Rechtbank Midden-Nederland, 18-01-2017 / C/16/429187 / KG ZA 16-959


ECLI:NL:RBMNE:2017:166

Inhoudsindicatie
Kort geding. Geldlening. Beroep op verrekening afgewezen, want illiquide (art. 6:136 BW).
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-18
Publicatiedatum
2017-01-26
Zaaknummer
C/16/429187 / KG ZA 16-959
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/429187 / KG ZA 16-959


Vonnis in kort geding van 18 januari 2017


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.H. Bouwman te Amsterdam,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.I. Veerman te Volendam.



Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met producties;
  • - de brief met producties van mr. Veerman van 5 januari 2017;
  • - de mondelinge behandeling op 10 januari 2017 en de pleitaantekeningen van mr. Veerman.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De beoordeling

2.1.

[eiser] vordert, samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.000 met rente en kosten. [gedaagde] voert verweer.

2.2.

Het uitgangspunt bij een vordering in kort geding tot betaling van een geldsom is terughoudendheid. De rechter moet niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of inderdaad een onmiddellijke voorziening is vereist. Ook moet hij in de afweging van de belangen de vraag betrekken, kort gezegd, naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling; dat risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

2.3.

Omdat [eiser] voldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, kan die in kort geding worden beoordeeld.

2.4.

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat beide partijen ondernemers zijn. [gedaagde] heeft een eenmanszaak. [eiser] heeft in augustus 2016 zijn eenmanszaak [bedrijfsnaam] verkocht en is eind 2016 gestart met activiteiten binnen een besloten vennootschap die hij in 2015 had opgericht. In juni 2016 zijn partijen met elkaar in contact gekomen en [gedaagde] heeft voor de (werkmaatschappij van de) vennootschap van [eiser] een ondernemingsplan opgesteld.

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] [eiser] heeft gevraagd om haar geld te lenen. Van de rekening van de onderneming van [eiser] , [bedrijfsnaam] , is op 26 augustus 2016 € 2.000 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde] . Van de privérekening van [eiser] is vervolgens op 19 september 2016 nog eens € 3.000 overgemaakt naar dezelfde rekening van [gedaagde] . Er is geen overeenkomst van geldlening op papier gezet, maar uit de overgelegde stukken blijkt duidelijk dat [eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk op 26 september 2016 het totaalbedrag zou overmaken naar de rekening van [eiser] . In een e-mailbericht van 19 september 2016 van [gedaagde] aan [eiser] staat het volgende:

Dank dat je me opnieuw wilt helpen [eiser] ! Ik zal jouw vertrouwen zeker niet schaden.

Eerder deze maand leende ik 2000 euro van je om de Belastingdienst te kunnen betalen.

Vandaag (maandag 19 september) leen je me nog 3000 euro.

Uiterlijk aanstaande maandag (26 september) stort ik het totaalbedrag van 5000 euro op jouw rekening.

Op 20 oktober 2016 heeft [gedaagde] € 1.000 aan [eiser] terugbetaald. De rest is niet terugbetaald.

2.6.

Tijdens de mondelinge behandeling is van de kant van [gedaagde] benadrukt dat het geld (in elk geval de eerste € 2.000) niet door [eiser] zelf aan haar is geleend, maar door zijn onderneming, zodat ook niet [eiser] zelf terugbetaling kan vorderen. Inderdaad is het geld van de rekening van de onderneming naar [gedaagde] overgemaakt. Daaruit kan echter niet de conclusie getrokken worden dat [gedaagde] niet van [eiser] zelf geld heeft geleend. Uit de overgelegde stukken en de stellingen van partijen blijkt voldoende duidelijk dat [gedaagde] met [eiser] een afspraak heeft gemaakt waarbij [eiser] niet handelde namens zijn onderneming. Daar komt bij dat het bij deze transactie gaat om een eenmanszaak, dus om een onderneming zonder eigen rechtspersoonlijkheid en zonder afgezonderd vermogen, en dat niet gemotiveerd is weersproken dat destijds duidelijk was dat [eiser] die onderneming had verkocht. In deze procedure wordt dan ook uitgegaan van een lening van [eiser] aan [gedaagde] zodat [eiser] als schuldeiser het (resterende deel van het) geleende bedrag kan vorderen van [gedaagde] .

2.7.

[gedaagde] beroept zich subsidiair op verrekening met een vordering van € 3.985,01 die zij stelt op [eiser] te hebben vanwege de door haar (onderneming) verrichte werkzaamheden. Die vordering staat niet vast. In de eerste plaats betwist [eiser] dat zij voor die werkzaamheden afzonderlijk betaling mocht vragen. Volgens hem heeft zij na haar eerste factuur, die hij betaald heeft, nog kleine aanpassingen gedaan in zijn ondernemingsplan, maar waren die inbegrepen in de daarvoor betaalde som, en heeft zij andere werkzaamheden uit eigen initiatief naar zich toegetrokken, in de hoop op een vervolgopdracht. Daarnaast vindt hij de nu door haar berekende uren veel te hoog. In de tweede plaats benadrukt hij dat dit een vordering zou zijn op zijn vennootschap en niet op hem in privé, zodat ook daarom verrekening niet aan de orde kan zijn.

2.8.

Partijen zijn het hierover niet eens. De overgelegde stukken en de nadere onderbouwing van de stellingen door partijen tijdens de zitting geven geen uitsluitsel. Het zou kunnen zijn dat [gedaagde] ook nog geld tegoed heeft van [eiser] , maar dat is nu niet voldoende aannemelijk geworden, en dat kan in deze procedure ook niet eenvoudig worden vastgesteld. Omdat de terugbetalingsverplichting op grond van de geldlening wel vaststaat, kan die vordering ondanks het beroep op verrekening worden toegewezen (artikel 6:136 BW).

2.9.

[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat er een restitutierisico zou bestaan. Als dat al zo zou zijn, is het passend dat zij het risico van insolventie van de wederpartij draagt en niet hij, omdat zijn vordering vaststaat en de hare niet.

2.10.

Omdat [gedaagde] de in het ongelijk gestelde partij is, zou zij in de proceskosten worden veroordeeld. Hierbij is echter een probleem dat de zaak aanhangig is gemaakt bij de voorzieningenrechter, terwijl de kantonrechter ook bevoegd was. Bij de kantonrechter zou met name het griffierecht aanzienlijk lager zijn geweest: daar betaalt de gedaagde partij geen griffierecht, terwijl [gedaagde] nu bij de voorzieningenrechter € 883 betaalt. Aangezien dat bedrag al hoger is dan de hele proceskostenveroordeling zou zijn geweest, zullen de kosten tussen partijen gecompenseerd worden, zodat ieder de eigen kosten draagt.

3De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] € 4.000,00 te betalen (vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 27 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

3.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de proceskosten, zodat ieder de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

1 type: PD (4096) coll: nig 4123