Rechtbank Midden-Nederland, 28-03-2017 / AWB - 16 _ 5207


ECLI:NL:RBMNE:2017:1503

Inhoudsindicatie
Beroep tegen projectplan in de zin van art. 5.4 Waterwet ongegrond. Met de maatregelen uit het projectplan wil het hoogheemraadschap een hydrologische functiescheiding aanbrengen in een Natura 2000-gebied, ter uitvoering van afspraken met de provincie. Verweerder heeft het projectplan in redelijkheid mogen vaststellen, ondanks de te verwachten nadelige gevolgen daarvan voor het agrarisch bedrijf van eiseres. Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat verweerder hiermee had moeten wachten totdat voor dit gebied door gedeputeerde staten een beheerplan op grond van de Wet natuurbescherming is vastgesteld. Verweerder was ook niet verplicht om eerst een peilbesluit te nemen of om besluitvorming van de provincie over natuurvergunningen af te wachten.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-28
Publicatiedatum
2017-04-13
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5207
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/5207


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: A.F. van Rozen),


en


het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder

(gemachtigden: mr. J.W. Schippers en A.J. Koorhuis).



Procesverloop


Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft verweerder het projectplan ‘Aanleg waterstaatswerken landgoed Kolland’ (het projectplan) vastgesteld. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is pachter van agrarische

bedrijfsbebouwing en enkele percelen agrarische grond op en in de directe nabijheid van het landgoed Kolland. Zij voert daar een melkveebedrijf. Eigenaar en verpachter van de gronden is Landgoed Kolland B.V. Eiseres heeft verder gronden in eigendom in het nabijgelegen Oud Kolland.


1.2.

Het landgoed Kolland en Oud Kolland zijn gelegen in het gebied ‘Kolland en Overlangbroek’, dat is aangewezen als Natura 2000-gebied en daardoor onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming (Wnb) valt. Een deel van de door eiseres gepachte gronden en de gronden die zij in eigendom heeft liggen in het Natura 2000-gebied. De ‘huiskavel’ van eiseres en haar overige gepachte gronden liggen daarbuiten.


1.3.

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (gedeputeerde staten) moet op grond van de Wnb voor het Natura 2000-gebied een beheerplan vaststellen, dat een beschrijving moet bevatten van de instandhoudingsmaatregelen voor het gebied en van de beoogde resultaten daarvan. Het beheerplan is nog niet vastgesteld.


2. Het projectplan ziet onder meer op de aanleg van dammen, stuwen en duikers en op het graven, opschonen en verondiepen van watergangen. Het gebied van het projectplan omvat het landgoed Kolland en omliggende gronden, waaronder gronden die eiseres pacht. Met de maatregelen uit het projectplan wil verweerder een hydrologische scheiding aanbrengen tussen de natuurgebieden en de gebieden met een agrarische functie. Om dat te bereiken zal het peil in het gebied worden aangepast, waarbij voor de verschillende functies verschillende peilen ingesteld zullen worden. Op deze wijze wordt toepassing gegeven aan afspraken die verweerder heeft gemaakt met de provincie Utrecht over de bestrijding van de verdroging binnen natuurgebieden, waaronder het hiervoor genoemde Natura 2000-gebied.

Verweerder heeft voorafgaand aan de vaststelling van het projectplan een ontwerp daarvan ter inzage gelegd. Eiseres heeft daar haar zienswijze op gegeven.


3. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet moet de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder geschieden overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Ingevolge het tweede lid moet het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd bevatten, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet wordt onder waterstaatswerk, voor zover van belang, oppervlaktewaterlichaam verstaan en wordt onder oppervlaktewaterlichaam, voor zover van belang, verstaan: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, alsmede de bijbehorende bodem, oevers, alsmede flora en fauna.

Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet kent het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toe aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.


4. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten wachten met de vaststelling van het projectplan totdat gedeputeerde staten een beheerplan voor het Natura 2000-gebied hebben vastgesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het projectplan heeft vastgesteld ten behoeve van het waterbeheer en dat hij dit mocht doen onafhankelijk van het moment waarop het beheerplan door gedeputeerde staten wordt vastgesteld.

4.1.

Het is niet in geschil dat de in het beheerplan te beschrijven instandhoudingsmaatregelen voor het Natura 2000-gebied voor het landgoed Kolland deels zullen samenvallen met de maatregelen die nu al in het projectplan zijn opgenomen. Het projectplan kan in zoverre worden gezien als besluit dat noodzakelijk is om de gewenste instandhoudingsmaatregelen daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Omdat het beheerplan voor Natura 2000-gebieden het instrument is om die maatregelen in vast te leggen, zou het een logische stap zijn geweest als dat plan eerst zou zijn vastgesteld. Er is echter geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat wanneer een projectplan betrekking heeft op een Natura 2000-gebied, eerst het beheerplan moet worden afgewacht. De volgorde die eiseres graag had gezien kan zij daarom niet afdwingen. Zij heeft bovendien in deze procedure de mogelijkheid om tegen de maatregelen in het projectplan op te komen. De beroepsgrond slaagt niet.


5. Eiseres voert ook aan dat verweerder het nabijgelegen Oud Kolland in het projectplan had moeten betrekken. Partijen zijn het er echter over eens dat Oud Kolland hydrologisch gezien een van het landgoed Kolland losstaand gebied is. Er is daarom geen sprake van hetzelfde oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de Waterwet. De maatregelen die verweerder wil nemen zien alleen op wijzigingen van het waterstaatswerk in het gebied van het landgoed Kolland. Verweerder heeft er daarom voor mogen kiezen om alleen voor dat gebied een projectplan vast te stellen. Pas als er maatregelen worden genomen die het waterstaatswerk in het gebied Oud Kolland wijzigen, moet ook daarvoor een projectplan worden vastgesteld, met inachtneming van wat de Waterwet daarover bepaalt. Dat Oud Kolland en het landgoed Kolland in hetzelfde Natura 2000-gebied liggen maakt dit niet anders, hoewel het ook in dit kader begrijpelijk is dat eiseres vanwege de samenhang die de beide gebieden voor haar hebben graag had gezien dat er eerst een overkoepelend beheerplan was gekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.


6. Eiseres voert aan dat verweerder het projectplan niet had mogen vaststellen, omdat hij nog geen peilbesluit heeft genomen en er nog geen natuurvergunning is verleend voor de maatregelen uit het projectplan. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de aanleg van de kunstwerken uit het projectplan van start kan gaan zonder dat het peil eerst wordt aangepast. Verder is het de verwachting dat voor bepaalde werkzaamheden een vergunning op grond van de Wnb is vereist, maar volgens verweerder kunnen in ieder geval de werkzaamheden die buiten het Natura 2000-gebied zijn voorzien zonder natuurvergunning plaatsvinden.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat het niet in geschil is dat het voor de daadwerkelijke uitvoering van de beoogde hydrologische scheiding noodzakelijk is dat verweerder een peilbesluit neemt. Daarnaast is er nog geen uitsluitsel van gedeputeerde staten over de natuurvergunning. Verweerder had er met het oog op een heldere besluitvorming en ter voorkoming van dubbele procedures voor kunnen kiezen om het projectplan en het peilbesluit gelijktijdig vast te stellen. Ook hier geldt echter dat er geen wettelijke verplichting is om met het vaststellen van een projectplan te wachten totdat er een peilbesluit is genomen of totdat er duidelijkheid is over de vraag of natuurvergunningen verleend moeten worden. Bovendien blijkt uit de toelichting van verweerder dat een deel van de werkzaamheden uit het projectplan al van start kan gaan. Verweerder heeft voor deze volgorde mogen kiezen en deze beroepsgrond slaagt niet.


7. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de nadelige gevolgen die het projectplan zal hebben voor haar bedrijfsvoering en dat het projectplan daarom niet op deze wijze had mogen worden vastgesteld. Zij heeft toegelicht dat door de beoogde maatregelen een rendabele bedrijfsvoering op haar percelen in de toekomst niet meer mogelijk zal zijn. Daarbij heeft zij gewezen op het belang van het kunnen gebruiken van gronden direct rondom de huiskavel van het bedrijf. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van eiseres en dat zij bij het optreden van schade op grond van de Waterwet om nadeelcompensatie kan verzoeken.


7.1.

De rechtbank overweegt dat in het projectplan is onderkend dat de voorziene ontwikkelingen tot nadelige gevolgen voor eiseres zullen leiden. Die nadelen bestaan in ieder geval uit de vernatting van een deel van de agrarische gronden die eiseres pacht. Partijen verschillen van mening over hoe erg die vernatting zal zijn en tot hoe ver dit zich zal uitstrekken. Dit hangt deels samen met het door verweerder nog in te stellen nieuwe peil. De uiteindelijke omvang van de schade zal daarom pas duidelijk worden nadat verweerder het peilbesluit heeft genomen en de nadelen die eiseres zal ondervinden zullen in ieder geval gedeeltelijk voortvloeien uit dat nog te nemen besluit. Dit besluit is er nu nog niet en kan in deze procedure niet aan de orde komen.


7.2.

Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de Waterwet een nadeelcompensatieregeling kent. Het is niet in geschil dat het waarschijnlijk is dat eiseres door het projectplan schade zal lijden die op grond van deze regeling voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat dan vooral om de vermindering van de agrarische gebruikswaarde van een deel van de percelen die eiseres pacht. In dit kader heeft verweerder op de zitting toegelicht dat de provincie Utrecht met de grondeigenaar Landgoed Kolland B.V. is overeengekomen dat zij elders in het gebied gronden in eigendom zal krijgen, ter compensatie van deze nadelige gevolgen. Volgens verweerder zou Landgoed Kolland B.V. deze compensatiegronden vervolgens weer aan eiseres kunnen verpachten om ook haar te compenseren. De schade zou dan ‘anderszins verzekerd’ zijn. De rechtbank stelt vast dat dit afhankelijk is van de opstelling van Landgoed Kolland B.V. Op dit moment staat de exacte schade van eiseres en de mate waarin Landgoed Kolland B.V. haar daarin wil compenseren nog niet vast. In het kader van de nu voorliggende procedure kunnen deze aspecten daarom niet aan de orde komen. De rechtbank neemt bij de beoordeling van deze beroepsgrond wel in aanmerking dat aan eiseres op grond van de nadeelcompensatieregeling in de Waterwet een vergoeding zal worden toegekend, als inderdaad sprake is van schade die in die regeling wordt bedoeld en als die schade niet op een andere manier – zoals door compensatie door Landgoed Kolland B.V. – is verzekerd.


7.3.

Het is echter voorstelbaar dat eiseres, ook als zij gecompenseerd wordt, toch nadelen zal ondervinden van de maatregelen uit het projectplan. Gronden die zij via de provincie Utrecht en het Landgoed Kolland B.V. elders ter beschikking zou kunnen krijgen zullen niet aan de huiskavel van haar bedrijf grenzen en eiseres heeft op inzichtelijke wijze toegelicht waarom dat nadelig is voor haar bedrijfsvoering. Ook een financiële vergoeding door verweerder via de nadeelcompensatieregeling zal mogelijk niet alle nadelen voor de bedrijfsvoering wegnemen. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet maakt dat verweerder het projectplan in redelijkheid niet heeft mogen vaststellen. De aanwijzing van het landgoed Kolland als Natura 2000-gebied is een gegeven. De natuurwaarden die aan dergelijke gebieden worden toegekend komen tot uiting in het wettelijke beschermingsregime uit de Wnb en het is niet in geschil dat er als gevolg van de aanwijzing hoe dan ook maatregelen moeten worden genomen om uitvoering te geven aan de instandhoudingsdoelen van het gebied. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt bovendien dat het niet zo is dat er als gevolg van een projectplan helemaal geen nadelige gevolgen mogen optreden (ABRvS 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2275). Verweerder heeft bij de afweging van de bij de vaststelling van het projectplan betrokken belangen in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van het realiseren van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dan aan het belang dat eiseres heeft bij het op dezelfde wijze, zonder enig nadeel voortzetten van haar bedrijf.


7.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, onder afweging van de betrokken belangen, het projectplan in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De beroepsgrond slaagt niet.


8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


9. De rechtbank stelt nog vast dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op het bestreden besluit. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is dat het geval voor alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten. In onderdeel 7.3 van bijlage I bij de Chw wordt de aanleg of wijziging van waterstaatswerken als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, aangemerkt als een dergelijke categorie van projecten. Voor deze zaak is de toepasselijkheid van de Chw enkel nog van belang voor een eventuele hogerberoepsprocedure.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. V.M.M. van Amstel en mr. drs. S. Wijna, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.