Rechtbank Midden-Nederland, 22-03-2017 / 5346811


ECLI:NL:RBMNE:2017:1370

Inhoudsindicatie
loonvordering; werkgever is re-integratieverplichtingen niet nagekomen
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-22
Publicatiedatum
2017-04-06
Zaaknummer
5346811
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/1789
  • AR-Updates.nl 2017-0429
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Amersfoort


zaaknummer: 5346811 AC EXPL 16-3591 GB/850


Vonnis van 22 maart 2017


inzake


[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.W.M. Heijlaerts,


tegen:


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.W. Hooijen.



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van 16 november 2016, waarin een comparitie van partijen is bepaald

- de bij brief van haar gemachtigde van 5 januari 2017 door [eiseres] toegezonden akte vermeerdering van eis

- de bij brief van haar gemachtigde van 6 januari 2017 door [eiseres] toegezonden producties 31 en 32

- de op 13 januari 2017 gehouden comparitie van partijen, waarvan aantekening is gehouden.


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten


2.1.

[eiseres] is op 1 februari 2006 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van administratief medewerkster voor 30 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Vleessector van toepassing.


2.2.

[eiseres] heeft zich op 3 december 2013 ziek gemeld. Op 24 maart 2014 heeft [eiseres] haar werkzaamheden in aangepaste vorm hervat. In een advies van bedrijfsarts S. Jahangier aan [gedaagde] van 1 april 2014 is vermeld dat [eiseres] niet geschikt is voor het eigen werk, wel voor passend werk.


2.3.

Arbeidsdeskundige L. Louwers heeft, na overleg met de bedrijfsarts, in haar rapportage van 16 oktober 2014 voor [eiseres] het volgende opbouwschema opgesteld in eigen aangepast werk: per 20 oktober 2014 4 x 3,5 uur, per 27 oktober 2014 4 x 4 uur, per 3 november 2014 5 x 4 uur, per 17 november 2014 5 x 5 uur en per 1 december 2014 5 x 6 uur.


2.4.

In een op verzoek van [eiseres] uitgebracht deskundigenoordeel van het Uwv van 17 november 2014 heeft arbeidsdeskundige A. Joorse geconcludeerd dat de door [gedaagde] uitgevoerde re-integratie-inspanningen niet voldoende zijn.


2.5.

Bedrijfsarts F. van Heertum heeft op 10 december 2014 geoordeeld dat [eiseres] per 11 december 2014 voor de volledige werktijd in aangepaste werkzaamheden kan hervatten. De aanpassingen dienen te bestaan uit het rekening houden bij de op te dragen werkzaamheden met: beperkingen concentratie en energieniveau, beperkingen lang staan, tillen, duwen, trekken, reiken en lang zitten.


2.6.

Bij brief van 11 december 2014 heeft [gedaagde] aan [eiseres] bericht dat haar loon per die datum wordt opgeschort omdat [eiseres] , ondanks het advies van de bedrijfsarts, heeft aangegeven dat zij niet in staat is die dag voltijds te beginnen met re-integreren in de aangepaste functie op het bedrijf.


2.7.

In een op verzoek van [eiseres] uitgebracht deskundigenoordeel van het Uwv van 22 januari 2015 heeft verzekeringsarts R. Jansen geconcludeerd dat de beperkingen door de bedrijfsarts juist zijn weergegeven en dat [eiseres] volgens het opgestelde opbouwschema kan hervatten. De verzekeringsarts heeft de casus overgedragen aan de arbeidsdeskundige.


2.8.

In zijn deskundigenoordeel van het Uwv van 28 januari 2015 naar de passendheid van het aangeboden werk en de re-integratie-inspanningen van de werkgever (door het Uwv aan [eiseres] verzonden bij brief van 29 januari 2015) heeft arbeidsdeskundige S. van Lier onder meer het volgende vermeld:

2.3.3 Gesprek met de werknemer

Werknemer deelde mee dat zij niet kan voldoen aan het opbouwschema van de bedrijfsarts omdat zij gemerkt heeft dat 4 x 2,5 uur per week haar max is.

Afgezien daarvan heeft werkgever de werkplek ook niet adequaat aangepast.

Zij stuurde foto’s per email (…) waaruit blijkt dat werkgever een kast op kratjes heeft gezet. Werknemer kan dan staand schuin gedraaid aan een pc werken.

Door de vorige arbodienst (…) was een werkplek onderzoek geadviseerd maar werkgever wilde dat niet.

(…)

2.3.4

Gesprek met werkgever

Aan werkgever (…) werd gevraagd of de werkplek inderdaad is aangepast zoals op de foto’s die werknemer mij stuurde te zien is. Werkgever bevestigde dat dit het geval is.

Meegedeeld dat de werkaanpassing mijnsinziens niet adequaat is. Een adequate voorziening is bijvoorbeeld een bureau waaraan zowel zittend als staand gewerkt kan worden. Meestal is dit een electrisch in hoogte verstelbaar bureau waarvoor werkgever bij de gemeente een vergoeding kan aanvragen. Er zou ook gewerkt kunnen worden met twee bureau’s naast elkaar een om aan te zitten en een om te staan, maar dan zijn er twee bureau inrichtingen nodig (pc telefoon en dergelijke)

(…)

4. CONCLUSIE

De door werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen zijn niet voldoende.

Na het realiseren van een adequate werkplek aanpassing kan werknemer geschikt geacht worden het werk op te bouwen volgens het opbouwschema van de bedrijfsarts van 8-10-2014.”


2.9.

Bij aangetekende brief van 6 februari 2015 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geschreven dat [eiseres] die dag zonder opgave van reden niet is verschenen op de afspraak van 9.00 uur op het bedrijf. In dat gesprek zou het deskundigenoordeel van het Uwv worden besproken en het starten van de re-integratie op maandag 9 februari 2015. Verder heeft [gedaagde] in die brief geschreven dat zij een op hoogte verstelbare bureautafel had aangeschaft, zodat de werkplek adequaat is aangepast. Zij heeft [eiseres] uitgenodigd om op maandag 9 februari 2015 te beginnen met haar re-integratie op het bedrijf volgens het opbouwschema van de bedrijfsarts van 8 oktober 2014.


2.10.

De gemachtigde van [eiseres] heeft haar op 9 februari 2015 per mail ziek gemeld omdat [eiseres] geveld is door griep dan wel een voorhoofdsholte-ontsteking.


2.11.

Bij brief van 9 februari 2015 heeft [gedaagde] [eiseres] uitgenodigd voor een gesprek op 17 februari 2015 over het deskundigenoordeel van het Uwv en het starten van de re-integratie.


2.12.

De gemachtigde van [eiseres] heeft op 16 februari 2015 per mail aan [gedaagde] laten weten dat het gesprek op 17 februari 2015 niet kan doorgaan omdat [eiseres] voorlopig van de huisarts niets mag doen omdat het vermoeden bestaat van een ontsteking van het evenwichtsorgaan. Hiernaar zal nu verder onderzoek gaan plaatsvinden.


2.13.

[eiseres] is vervolgens uitgenodigd om op 25 februari 2015 op het spreekuur van bedrijfsarts Van Heertum te verschijnen. Zij heeft daaraan geen gehoor gegeven.


2.14.

[gedaagde] heeft op 26 februari 2015 aan het Uww toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] op te zeggen vanwege verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie, in het bijzonder doordat zij herhaaldelijk niet op afspraken met [gedaagde] en de bedrijfsarts is verschenen. Bij beslissing van 25 september 2015 heeft het Uwv de toestemming om de arbeidsverhouding met werknemer op te zeggen geweigerd. Het Uwv heeft daaraan onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

“Werknemer heeft aangevoerd dat zij wel degelijk op de uitnodiging heeft gereageerd en dat zij zich hiervoor op medische gronden heeft afgemeld. Nog afgezien van de vraag of (…) vinden wij onvoldoende aannemelijk dat werknemer wat betreft de wijze van afmelden verwijtbaar heeft gehandeld. Wij vinden de gedraging van werknemer dan ook niet dermate ernstig dat dit het ontslag van werknemer rechtvaardigd. Daar komt bij dat niet uitgesloten kan worden dat medische redenen ten grondslag lagen aan de afmelding door werknemer. De huisarts onderschrijft in zijn verklaring d.d. 23 juli 2015 de argumenten van werknemer. Daarmee vinden wij aannemelijk dat werknemer zich met een legitieme reden voor het consult van de bedrijfsarts heeft afgemeld. Nu bovendien de door ons geraadpleegde arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat werknemer voldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie vinden wij afgifte van de gevraagde toestemming niet redelijk.”


2.15.

Namens casemanager H. Stalenhoef is [eiseres] bij e-mail van 8 oktober 2015 uitgenodigd om bij [gedaagde] te re-integreren in aangepast werk. Daarbij is vermeld dat [gedaagde] , in tegenstelling tot het verslag van de bedrijfsarts, wel basis ziet om het re-integratietraject op een praktische wijze in te vullen. Zodra er weer wordt aangevangen met re-integratie, zal de loonbetaling weer worden gestart. Bij brief van 9 oktober 2015 heeft [eiseres] van haar casemanager een officiële waarschuwing ontvangen wegens het niet nakomen van haar re-integratieverplichtingen. [eiseres] had een uitnodiging voor een huisconsult van de bedrijfsarts op 7 oktober 2015 op 5 oktober 2015 geannuleerd. Nadat [gedaagde] had aangegeven dat annulering niet mogelijk was, was de bedrijfsarts op 7 oktober 2015 voor een dichte deur gekomen. De loonsanctie blijft daarom gehandhaafd. Vervolgens heeft [eiseres] een nieuwe uitnodiging voor een huisbezoek door bedrijfsarts Van Heertum op 14 oktober 2015 ontvangen. De gemachtigde van [eiseres] heeft die geannuleerd, onder meer omdat zij geen vertrouwen meer had in bedrijfsarts Van Heertum en tegen hem bij het regionaal tuchtcollege een klacht had ingediend.


2.16.

[gedaagde] heeft vervolgens bedrijfsarts M. Straatman ingeschakeld. Die heeft op 23 oktober 2015 een huisbezoek aan [eiseres] afgelegd. Op 23 oktober 2015 heeft Straatman onder meer het volgende gemeld aan [gedaagde] :

“De fysieke klachten en beperkingen zijn nog immer aanwezig. (…) Daarmee is ze mi ongeschikt voor het eigen werk zolang er, conform het deskundige oordeel van het UWV, geen aanpassingen plaats vinden aan de werkplek. Zij is geschikt voor passend werk, zijnde werk waarbij de belasting valt binnen de gestelde beperkingen. (…) Gezien de ontstane arbeidsverhoudingen is er mi geen basis meer om vanuit de werkgever het reintergratietraject op een praktische wijze in te laten vullen.

Conclusie en advies: ongeschikt eigen werk, geschikt passend werk.”

Op het formulier Medische informatie WIA van 23 oktober 2015 heeft Straatman onder meer het volgende ingevuld:

“(…) Daarna geadviseerd deze opbouw te plegen op een aangepaste werkplek. Dit advies is niet direct overgenomen door werkgever. Deze heeft de werkplek aangepast na de uitslag van het deskundige oordeel van het UWV. Toen waren de arbeidsverhoudingen echter al dermate geëscaleerd, inclusief die met de casemanager en bedrijfsarts. Dat er mi geen sprake kan en zal zijn van een succesvolle reintergratie bij deze werkgever.”


2.17.

[eiseres] heeft op 28 oktober 2015 een WIA-uitkering aangevraagd.


2.18.

De arbeidsdeskundige Y. Spaanjaars heeft in haar rapport van 15 december 2015 geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn, zodat de werkgever het loon van de werknemer nog eens maximaal 52 weken moet doorbetalen. Dit heeft zij onder meer gebaseerd op het volgende:

“Ik wil me, in deze fase, verre houden van wie er gelijk heeft over wel of niet afspraken afzeggen. Werknemer kan niet terugkeren bij de eigen werkgever. De laatste bedrijfsarts heeft gesteld dat dit niet kan, en dit is bevestigd door de verzekeringsarts. Feit blijft dat in oktober 2014 door de arbeidsdeskundige is gezegd dat er een 2e spoortraject moet worden ingekocht als blijkt dat werknemer op 1 december 2014 niet haar normale aantal uren werkt in aangepast werk, met een adequate werkplek. Werknemer werkte helemaal niet op 1 december 2014 en dus had de werkgever op dat moment een tweesporenbeleid moeten volgen en dus ook een 2e spoortraject moeten starten.

Heeft de werkgever hiervoor een deugdelijke grond?

Nee, want werkgever zegt dat het 2e spoortraject door alle ontslagperikelen naar de achtergrond is geraakt en daardoor uit beeld. Dit is geen reden om het niet te doen en bovendien heeft de werkgever het ook niet gedaan, nadat bleek dat het ontslag niet mocht worden verleend. De loondoorbetalingsverplichting van de werkgever moet daarom worden verlengd met maximaal 52 weken.”


2.19.

Bij beslissing van 24 december 2015 heeft het Uwv geoordeeld dat [gedaagde] niet alle verplichtingen voor de re-integratie van [eiseres] is nagekomen. Daarom is besloten de behandeling van de WIA-aanvraag van [eiseres] uit te stellen en de periode waarin [eiseres] tijdens ziekte recht heeft op loon, te verlengen tot 13 januari 2017. [gedaagde] heeft tegen deze beslissing op 24 maart 2016 bezwaar gemaakt.


2.20.

Op 21 maart 2016 heeft bedrijfsarts Straatman een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn diverse beperkingen opgenomen.


2.21.

Omdat [eiseres] vanaf 11 december 2014 geen loon meer had ontvangen, heeft zij een kort geding tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt, waarbij zij het achterstallige loon met nevenvorderingen van [gedaagde] heeft gevorderd. Bij kortgedingvonnis van 29 april 2016 heeft de voorzieningenrechter de loonvordering over de periode van 11 december 2014 tot 15 oktober 2015 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.8. Wat betreft de periode na de beslissing van het UWV overweegt de kantonrechter het volgende. Vast staat dat de bedrijfsarts op 7 oktober 2015 tevergeefs een huisbezoek heeft afgelegd bij [eiseres] . Bij brief van 9 oktober 2015 heeft [gedaagde] [eiseres] opnieuw uitgenodigd voor een huisconsult op 14 oktober 2015 en daarbij tevens medegedeeld dat de loonsanctie gehandhaafd blijft omdat [eiseres] niet meewerkt aan haar re-integratieverplichtingen. Het op 14 oktober 2015 geplande huisconsult is door [eiseres] geannuleerd.

Onvoldoende aannemelijk is dat voor de weigering van [eiseres] om mee te werken aan de verplichtingen in het kader van haar re-integratie op dat moment een deugdelijke grond aanwezig was. Zolang de re-integratie 1e spoor niet tot een einde is gekomen, moet [eiseres] immers, op grond van de medische oordelen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts, in staat worden geacht haar werkzaamheden bij [gedaagde] te hervatten. Voor het oordeel dat sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsrelatie biedt het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten, nog daargelaten de vraag of die verstoorde arbeidsrelatie aan [gedaagde] zou zijn toe te rekenen. Dat [eiseres] zich in haar gedrag kennelijk gesterkt ziet door het besluit van het UWV van 24 december [lees: september] 2015, waartegen [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt, kan aan het vorenstaande vooralsnog niet afdoen.

Vanaf 14 oktober 2015 was [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook gerechtigd om de betaling van het loon tijdens ziekte op te schorten.”


2.22.

[eiseres] heeft het achterstallige loon over de periode van 11 december 2014 tot 15 oktober 2015 van [gedaagde] ontvangen middels een derden(bank)beslag.


2.23.

[eiseres] is op 10 mei 2016 op het spreekuur van bedrijfsarts Straatman geweest. In zijn aan [gedaagde] gemailde terugkoppeling daarvan heeft Straatman onder meer het volgende vermeld:

“De klachten en beperkingen van werknemer zijn in wezen onveranderd. Daarmee is de FML d.d. 21-03-2016 nog immer geldig. Deze kan gebruikt worden bij het opstellen van het nog immer te maken plan van aanpak. Gezien de ontstane arbeidsverhoudingen, door werkneemster als ernstig negatief ervaren, en met inachtneming van de STECKR richtlijn in deze is het mogelijk raadzaam om eea middels mediation te volbrengen.“


2.24.

Op 11 mei 2016 heeft [eiseres] aan casemanager Stalenhoef voorgesteld zo spoedig mogelijk een Plan van Aanpak te maken met als doel haar re-integratie te effectueren. Op 18 mei 2016 heeft er op het bedrijf van [gedaagde] een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] , [gedaagde] en Stalenhoef. Bij dat gesprek heeft [gedaagde] laten weten dat zij eerst de beslissing op haar bezwaar tegen de loonsanctie wil afwachten.


2.25.

Bij beslissing op bezwaar van 18 mei 2016, verzonden op 20 mei 2016, heeft het Uwv de bezwaren van [gedaagde] tegen de loonsanctie ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar de bij de beslissing gevoegde rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In die rapportage van 18 mei 2016 heeft arbeidsdeskundige bezwaar en beroep N. Buijs onder meer het volgende geschreven:

Standpunt van de arbeidsdeskundige Bezwaar en Beroep

Ik wijk niet af van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Dat komt omdat ook ik van oordeel ben dat werkgever spoor 2 had moeten inzetten.

In deze bezwaarprocedure voert de werkgever de volgende gronden aan:

(…)

Ad 1) Het is te rechtvaardigen dat werkgever zich tot en met het deskundigenoordeel van 29 januari 2015 exclusief op het 1ste spoor richt. Er waren medisch gezien geen bezwaren om te hervatten, behoudens dat een niet al te ingrijpende aanpassing voor de werkplek diende te worden gerealiseerd. Als echter een ontslagprocedure wordt gevoerd, welke niet leidt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ontstaat een nieuwe situatie en had het roer moeten worden omgegooid. Dit kantelmoment is gesignaleerd door de bedrijfsarts, maar genegeerd door werkgever.

Ad 2) Dit blijkt niet uit het dossier. Wel dat een 2de spoor nooit als serieuze optie is opgepakt.

Ad 3) Werkgever blijft verantwoordelijk voor re-integratie, ook na een ontslagprocedure.

Ad 4) De werkgever is verantwoordelijk voor re-integratie. Na het afgewezen ontslagverzoek met daarna de conclusie van de bedrijfsarts van 28 oktober 2015 was er onvoldoende reden om enkel te blijven vasthouden aan hervatting bij werkgever. De mogelijkheden in spoor 1 waren uitgeput c.q. boden geen soelaas, werknemer werkte nog niet, en dan komt onherroepelijk spoor 2 in beeld. Aan het oordeel van de bedrijfsarts dat sprake is van situationele arbeidsongeschiktheid wordt evenwel volledig voorbij gegaan, zie bericht aan werknemer van 28 oktober 2015.

Ad 5) Ik heb onderbouwd dat spoor 2 had moeten worden opgepakt. Voorts merk ik op dat er sprake is van een arbeidsconflict als één van de partijen dat vindt.”


2.26.

In een mailbericht van 2 juni 2016 heeft Stalenhoef aan [eiseres] geschreven dat het standpunt van de werkgever duidelijk is: “inzet 1e spoor.”


2.27.

[eiseres] heeft op 11 juli 2016 aan het Uwv een deskundigenoordeel aangevraagd over haar re-integratie-inspanningen. Het Uwv heeft aan [eiseres] op 29 juli 2016 laten weten dat het deskundigenoordeel is dat [eiseres] voldoende meewerkt aan haar re-integratie. Verwezen wordt naar de bijgevoegde rapportage van de arbeidsdeskundige. In deze rapportage van 25 juli 2016 heeft arbeidsdeskundige F. Musson onder meer het volgende opgenomen:

2.2.1. Voorgeschiedenis

(…) Aanvankelijk is klant gestart in werkzaamheden bij de eigen werkgever. Per 28-10-2015 concludeert de bedrijfsarts dat het eerste spoor is uitgeput. Het betreft hier een kantelmoment, namelijk inzetten van een 2e spoor traject.

2.2.5.

Gesprek met de werknemer

(…)

Werkneemster geeft aan dat zij graag deelneemt aan een 2e spoor traject. Dit is tot op heden nog niet ingezet. Werkneemster heeft wel geprobeerd om te hervatten in het eerste spoor, maar dit is uiteindelijk niet gelukt. Er is ook vastgesteld dat het 1e spoor is uitgeput. (28-10-2015)

(…)

2.2.6.

Gesprek met de werkgever

(…)

Vanuit werkgever wordt aangegeven dat werkneemster in haar eigen werk aan de slag kan gaan.

(…)

3. Arbeidskundige oordeelsvorming

(…)

Vanaf het begin van het 2e ziektejaar dienen partijen het 2e spoor nadrukkelijk in de evaluaties te betrekken.

Het opstarten van spoor 2 mag alleen dan achterwege blijven, indien er binnen drie maanden perspectief aanwezig is op een trefzekere structurele hervatting bij de eigen werkgever met een loonwaarde van 65% of meer van het oorspronkelijke loon. De vraag is nu of werkneemster zich voldoende inspant voor haar re-integratie. Het is nu duidelijk dat het 1e spoor is uitgeput, vanaf 28-10-2015. Werkneemster heeft tijdens het telefonisch overleg aangegeven dat zij graag wil starten met een 2e spoor traject.

Ik kom geen informatie tegen dat zij het 2e spoor traject heeft vertraagd of dat zij hieraan die heeft willen conformeren. Sterker nog, werkneemster wil graag zo spoedig mogelijk starten.

Alles overziend en op basis van de beschikbaar gestelde informatie beoordeel ik de inspanningen van werkneemster derhalve als voldoende”


2.28.

[gedaagde] heeft tegen de beslissing op bezwaar van 18 mei 2016 beroep ingesteld bij de bestuursrechter.


2.29.

[gedaagde] heeft vanaf 15 oktober 2015 geen loon, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering aan [eiseres] betaald. De opgelegde loonsanctie is geëindigd op 13 januari 2017. Op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is op dat moment de verplichting van [gedaagde] vervallen om loon aan [eiseres] te betalen.



3Het geschil


3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat het de kantonrechter behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om:

1) aan haar te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting het netto equivalent van het brutoloon ad € 29.664,45, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over het gevorderde bruto loon, verminderd met het reeds geïncasseerde bedrag van € 16.558,51 bruto, en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, 30 augustus 2016, onder afgifte van deugdelijke specificaties;

2) aan haar te voldoen het achterstallige loon na 10 juli 2016 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over het gevorderde brutoloon en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, 30 augustus 2016, onder afgifte van deugdelijke specificaties;

3) haar op een juiste wijze met terugwerkende kracht aan te melden bij het bedrijfstakpensioenfonds onder afgifte van deugdelijke bewijsstukken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

4) in de koste van dit geding.

Ter comparitie heeft [eiseres] een nieuwe berekening overgelegd, die over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 12 januari 2017 uitkomt op een bedrag van in totaal € 36.938,94 bruto, met inbegrip van de wettelijke verhoging van 50%.


3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte de betaling van haar loon vanaf 11 december 2014 opschort omdat zij volgens [gedaagde] niet meewerkt aan haar re-integratie. [eiseres] is echter van mening dat [gedaagde] haar ziektebeeld niet serieus heeft genomen en nooit werk heeft willen maken van haar re-integratie. Dit blijkt volgens haar uit het volgende:

- [gedaagde] heeft stelselmatig de adviezen van deskundigen (bedrijfsarts, arbeidsdeskundigen, verzekeringsarts) genegeerd;

- [gedaagde] heeft een Plan van Aanpak achterwege gelaten, ondanks herhaald aandringen van haar en deskundigen;

- [gedaagde] heeft een ontslagprocedure gevoerd, waarbij de re-integratie-activiteiten volledig werden stilgelegd;

- [gedaagde] heeft geweigerd om de re-integratie voort te zetten, ondanks herhaald aandringen van haar, waardoor na haar laatste bezoek aan de bedrijfsarts op 10 mei 2016 in dat kader niets meer door [gedaagde] is ondernomen;

- [gedaagde] heeft een bureau op kippenkratjes geplaatst in plaats van direct een verstelbaar bureau aan te schaffen;

- [gedaagde] heeft geen tweede softwarelicentie willen aanschaffen, waardoor zij onnodig heen en weer moest lopen tussen de oude werkplek op de begane grond en de nieuwe werkplek op de eerste etage;

- [gedaagde] heeft een opvolgster voor haar geworven.

Keer op keer is door het Uwv geoordeeld dat haar niets te verwijten valt en dat [gedaagde] haar verplichtingen heeft verzaakt. [eiseres] is dan ook van mening dat er geen reden om het loon niet te betalen en/of haar af te melden bij het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds, noch op grond van artikel 7:629 BW noch op enige andere grond. [gedaagde] kan zich niet rechtsgeldig beroepen op de uitzondering van artikel 7:629 lid 3 sub c en d BW omdat zij wel degelijk een deugdelijke grond heeft om passende arbeid op de werkplek te weigeren. [gedaagde] volstaat met het weergeven van haar eigen visie met betrekking tot de re-integratiemogelijkheden in spoor 1, in weerwil van het oordeel van de bedrijfsarts van 23 oktober 2015. [gedaagde] heeft het advies van de bedrijfsarts stelselmatig niet opgevolgd. Daar komt bij dat [gedaagde] , ondanks herhaalde verzoeken van haar en de bedrijfsarts, tot op heden weigert om een Plan van Aanpak op te stellen. Het vasthouden aan re-integratie in het 1e spoor en het achterwege laten van het opstarten van het 2e spoor, ondanks een eerdere toezegging en herhaalde adviezen van deskundigen, door het inschakelen van een re-integratiebureau, terwijl er nog functionele mogelijkheden zijn, is volgens [eiseres] een omstandigheid die volledig voor rekening van [gedaagde] komt. Daardoor gaat een beroep op artikel 7:629 lid 3 sub d niet op.


3.3.

[gedaagde] voert daartegen aan dat [eiseres] wel kan re-integreren in het 1e spoor. Zij verwijst daartoe onder meer naar het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 april 2016. Die heeft geoordeeld dat zij geen loon behoefde te voldoen vanaf 15 oktober 2015. Zij was hiertoe gerechtigd omdat [eiseres] geen deugdelijke grond had om te weigeren mee te werken aan haar re-integratie. Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter expliciet dat de re-integratie in het 1e spoor nog niet tot een einde was gekomen en dat [eiseres] op grond van de medische oordelen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts in staat moest worden geacht haar werkzaamheden bij haar te hervatten. Met andere woorden, het 2e spoor was niet aan de orde, temeer omdat de voorzieningenrechter ook aangeeft dat er geen sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Dit nog daargelaten of die verstoorde arbeidsrelatie aan haar, [gedaagde] , zou zijn toe te rekenen. Door [eiseres] is geen hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter ingesteld, zodat dit vonnis onherroepelijk is. Daar komt bij dat de Uwv-procedure met betrekking tot de loonsanctie nog loopt. Zolang hierop niet onherroepelijk is beslist, staat niet vast dat zij zowiezo wel loon verschuldigd is na 13 januari 2016. Tot slot merkt [gedaagde] op dat [eiseres] , ook na het vonnis in kort geding en nadat ze de aangepaste werkplek heeft bekeken, nimmer enige poging heeft gedaan om haar werkzaamheden te hervatten, zelfs niet op basis van de meest minimale uren, zoals 2 x 2 uur. Ook al is [gedaagde] van mening dat door [eiseres] niet is aangetoond dat er in de periode van 14 december 2014 tot 15 oktober 2015 medische redenen waren op grond waarvan [eiseres] haar werkzaamheden niet kon hervatten, heeft zij zich neergelegd bij het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot die periode. Door de bedrijfsarts, de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige was namelijk expliciet geoordeeld dat de werkneemster medisch gezien in staat was haar werkzaamheden te hervatten op de aangepaste werkplek. [gedaagde] blijft dan ook van mening dat zij geen loon verschuldigd is over de periode na 15 oktober 2015.



4De beoordeling


4.1.

Partijen verwijten elkaar over en weer dat zij hun re-integratieverplichtingen niet zijn nagekomen. Uit het deskundigenoordeel van het Uwv van 17 november 2014, het deskundigenoordeel van het Uwv van 28 januari 2015, de beslissing van het Uwv van 24 december 2015 en de beslissing op bezwaar van het Uwv van 28 mei 2016 blijkt dat de door [gedaagde] uitgevoerde re-integratie-inspanningen bij voortduring niet voldoende zijn geweest, terwijl uit de beslissing van het Uwv van 25 september 2015 en het deskundigenoordeel van het Uwv van 29 juli 2016 blijkt dat [eiseres] voldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Volgens de bedrijfsarts van 23 oktober 2015 was de re-integratie van [eiseres] in het 1e spoor uitgeput na de beslissing van het Uwv van 25 september 2015, waarbij de toestemming om de arbeidsrelatie op te zeggen is geweigerd. Dit is bevestigd door de verzekeringsarts. De vraag of [gedaagde] inmiddels de werkplek van [eiseres] had aangepast, zoals zij heeft betoogt, maar door [eiseres] is betwist, kan daarmee in het midden blijven. Na 25 september 2015 had op grond van artikel 7:658a lid 1 BW de re-integratie in het 2e spoor moeten worden gestart. Dat was ten tijde van de comparitie op 13 januari 2017 nog steeds niet gebeurd. Daarmee heeft [gedaagde] in strijd met haar re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658a leden 1 en 2 BW gehandeld.


4.2.

Voorts staat vast dat [gedaagde] heeft nagelaten tijdig een Plan van Aanpak op te stellen, zelfs nadat [eiseres] daar op 11 mei 2016 expliciet om had verzocht. Hiervan valt [gedaagde] een verwijt te maken, omdat zij ten onrechte eerst de beslissing op haar bezwaar tegen de loonsanctie en vervolgens de uitspraak van de bestuursrechter wilde afwachten. [gedaagde] heeft daarmee tevens in strijd gehandeld met haar re-integratieverplichting als bedoeld in artikel 7:658a lid 3 BW.


4.3.

Anders dan de voorzieningenrechter in haar vonnis van 29 april 2016 is de kantonrechter dan ook van oordeel dat niet [eiseres] maar [gedaagde] haar re-integratieverplichtingen vanaf 15 oktober 2015 onvoldoende is nagekomen. Vanaf de beslissing van het Uwv van 25 september 2015 was de re-integratie van [eiseres] in het 1e spoor niet meer aan de orde, terwijl [gedaagde] daar, in weerwil van de rapporten en beslissingen van de deskundigen, aan vast hield. Dat betekent dat [gedaagde] gehouden is het loon, de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering ook door te betalen vanaf 15 oktober 2015 tot 13 januari 2017.


4.4.

Ter comparitie heeft [gedaagde] ingestemd met de door [eiseres] overgelegde berekening, met uitzondering van de wettelijke verhoging. Dit betekent dat het volgende zal worden toegewezen:

- over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 10 juli 2016 € 12.838,43 bruto aan loon,

- over de periode van 10 juli 2016 tot en met 12 januari 2017 € 9.003,58 bruto aan loon,

totaal aan loon derhalve € 21.842,01 bruto,

- over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 10 juli 2016 € 1.027,07 bruto aan 8% vakantietoeslag,

- over de periode van 10 juli 2016 tot en met 12 januari 2017 € 720,29 bruto aan 8% vakantietoeslag,

totaal aan vakantietoeslag derhalve € 1.747,36 bruto,

- over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 10 juli 2016 € 344,90 bruto aan 2% eindejaarsuitkering over het loon 2015,

- over de periode van 10 juli 2016 tot en met 12 januari 2017 € 346,80 bruto aan 2% eindejaarsuitkering over het loon 2016,

totaal aan eindejaarsuitkering derhalve € 691,70 bruto.


4.5.

[eiseres] heeft aan de door haar gevorderde wettelijke verhoging ten grondslag gelegd dat zij door de loonstop/loonopschorting vanaf 11 december 2014 in ernstige financiële problemen is geraakt, waardoor er betalingsachterstanden zijn ontstaan. Deze zijn slechts ten dele ingelost door de incasso van het door de voorzieningenrechter toegewezen bedrag. Nadien zijn de betalingsachterstanden weer opgelopen omdat [gedaagde] de loonopschorting na de kortgedingprocedure heeft gehandhaafd. [eiseres] heeft haar slechte financiële situatie onderbouwd met overgelegde stukken. Zij is van mening dat er geen reden is de wettelijke verhoging te matigen.


4.6.

[gedaagde] heeft de wettelijke verhoging betwist. Deze zou volgens haar zowiezo gematigd moeten worden.


4.7.

Op grond van artikel 7:625 lid 1 maakt de werknemer aanspraak op een wettelijke verhoging over het achterstallig loon indien dit niet-voldoen van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval aan deze voorwaarde is voldaan. Voor matiging is geen plaats omdat het percentage van 50 op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 10 juli 2016 zal daarom een wettelijke verhoging van (1/2 x € 14.210,40 =) € 7.105,20 bruto worden toegewezen en over de periode van 10 juli 2016 tot en met 12 januari 2017 (1/2 x € 10.070,67 =) € 5.035,34 bruto, in totaal € 12.140,54 bruto.


4.8.

Verder zal de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen worden toegewezen, evenals de vordering tot afgifte van deugdelijke specificaties.


4.9.

Ook zal het onderdeel van de vordering dat ziet op een juiste wijze van aanmelding van [eiseres] bij het bedrijfstakpensioenfonds worden toegewezen, met inbegrip van de gevorderde dwangsom. Ter zitting is immers gebleken dat er na het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 april 2016 wel een melding had plaatsgevonden, maar een loonopgave van nihil. Wel zal aan de dwangsom een maximum worden verbonden.


4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,87

- griffierecht € 471,00

- salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00)

totaal € 1.370,87



5De beslissing


De kantonrechter:


5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen:

- € 21.842,01 bruto aan loon,

- € 1.747,36 bruto aan vakantietoeslag,

- € 691,70 bruto aan eindejaarsuitkering

- € 12.140,54 bruto aan wettelijke verhoging,

onder afgifte van deugdelijke specificaties;


5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de wettelijke rente over de onder 5.1 vermelde bedragen te betalen vanaf 30 augustus 2016 tot de dag der voldoening;


5.3.

veroordeelt [gedaagde] om [eiseres] op een juiste wijze met terugwerkende kracht aan te melden bij het bedrijfstakpensioenfonds, onder afgifte van deugdelijke bewijsstukken, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 20.000,00;


5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.370,87, waarin begrepen € 800,00 aan salaris gemachtigde;


5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


5.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.



Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.