Rechtbank Midden-Nederland, 22-03-2017 / UTR 16/3470


ECLI:NL:RBMNE:2017:1433

Inhoudsindicatie
Aanslag precariobelasting. Op grond van Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting mag verweerder in beginsel van eiseres precariobelasting heffen voor het gas- en elektriciteitsnetwerk. Vraag die voorligt is of er sprake is van contractuele afspraken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat die de heffing van precariobelasting in de weg staan.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-22
Publicatiedatum
2017-04-12
Zaaknummer
UTR 16/3470
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2017/850
  • FutD 2017-0939
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/3470


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2017 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.J. van Aalst en mr. D. van Unen),


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigden: mr. R.P.M.M. Mols en J.F. van Tellegen).



Procesverloop


Bij besluit van 30 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2015 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 295.832,-.


Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2016 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft op 8 juli 2016 tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1. Op 21 januari 1992 is tussen de gemeente Bunschoten en de N.V. [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ) een regeling (de zogenoemde Kabellegregeling) getroffen voor het aanbrengen, hebben, houden, gebruiken, onderhouden, wijzigen en verwijderen van elektriciteitskabels, telecommunicatiekabels en verdere apparatuur en voorzieningen, behorende tot het elektriciteits- en telecommunicatienet van [bedrijfsnaam 2] in de gemeente.

In die regeling zijn partijen onder meer overeengekomen dat de gemeente ook in de toekomst geen recognities, retributies of vergoedingen zal vorderen voor activiteiten van [bedrijfsnaam 1] ten behoeve van haar elektriciteits- en telecommunicatienet en de elektriciteitsvoorziening. Verder is overeengekomen dat de regeling in werking treedt op 1 januari 1992 en na 20 jaar zal eindigen, terwijl zij daarna telkens voor 10 jaar op dezelfde voorwaarden wordt gecontinueerd, tenzij een der partijen haar uiterlijk drie maanden voor de expiratiedatum schriftelijk heeft opgezegd.

Voorts is in artikel 9.3 bepaald dat indien het openbaar belang van de gemeente dan wel het bedrijfsbelang van [bedrijfsnaam 1] daartoe aanleiding geeft, partijen met elkaar te rade gaan over tussentijdse wijziging van deze overeenkomst.


2. Op 20 december 1989 is tussen de gemeente Bunschoten en de naamloze vennootschap “ [bedrijfsnaam 3] ” ( [bedrijfsnaam 3] ) een zogenoemde Exploitatieovereenkomst gesloten, waarbij de gemeente zich onder meer verbindt van [bedrijfsnaam 3] geen retributies te heffen voor het hebben van voorwerpen in, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond en geen recognities te vorderen voor zodanig gebruik van eigendommen van de gemeente.


3. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ook jegens haar aan de bepalingen van de beide hiervoor genoemde overeenkomsten is gebonden en daarom niet bevoegd is om precariobelasting van haar te heffen. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat dit voortvloeit uit de verhouding tussen de neteigenaar/contractant en netbeheerder ingevolge het systeem van de Elektriciteitswet en de Gaswet. Eiseres exploiteert als economisch eigenaar de netten en dus ook alle overeenkomsten. Ondanks het feit dat de overeenkomsten niet juridisch aan haar zijn overgedragen, kan eiseres als belanghebbende daar wel een beroep op doen.


4. In geschil is derhalve of verweerder bevoegd is de onderhavige aanslag op te leggen. De rechtbank dient daarbij allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder jegens eiseres gebonden is aan de beide overeenkomsten.


5. Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2015 van de gemeente Bunschoten (verder: de Verordening) wordt onder de naam precariobelasting een directe belasting geheven ter zake van het hebben van buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.


Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, de precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder.


6. Gelet op deze bepalingen van de Verordening en in aanmerking nemende dat eiseres in de gemeente Bunschoten is aangewezen als netbeheerder, stelt de rechtbank vast dat door verweerder in beginsel van eiseres precariobelasting mag worden geheven voor het gas- en elektriciteitsnetwerk dat is gelegen in de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.


7. De vraag die vervolgens voorligt is of er sprake is van contractuele afspraken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat die de heffing van precariobelasting in de weg staan. De rechtbank stelt in dat verband vast dat niet eiseres, maar de naamloze vennootschap N.V. [bedrijfsnaam 4] (thans [bedrijfsnaam 5] B.V.) de rechtsopvolger is van het (geïntegreerde) energiedistributiebedrijf N.V. [bedrijfsnaam 2] , waarin ook [bedrijfsnaam 3] is opgegaan. Gelet daarop kan eiseres geen rechtstreeks beroep doen op de aan genoemde overeenkomsten te ontlenen rechten.


8.1.

In beginsel kan een uit een overeenkomst voortvloeiend recht alleen worden uitgeoefend tegenover degene(n) die partij was (waren) bij de overeenkomst. Een uit een overeenkomst voortvloeiend recht kan in het algemeen niet geldend worden gemaakt tegenover een derde, die geen partij was bij de overeenkomst.

De rechtbank stelt vast dat eiseres en N.V. [bedrijfsnaam 4] twee verschillende rechtspersonen waren. Vereenzelviging van rechtspersonen kan slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd worden geacht (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480). Zodanige omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld. Ook van een derdenbeding is geen sprake.


8.2

Eiseres heeft nog betoogd dat de Kabellegregeling en de Exploitatieovereenkomst niet zijn opgezegd jegens [bedrijfsnaam 5] , zodat die overeenkomsten nog steeds bestaan. Naar aanleiding van dit betoog overweegt de rechtbank dat verweerder bij brieven van 2 augustus 2011 en 27 juni 2012 de betreffende overeenkomsten heeft opgezegd. Die brieven waren weliswaar gericht aan “ [naam] ”, doch evident is dat daarmee de formele contractpartij werd bedoeld. Dat daarover ook bij eiseres geen onduidelijkheid bestond, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat “ [naam] ” in onder meer de brief van 29 september 2012 heeft verklaard akkoord te gaan met de beëindiging van de Exploitatieovereenkomst.


8.3

In beroep heeft eiseres ook nog betoogd dat eiseres krachtens cessie het recht op het precarioverbod in genoemde overeenkomsten kan uitoefenen. Daarmee stelt eiseres dat zij (alsnog) een vorderingsrecht jegens verweerder heeft. Nog daargelaten de vraag of verweerder daarvoor geen toestemming had moeten geven, stelt de rechtbank vast dat daarmee slechts het vorderingsrecht van N.V. [bedrijfsnaam 4] om niet te worden aangeslagen voor precariobelasting wordt overgedragen. Maar omdat de precariobelasting niet wordt geheven van N.V. [bedrijfsnaam 4] , kan zij dit vorderingsrecht ook niet overdragen. De rechtbank volgt in deze dan ook het oordeel van deze rechtbank van 15 september 2016 in een soortgelijke zaak (UTR 14/6786; ECLI:NL:RBMNE:2016:5369).


9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat van de zijde van verweerder toezeggingen zijn gedaan dat hij niet zal overgaan tot invordering van precariobelasting. Eiseres heeft in dat verband met name gewezen op het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 20 september 2012 tussen [A] namens [naam] , en [B] , [C] en [D] namens de gemeente Bunschoten. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel.


9.1

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit betoog dat een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de raad ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet het orgaan is dat bevoegd is tot het vaststellen van een belastingverordening. Verweerder is ingevolge artikel 231 belast met de heffing. De raad heeft in het stelsel van de Gemeentewet een autonome positie, zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737.


9.2

De vraag is of in het gesprek van 2 september 2012 toezeggingen zijn gedaan, op grond waarvan verweerder de hem op grond van de nadien vastgestelde Verordening toekomende bevoegdheid niet zou mogen gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat aan de inhoud van het gesprek, zoals blijkt uit de bij e-mailbericht van 24 september 2012 van [C] van de gemeente toegezonden verslaglegging, niet de verwachting kan worden ontleend dat verweerder nooit precariobelasting zal gaan innen. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van het daartoe bevoegde bestuursorgaan is geen sprake. Daar komt bij dat in het e-mailbericht van 24 september 2012 van [C] is aangegeven dat verweerder voor wat betreft de precariobelasting in afwachting is van de ontwikkelingen in de Tweede Kamer met betrekking tot een landelijke regeling omtrent de precariobelasting. Evident is dat men op korte termijn duidelijkheid verwachtte te krijgen over het heffen van precariobelasting en dat die ontwikkelingen aanleiding vormden de situatie nog even aan te zien. Toen gaandeweg bleek dat de verwachte besluitvorming in de Tweede Kamer uitbleef, ontstond voor verweerder naar het oordeel van de rechtbank een andere situatie op grond waarvan verweerder alsnog kon besluiten tot gebruik van zijn bevoegdheid tot heffing van de precariobelasting.


10. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder op goede gronden een aanslag voor precariobelasting heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.