “Afhandeling claim retentierecht productiemiddelen [eiseres] B.V. [ [eiseres] , toev. vzr]”. In de overeenkomst staat voorts het volgende vermeld:

“Tijdens het faillissement van [bedrijfsnaam 2] ( [bedrijfsnaam 2] ) BV [ [bedrijfsnaam 2] , toev. vzr] heeft [bedrijfsnaam 1] BV retentierecht uitgevoerd op productiemiddelen van [bedrijfsnaam 2] ( [bedrijfsnaam 2] ) BV [ [bedrijfsnaam 2] , toev. vzr], welke bij [bedrijfsnaam 1] BV t.b.v. vervaardiging van bladen aanwezig zijn.


Na de doorstart van [bedrijfsnaam 2] is kenbaar gemaakt dat het wenselijk is de productiemiddelen in eigendom te krijgen van [eiseres] B.V. [ [eiseres] , toev. vzr]. Gezamenlijk zijn we overeengekomen dat het retentie recht op de aanwezige productiemiddelen bij [bedrijfsnaam 1] BV zal vervallen na de huidig lopende inkoop orders van [eiseres] B.V. [ [eiseres] , toev. vzr]. (…) De laatste amortisering van het retentierecht is over beide orders verwerkt.


We kunnen aan uw wens voor vervroegde betaling bij aankomende levering van (…) voldoen. Als voorwaarde willen we hier wel aan verbinden dat na betaling elk retentierecht van [bedrijfsnaam 1] BV op de productiemiddelen zal vervallen. De productiemiddelen zullen na betaling eigendom zijn van [eiseres] B.V. [ [eiseres] , toev. vzr].


Graag ontvangen we voor akkoord deze brief getekend retour, waarmee eigendomsoverdracht van deze productiemiddelen naar [eiseres] B.V. [ [eiseres] , toev. vzr] door beide partijen wordt erkend en bevestigd, wanneer de betaling voor de 2 sets W80 bladen is voldaan.”


2.7.

Bij e-mail van 24 februari 2016 heeft [A] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] , aan [eiseres] een door de directeur van [bedrijfsnaam 1] , [B] , getekend exemplaar van de onder 2.6. vermelde brief terug gestuurd. In de mail staat voorts vermeld dat het retentierecht dat [bedrijfsnaam 1] had op de bij [bedrijfsnaam 1] aanwezige productiemiddelen van [eiseres] met het ondertekenen van het document en met inachtneming van de in het document genoemde voorwaarden is komen te vervallen. Deze e-mail is in cc onder andere naar [B] en [C] gestuurd.


2.8.

[eiseres] heeft de hiervoor onder 2.6 genoemde betalingen op respectievelijk 24 februari 2016 en 29 maart 2016 voldaan.


2.9.

Op 29 november 2016 is [bedrijfsnaam 1] in staat van faillissement verklaard. In opdracht van de curator heeft makelaarskantoor [naam makelaarskantoor] B.V. de roerende zaken welke zich in of nabij de bedrijfsruimte van [bedrijfsnaam 1] bevinden geïnventariseerd en getaxeerd. In het taxatierapport staan op de inventarislijst onder 1.18 (pag.9) een vijftal mallen genoemd, waarvan bij drie mallen staat vermeld dat deze eigendom zijn van [eiseres] . Onder het kopje “Eigendom derden” (pag.12) staan dezelfde mallen nogmaals vermeld.


2.10.

De curator weigert de mallen af te geven aan [eiseres] .


2.11.

Op 9 februari 2017 heeft [eiseres] een verzoek ex artikel 69 Faillissementswet ingediend bij de rechter-commissaris om de curator te bevelen de mallen af te geven aan [eiseres] . Dit verzoek is afgewezen, omdat [eiseres] niet tot de in die bepaling genoemde personen behoort alsmede omdat de waarnemend rechter-commissaris onvoldoende is gebleken van het gepretendeerde eigendomsrecht.



3Het geschil


3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair, de curator te bevelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot afgifte van de drie mallen windmolenbladen inclusief toebehoren de LW18, de LW30 en de India-mal, welke goederen zich in de bedrijfsruimte of op het terrein van de gefailleerde [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te [vestigingsplaats] bevinden, op straffe van een door de curator te verbeuren dwangsom van € 50.000,- per dag of dagdeel dat de curator nalaat hieraan te voldoen met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 1.000.000,-;


subsidiair, de curator te bevelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot afgifte van de drie mallen windmolenbladen inclusief toebehoren de LW18, de LW30 en de India-mal, welke goederen zich in de bedrijfsruimte of op het terrein van de gefailleerde [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te [vestigingsplaats] bevinden, teneinde [eiseres] in staat te stellen haar productie van windmolenbladen te hervatten, zulks onder de voorwaarde dat [eiseres] binnen twee weken na dit vonnis een bodemprocedure is gestart tegen de curator betreffende het geschil inzake de eigendomsrechten van de mallen;


II. de curator te veroordelen in de kosten van deze procedure.


3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] aangevoerd dat de drie mallen, die zijn opgeslagen bij [bedrijfsnaam 1] , haar eigendom zijn. De directie van [bedrijfsnaam 2] heeft destijds de drie mallen, inclusief toebehoren, als haar eigendom aangewezen. Ook [bedrijfsnaam 1] heeft dit eigendomsrecht destijds erkend door de uitoefening van haar retentierecht jegens [bedrijfsnaam 2] op de mallen. Het eigendomsrecht op de mallen van [bedrijfsnaam 2] was destijds niet in geschil. De curator van [bedrijfsnaam 2] heeft dit eigendomsrecht verkocht en met instandhouding van het retentierecht overgedragen aan [eiseres] . Ook deze eigendomsoverdracht is volgens [eiseres] erkend door [bedrijfsnaam 1] , nu tussen hen een regeling is getroffen met betrekking tot de opheffing van het retentierecht. [eiseres] voert tevens aan dat de mallen en toebehoren zijn voorzien van gepopnagelde metalen naamplaten met daarop de naam en het logo van [bedrijfsnaam 2] . Voor wat betreft de India-mal heeft [eiseres] daarnaast een factuur overgelegd waaruit blijkt dat deze mal in opdracht van [bedrijfsnaam 2] door [bedrijfsnaam 3] is gefabriceerd. Tot slot stelt [eiseres] dat een composiet bedrijf als [bedrijfsnaam 1] in beginsel geen eigen mallen heeft, maar gebruik maakt van de mallen die eigendom zijn van haar opdrachtgevers. [eiseres] heeft een zeer zwaarwegend en spoedeisend belang bij haar vordering, omdat de productie van windmolens inmiddels al drie maanden stil ligt en [eiseres] haar contractuele verplichtingen niet na kan komen zolang zij geen beschikking heeft over de mallen.


3.3.

De curator voert verweer en stelt dat [eiseres] haar eigendomsclaim tot op heden niet afdoende met stukken heeft onderbouwd. Aangezien de mallen op de bodem van [bedrijfsnaam 1] stonden op het moment van faillissement wordt de boedel als bezitter van de mallen vermoed rechthebbende te zijn. Daarnaast stelt de curator dat de betreffende mallen eigendom zijn van [bedrijfsnaam 1] , omdat deze destijds onderdeel uitmaakten van de boedel van (de failliete) [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ), welke boedel in 2013 door [bedrijfsnaam 1] grotendeels is overgenomen. Voor zover er toch sprake is geweest van enige overeenstemming tot overdracht van de mallen, houdt de curator het er voor dat de overdracht niet is voltooid omdat [eiseres] niet aan haar toezeggingen c.q. verplichtingen heeft voldaan. In het geval er wel sprake is geweest van een eigendomsoverdracht is de curator van mening dat de overeenkomst vernietigd dient te worden wegens misbruik van omstandigheden c.q. benadeling van schuldeisers.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering is de voorzieningenrechter voldoende gebleken.


4.2.

Kern van het geschil is tot wiens eigendom de drie mallen met toebehoren (LW18, LW30 en de India-mal), die zich op het terrein van het gefailleerde [bedrijfsnaam 1] bevinden, gerekend moeten worden. Indien [eiseres] eigenaar is van de mallen dan heeft zij recht op afgifte van de mallen. Is dit niet het geval dan behoren de mallen tot de boedel en kan [eiseres] geen aanspraak maken op de mallen.


4.3.

De voorzieningenrechter acht voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] eigenaar is van de betreffende mallen en overweegt hiertoe als volgt. Vast staat dat [bedrijfsnaam 1] , thans de boedel, bezitter is van de mallen. Uit hoofde van artikel 3:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt de boedel dan ook vermoed rechthebbende te zijn op de mallen. Het is vervolgens aan [eiseres] om haar eigendomsrecht te bewijzen. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar eigendomsrecht in de eerste plaats verwezen naar de activa-overeenkomst die in 2015 tussen de curator van [bedrijfsnaam 2] en [eiseres] is gesloten. In deze overeenkomst worden de drie mallen expliciet genoemd in verband met het door [bedrijfsnaam 1] ingeroepen retentierecht. Hoewel aan [eiseres] kan worden toegegeven dat het inroepen van een retentierecht door [bedrijfsnaam 1] impliceert dat [bedrijfsnaam 1] erkent geen eigenaar te zijn van de mallen, levert deze overeenkomst in samenhang met het taxatierapport naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog geen doorslaggevend bewijs van haar stelling. Onderliggende stukken waaruit blijkt dat [bedrijfsnaam 1] daadwerkelijk een retentierecht heeft ingeroepen ontbreken namelijk, terwijl [bedrijfsnaam 1] zelf geen partij is geweest bij de activa-overeenkomst. Daarnaast blijkt uit het bijbehorende taxatierapport dat de mallen, die zich op dat moment al bij [bedrijfsnaam 1] bevonden, door de directie van [bedrijfsnaam 2] zelf zijn aangewezen als hun eigendom. Daarmee staat het eigendomsrecht van [bedrijfsnaam 2] echter nog niet vast. Daarvoor is meer nodig.


India-mal

4.4.

[eiseres] heeft daartoe een invoicebericht overgelegd (productie 2, dagvaarding) dat volgens haar ziet op de fabricage van de India-mal. Het document is gedateerd op 24 februari 2012 en het betreft een voorstel van [bedrijfsnaam 3] voor een aanbetaling van de […] . Onderaan het document staat vermeld dat er binnen zeven dagen moet worden geklaagd, bij gebreke waarvan een akkoord wordt verondersteld. Op het document zit een stempel van [eiseres] waarin is ingevuld dat de betaling op 29 maart 2012 heeft plaatsgevonden. Dat deze betaling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is door de curator niet (voldoende) betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] hiermee voorshands voldoende aangetoond dat de mal destijds in opdracht van [bedrijfsnaam 2] door [bedrijfsnaam 3] is gefabriceerd. Middels de betaling heeft [bedrijfsnaam 2] immers het aanbod van [bedrijfsnaam 3] aanvaard. De gegevens op het invoicebericht lijken overeen te komen met bijlage F bij de brief van de curator van 20 februari 2017 aan de rechter-commissaris (productie 15, dagvaarding). In deze brief stelt de curator dat de aanduiding (als in bijlage F) op de productiemiddelen is aangetroffen. Een en ander in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat het naar oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk is geworden dat de mal in opdracht van [bedrijfsnaam 2] door [bedrijfsnaam 3] is geproduceerd en dat [bedrijfsnaam 2] derhalve eigenaar was van de betreffende mal, welk eigendomsrecht door middel van de activa-overeenkomst uit 2015 is overgegaan op [eiseres] .


4.5.

De stelling van de curator dat de mal tot de boedel van de inmiddels failliete [bedrijfsnaam 3] behoorde, welke boedel door [bedrijfsnaam 1] is overgenomen, kan reeds hierom niet worden gevolgd. De mal behoorde immers niet tot het eigendom van [bedrijfsnaam 3] en kon dan ook niet worden overgedragen aan [bedrijfsnaam 1] . De juistheid van deze stelling kan ook niet worden afgeleid uit het feit dat de mal in de activa-overeenkomst uit 2013, die is opgesteld in het kader van het faillissement van [bedrijfsnaam 3] , niet expliciet wordt benoemd in artikel 1.1. In dit artikel staat immers dat de activa wordt overgedragen voor zover eigendom van [bedrijfsnaam 3] . Dat de India-mal vervolgens ontbreekt in het rijtje activa dat uitgezonderd is van de verkoop maakt nog niet dat daaruit kan worden afgeleid dat de India-mal eigendom was van [bedrijfsnaam 3] . Daarbij komt dat op de eerste pagina van de desbetreffende overeenkomst staat vermeld dat [bedrijfsnaam 3] een onderneming is die actief is in onder meer het produceren van mallen én bladen voor windturbines. Dat impliceert dat [bedrijfsnaam 3] mallen in opdracht van derden maakte. In het geval de mallen tot haar productiemiddelen zouden behoren om het maken van rotorbladen mogelijk te maken, zou het fabriceren van mallen logischerwijs niet in haar bedrijfsomschrijving voorkomen. Het verweer van de curator wordt derhalve verworpen.


LW18mal

4.6.

Met betrekking tot de LW18mal heeft [eiseres] ter zitting een factuur gedateerd op 30 september 2016 overgelegd waaruit blijkt dat [eiseres] aan [bedrijfsnaam 1] huur betaalde voor de opslag van de mal. De curator heeft de juistheid van de factuur niet betwist, zodat de voorzieningenrechter voorshands ervan uitgaat dat [eiseres] inderdaad huur betaalde aan [bedrijfsnaam 1] voor de opslag van de mal. Dit levert dan ook een duidelijke aanwijzing op dat [bedrijfsnaam 1] (slechts) houder was van de LW18mal van [eiseres] .


LW30mal

4.7.

Ter zitting heeft [eiseres] tevens twee facturen overgelegd in verband met de reparatie en uiteindelijk vervanging van een onderdeel van de LW30mal. In het algemeen kan worden aangenomen dat dergelijke kosten voor rekening komen van de eigenaar van een goed. Ook hieruit kan derhalve redelijkerwijs worden opgemaakt dat [eiseres] als eigenaar van de mal heeft te gelden. De stelling van de curator dat deze kosten in overleg met partijen voor rekening van [eiseres] zijn gebracht, omdat de financiën van [bedrijfsnaam 1] op dat moment al niet toereikend waren en beiden er belang bij hadden dat er goede bladen zouden worden gemaakt, is door [eiseres] uitdrukkelijk betwist. De curator heeft zijn stelling in dit verband ook niet nader onderbouwd. Aan de curator kan worden toegegeven dat de facturen niet eerder dan ter zitting zijn overgelegd, maar de facturen maakten reeds onderdeel uit van de stukken en zijn in die zin ook niet nieuw voor de curator. Dit blijkt ook wel uit zijn verweer.


4.8.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat tussen partijen is gecorrespondeerd over het opheffen van het retentierecht van [bedrijfsnaam 1] op de bij haar aanwezige mallen. [eiseres] merkt terecht op dat [bedrijfsnaam 1] daarmee impliciet erkent dat zij geen eigenaar is van de mallen. Aan de curator kan worden toegegeven dat de inhoud van de brief van 16 februari 2016 van [eiseres] aan [bedrijfsnaam 1] enigszins verwarrend is, omdat zowel over het vervallen van het retentierecht als eigendomsoverdracht gesproken wordt (zie. r.o. 2.6). De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat uit de inhoud van de brief, in samenhang met hetgeen is vermeld in de onderwerpregel, alsmede uit de inhoud van de e-mail van een medewerker van [bedrijfsnaam 1] van 24 februari 2016 als reactie op de brief (zie r.o. 2.7) duidelijk is dat partijen het opheffen van het retentierecht voor ogen hadden. Dat [bedrijfsnaam 1] niet op de hoogte was van de juridische betekenis van het retentierecht, zoals door de curator gesteld, acht de voorzieningenrechter gelet op de inhoud van de betreffende e-mail niet aannemelijk nu daar nog eens ondubbelzinnig wordt bevestigd dat het retentierecht van [bedrijfsnaam 1] op de bij haar aanwezige productiemiddelen van [eiseres] komt te vervallen. De stelling van de curator dat deze e-mail door een daartoe onbevoegde werknemer is verzonden, kan hem evenmin baten nu de mail in cc tevens naar de directie van [bedrijfsnaam 1] is verzonden, terwijl daarnaast de directeur van [bedrijfsnaam 1] de brief van [eiseres] ter bevestiging heeft ondertekend. Daarmee heeft [bedrijfsnaam 1] in ieder geval bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij akkoord ging met het vervallen van het retentierecht. De curator heeft tot slot nog gesteld dat een en ander heeft plaatsgevonden door de druk die zijdens [eiseres] is uitgeoefend op de directie van [bedrijfsnaam 1] . Deze stelling is echter op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit door [eiseres] uitdrukkelijk is betwist. Daarbij komt de door [eiseres] ter zitting geschetste gang van zaken de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor. Dit verweer zal derhalve worden gepasseerd.


4.9.

[eiseres] heeft tot slot nog gesteld dat composietproducenten als [bedrijfsnaam 1] in beginsel geen eigen mallen bezitten, maar bij de productie van de bladen gebruik maken van de mallen van de opdrachtgevers. De curator heeft dit betwist en daartoe gesteld dat [bedrijfsnaam 1] wel degelijk eigen mallen in haar bezit heeft. Deze stelling wordt echter niet onderbouwd door het taxatierapport dat in zijn opdracht is gemaakt. In dat rapport wordt geen melding gemaakt van mallen, die tot de bedrijfsinventaris van [bedrijfsnaam 1] zouden behoren. In ditzelfde rapport staat daarentegen wel expliciet vermeld dat de onderhavige mallen eigendom van [eiseres] zijn (pag.12). Dit alles in ogenschouw nemende is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij eigenaar is van de drie mallen met toebehoren (LW18, LW30 en de India-mal). Dit betekent dat de vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt.


4.10.

Bij de afweging tot toewijzing van de gevraagde voorzieningen spelen tevens de belangen van partijen een rol. Niet in geschil is dat [eiseres] een groot belang heeft bij afgifte van de onderhavige mallen, omdat haar bedrijfsvoering in gevaar komt. [eiseres] heeft daartoe onbetwist gesteld dat zolang zij niet de beschikking heeft over de mallen, zij geen bladen kan maken en derhalve haar verplichtingen tot het leveren van windmolens niet kan nakomen. Evenmin betwist is dat de productie nu reeds drie maanden stil ligt en het opnieuw maken van een mal, inclusief het afstellen daarvan, minimaal een periode van een half jaar zal vergen. Dit betekent dat de productie van [eiseres] ongeveer gedurende driekwart jaar tot een jaar stil zal liggen. Tevens is van belang dat de onderhavige mallen alleen gebruikt kunnen worden voor het maken van bladen voor de windmolens van [eiseres] en derhalve niet voor molens van derden. Het belang van de boedel is een zo hoog mogelijke opbrengst. Niet in geschil is dat de waarde van de mallen an sich niet hoog is. Volgens de curator zijn de mallen echter waarschijnlijk nog nodig om de rotorbladen, die reeds door [bedrijfsnaam 1] zijn gefabriceerd, te voltooien. Dit laatste wordt overigens door [eiseres] betwist, terwijl [eiseres] tevens heeft verklaard dat zij geen opdracht heeft gegeven tot het fabriceren van (het grootste deel van) de aanwezige bladen, zij evenmin tot aankoop van deze bladen wenst over te gaan omdat er een productiefout inzit en de bladen niet aan een ander kunnen worden verkocht omdat zij alleen bestemd zijn voor windmolens van [eiseres] . Alles tegen elkaar afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [eiseres] bij de door haar gevraagde voorziening groter is dan het belang van de curator zal zijn bij afwijzing van de vordering.


4.11.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter de primaire vordering toewijzen. Met toewijzing van de primaire vordering wordt niet meer toegekomen aan de secundaire vordering. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de hoogte van de gevorderde dwangsom te beperken tot € 10.000,- per dag met een maximum van

€ 100.000,-.


4.12.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- betekening oproeping € 80,42

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.514,42


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

beveelt de curator om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot de afgifte van drie mallen windmolenbladen (LW18, LW30 en de India-mal) inclusief toebehoren, welke goederen zich in de bedrijfsruimte of op het terrein van de gefailleerde [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te [vestigingsplaats] bevinden,


5.2.

veroordeelt de curator om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,


5.3.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.514,42,


5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Schormans en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.