Rechtbank Midden-Nederland, 11-04-2017 / 16/661424-15 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:1796

Inhoudsindicatie
Een 28-jarige Fransman die drie mannen heeft neergeschoten in een hotelkamer in Zeist in 2015 is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf. Bij de mislukte ripdeal kwam een man om het leven en raakten twee anderen levensbedreigend gewond. De man was samen met een kennis in een hotelkamer in Zeist voor een cocaïnedeal met Colombianen. De rechtbank concludeert dat hij bewapend en zonder geld de hotelkamer in is gegaan om de Colombianen van 20 kilo cocaïne te beroven. Dit bleek later nepcocaïne. Toen het uit de hand liep heeft de man van korte afstand het vuur geopend op de Colombianen. Hij heeft vervolgens ook nog een willekeurige voorbijganger met een vuurwapen bedreigd en gedwongen om haar auto af te staan. De man heeft in Nederland een blanco strafblad, maar is in Frankrijk wel eerder veroordeeld. De rechtbank houdt ook rekening met de rol die de Colombianen hadden. Zij wilden de Fransman en zijn kennis oplichten door hun nepcocaïne te verkopen. Ook waren zij bewapend. Zij hebben dan ook - samen met de verdachte - de ontstane gewelddadige situatie gecreëerd. De rechtbank wijkt daarom enigszins af van de eis van de officier van justitie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-11
Publicatiedatum
2017-04-11
Zaaknummer
16/661424-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/661424-15 (P)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 april 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1988] in [geboorteplaats] (Frankrijk),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

preventief gedetineerd in de PI Zuid West – De Dordtse Poorten, Dordrecht.



1Het onderzoek ter terechtzitting


De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 maart 2017.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft eerder plaatsgevonden op 17 september 2015, 14 december 2015, 18 februari 2016, 7 april 2016, 16 juni 2016, 15 september 2016, 8 december 2016 en 16 februari 2017.


De verdachte is bij de inhoudelijke behandeling in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 2 juni 2015 te Zeist (feit 4: en/of Leusden) als medepleger schuldig heeft gemaakt aan:


feit 1: doodslag van [slachtoffer 1] door meermalen op / richting het slachtoffer te schieten met een vuurwapen, ten gevolge waarvan hij is overleden;

feit 2: poging tot doodslag van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door meermalen op / richting de slachtoffers te schieten met een vuurwapen;

feit 3: afpersing van [benadeelde partij] door haar met bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van haar auto, autosleutels en telefoon;

feit 4: voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie.



3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4De beoordeling van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich wat betreft feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de Colombiaanse getuigen onbruikbaar zijn voor het bewijs – met uitzondering van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wat betreft de omstandigheid dat zij op 2 juni 2015 in de hotelkamer aanwezig waren en zijn beschoten door verdachte. Verder is geen verweer gevoerd met betrekking tot een bewezenverklaring van feit 1 en 2. Wel heeft de verdediging een beroep op noodweer gedaan. Dit wordt besproken onder punt 6.1.


4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


Verdachte heeft over 2 juni 2015 onder meer het volgende verklaard. Hij was samen met een kennis in een hotelkamer in Zeist voor een cocaïnedeal met Colombianen. Verdachte heeft in de hotelkamer met een vuurwapen meermalen geschoten in de richting van de Colombianen. Eén van de Colombianen had een bivakmuts op en stond op dat moment in de badkamer.


Op 2 juni 2015 is [slachtoffer 3] in het ziekenhuis behandeld voor een schotwond in zijn buik. Ook [slachtoffer 2] is op 2 juni 2015 in het ziekenhuis opgenomen in verband met het oplopen van meerdere schotwonden.


[slachtoffer 2] heeft verklaard op 2 juni 2015 in een appartement in Zeist door een Arabier te zijn beschoten en tweemaal te zijn geraakt. Tijdens het schieten waren onder meer [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en een tweede Arabier in de kamer. Ook [slachtoffer 3] heeft verklaard op 2 juni 2015 in een appartement in de buurt van Utrecht te zijn beschoten.


Op 3 juni 2015 is in een appartement van het [hotel] in Zeist een overleden man aangetroffen. De overledene lag in de badkamer met naast hem een bivakmuts. Het slachtoffer is geïdentificeerd als zijnde [slachtoffer 1] . Door het NFI is vastgesteld dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen schotverwondingen.


Verdachte heeft verklaard na het schieten de hotelkamer te hebben verlaten met het vuurwapen in zijn hand. Zijn kennis kwam achter hem aan.


Bij de politie heeft verdachte verklaard:

“(…) De auto die heb ik gestolen. We zijn met z’n tweeën geweest maar ik ben degene die het als eerste heeft gedaan. Het is zo gegaan; ik heb aan haar raam geklopt. (…) Degene die met mij was is achter het stuur gaan zitten en ik ben op de passagiersplaats gaan zitten. (…) Ik heb een wapen gehad, maar ik heb haar nooit bedreigd. Ik heb haar de tijd gegeven om spullen uit de auto te halen.

(…)

V: Waar was het wapen toen hij de sleutels van de vrouw afpakte?

A: Ik had het in mijn hand.

(…)

V: Hoe zag het wapen eruit wat hij in zijn hand had?

A: Het was een pistoolmitrailleur. (…)”.


Verdachte heeft voorts verklaard dat hij het wapen vlak voor zijn aanhouding in de bosjes heeft gegooid.


Aangeefster [benadeelde partij] heeft verklaard op 2 juni 2015 haar personenauto te hebben geparkeerd in een parkeergarage in Zeist. Zij zag twee personen staan in de parkeergarage. Eén daarvan klopte op haar raam. Hij had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand. Met de hand waarin hij het wapen vast had gebaarde de man dat zij uit moest stappen. [benadeelde partij] voelde zich erg bedreigd. De man zei tegen haar: “Keys, phone, no police”. Ze gaf haar sleutels en mobiele telefoon aan de man. De andere man stapte als bestuurder in haar auto. De mannen hebben samen in haar auto de parkeergarage verlaten.


De politie heeft de auto met de twee inzittenden achtervolgd tot in Leusden, waar de bijrijder vervolgens is aangehouden. Verdachte heeft verklaard dat hij de bijrijder was. In zijn tas zat een gevulde patroonhouder. Verdachte heeft dit beaamt. Na de achtervolging zijn twee vuurwapens aangetroffen: een handvuurwapen in de voetenbak van de bijrijder en een automatisch vuurwapen in de bosschages nabij de auto. Het handvuurwapen blijkt een pistool van het merk BBM Bruni en model 92 te betreffen, zijnde een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Het automatisch vuurwapen betreft een machinepistool van het merk Zastava en model M84, gecategoriseerd als een wapen van categorie II van de WWM.


Beide vuurwapens bevatten munitie van categorie III van de WWM. De houder van het pistool bleek 5 patronen van het kaliber 9 mm te bevatten. In het machinepistool zaten 14 patronen; 13 patronen in de houder en 1 in de kamer. In de tweede patroonhouder zaten ook 14 patronen. Alle patronen van het machinepistool zijn van het kaliber 7,65 mm. De tweede patroonhouder is als wezenlijk onderdeel van een machinepistool overeenkomstig gecategoriseerd en valt in categorie II van de WWM.


Op grond van deze bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van:

  • - doodslag van [slachtoffer 1] ,
  • - poging tot doodslag van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ,
  • - afpersing van [benadeelde partij] , en
  • - voorhanden hebben van twee vuurwapens, een patroonhouder en munitie,

zoals onder feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegd.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


feit 1:op 2 juni 2015 te Zeist , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij opzettelijk meermalen met een vuurwapen in de richting van voornoemde man geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde man is overleden;


feit 2:op 2 juni 2015 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet als volgt heeft gehandeld: hij heeft meermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geschoten, waarbij de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


feit 3:op 2 juni 2015 te Zeist, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto en autosleutels en een mobiele telefoon, die toebehoren aan [benadeelde partij] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader

- op/tegen een autoraam heeft geklopt en (vervolgens) een vuurwapen heeft getoond en

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd “Keys, Phone, No police”;


feit 4:op 2 juni 2015 te Zeist en Leusden, tezamen en in vereniging met een ander,

- een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk BBM Bruni model 92, en

- een wapen van categorie II, te weten een machinepistool, Zastava, model M84, en

- munitie van categorie III, te weten 5 patronen kaliber 9 mm en 28 patronen kaliber 7,65 mm, en

- een patroonhouder van categorie II, voorhanden heeft gehad;


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van de feiten


6.1

Beroep op noodweer


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot feit 1 en 2 betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte stelt dat hij in de afgesloten hotelkamer, nadat hij had geconstateerd dat er iets mis was met de cocaïne en de Colombianen dus had betrapt in hun oplichtingsplan, is geconfronteerd met de man die uit de badkamer kwam met een bivakmuts op en een wapen in zijn hand. Op dat moment heeft verdachte op proportionele wijze gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf, alsook dat van zijn kennis. Nu verdachte niet heeft geprovoceerd of de aanranding heeft opgezocht is geen sprake van culpa in causa. Het zich begeven in een crimineel milieu of het bewapenen, wat verdachte overigens uitdrukkelijk ontkent, is hiervoor onvoldoende. De raadsman verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat niet aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Dat de kennis van verdachte heeft geroepen dat de Colombiaan een wapen had, maakt niet dat sprake was van een concrete dreiging voor verdachte. Daarbij komt dat verdachte als enige heeft geschoten. Subsidiair is de officier van justitie van mening dat sprake is van culpa in causa omdat verdachte ter plaatse is gegaan met het doel om de Colombianen te beroven van de cocaïne. Het beroep op noodweer moet dan ook worden verworpen.


Het oordeel van de rechtbank

In het kader van het beroep op noodweer gaat de rechtbank uit van onderstaande lezing van de feiten en omstandigheden.


Poging tot oplichting door de Colombianen Op basis van het dossier wordt het aannemelijk geacht dat de Colombianen van plan waren om verdachte (en zijn kennis) op te lichten, nu door (een aantal van) de Colombianen is verklaard dat dat hun bedoeling was en nu uit onderzoek is gebleken dat de aangeboden pakketjes ook geen cocaïne bevatten.

Ook is op basis van het dossier aannemelijk dat het latere slachtoffer zich initieel verstopt hield in de badkamer met een bivakmuts op en dat hij in het bezit was van in ieder geval een stroomstootwapen en mogelijk een vuurwapen.


Poging tot rippen door verdachte

Wat betreft de intentie van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.


De aanwezigheid van geld Verdachte heeft verklaard dat zijn kennis € 600.000,- bij zich had voor de aankoop van de cocaïne van de Colombianen. De rechtbank acht het evenwel onaannemelijk dat de verdachten geld bij zich hadden. Ten eerste omdat medeverdachte [medeverdachte] ontkent geld bij zich te hebben gehad – gelet op de inhoud van het dossier begrijpt de rechtbank dat hij “de kennis” van verdachte is. Ook is er geen geld aangetroffen op de plaats delict, terwijl verdachte stelt dat zij het geld daar hebben achtergelaten. Het feit dat de verdachten bij het verlaten van de hotelkamer niet het (gestelde) geld hebben meegenomen, maar wel de koffer met ‘cocaïne’ waarvan zij al hadden ontdekt dat er iets mis mee was, vormt een derde aanwijzing dat er niet daadwerkelijk geld was. Bij het voorgaande is voorts van belang dat de verdediging niet eens een begin van (verifieerbaar) inzicht heeft gegeven in de herkomst van een contant geldbedrag van dergelijke omvang. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat [medeverdachte] de eigenaar van het (gestelde) geld zou zijn, bevreemdt het dat verdachte, die in ieder geval nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de (beoogde) cocaïnedeal, hierover geen enkele informatie kan verschaffen. Onder al deze omstandigheden wordt de verklaring van verdachte dat hij en zijn medeverdachte in het bezit van geld ter plaatse zijn gegaan voor het verkrijgen van cocaïne ongeloofwaardig geacht.


De aanwezigheid van wapens

Verdachte ontkent wapens te hebben meegenomen naar de cocaïnedeal en ontkent ook enige wetenschap te hebben gehad dat zijn kennis wapens had meegenomen. De rechtbank acht het op zich al moeilijk voorstelbaar dat verdachte geen wapens heeft meegenomen naar de cocaïnedeal, in aanmerking genomen dat hij geen geld bij zich had en dus onvermijdelijk was dat geweld zou worden toegepast om de cocaïne te kunnen verkrijgen. Daarbij komt dat het dossier concrete aanwijzingen bevat dat verdachte wapens bij zich had. Tijdens de vlucht na de schietpartij had verdachte twee vuurwapens bij zich in de auto: het gebruikte wapen en het wapen dat voor zijn voeten is aangetroffen. In zijn tas is vervolgens ook nog een tweede patroonhouder voor het machinepistool gevonden. Voorts acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte – die naar eigen zeggen niet wist van de aanwezigheid van het machinepistool – enkel op instructie van zijn kennis in wat hij ter zitting zelf omschrijft als “een fractie van een seconde” in staat is geweest om het wapen te vinden, ter hand te nemen en meermalen te schieten waarbij ook nog drie aanwezigen (één dodelijk en twee levensbedreigend) zijn geraakt. Onder al deze omstandigheden wordt de verklaring van verdachte ook wat betreft het ontbreken van kennis van de aanwezigheid van wapens aan zijn zijde ongeloofwaardig geacht.


Conclusie

Geconcludeerd wordt dan ook dat verdachte met een wapen en zonder geld de hotelkamer in is gegaan, kennelijk met het doel om de Colombianen te beroven van de cocaïne.


Beoordeling van het beroep op noodweer Vastgesteld wordt dat beide partijen de hotelkamer hebben betreden met criminele intenties ten opzichte van elkaar.


De rechtbank is van oordeel dat zelfs onder dergelijke omstandigheden een geslaagd beroep op noodweer denkbaar is, bijvoorbeeld indien verdachte en/of zijn medeverdachte al voorafgaand aan de aanvang van de beoogde ripdeal geconfronteerd zouden worden met (dreiging met) geweld van de tegenpartij waartegen zij zich dienden te verdedigen. Een dergelijke situatie zou zich bijvoorbeeld hebben kunnen voordoen indien de tegenpartij verdachte al onmiddellijk bij binnenkomst in de hotelkamer met getrokken vuurwapens zou hebben opgewacht.


In deze zaak is daar evenwel geen sprake van. Verdachte en zijn kennis hebben na binnenkomst in de hotelkamer uitvoering gegeven aan de door hen beoogde (rip)deal. Bij de uitvoering hiervan – na het controleren van de cocaïne – is het echter misgegaan. De ontstane discussie is uitgelopen in de binnenkomst van ten minste één gewapende Colombiaan (met de bivakmuts) en de schietpartij.


De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat bij het uitvoeren van een dergelijke ripdeal door verdachte geanticipeerd is op het gebruik van geweld althans in ieder geval op de dreiging daarvan. Ook op eventuele complicaties bij de uitvoering hiervan, waaronder tegengeweld, zou moeten zijn geanticipeerd. Deze omstandigheden staan dan ook aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg omdat verdachte niet handelde ter noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) aanranding. Het geweld is uitgeoefend ter uitvoering van het vooraf bedachte plan, te weten het onder (dreiging van) geweld wegnemen van cocaïne. Een agressieve reactie van de tegenpartij was in deze situatie immers alleszins te verwachten. Dat de situatie in de hotelkamer zich uiteindelijk anders voltrok dan verdachte en zijn medeverdachte vooraf hadden gehoopt en verwacht, doet daar niet aan af.


De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is – ook anderszins – niet aannemelijk geworden.


6.2

Kwalificatie van het bewezen verklaarde De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:


feit 1: medeplegen van doodslag;

feit 2: medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 3: medeplegen van afpersing;

feit 4: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.



7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8Motivering van de straf


8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaar, met aftrek van voorarrest.


8.2

Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wat betreft feiten 3 en 4 gelet op de gebruikelijke straffen voor dergelijke feiten zich het geval van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bijna voordoet.


8.3

Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft op 2 juni 2015 drie mannen neergeschoten van wie één is komen te overlijden en de andere twee (levensbedreigend) gewond zijn geraakt. De aanleiding was een mislukte ripdeal van 20 kilogram – naar later bleek – nepcocaïne. Toen het uit de hand liep heeft verdachte vanaf korte afstand het vuur geopend op de tegenpartij. Doodslag – en poging hiertoe – betreft de meest fundamentele inbreuk op het hoogste recht van de mens, het recht op leven. Ook overigens heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de Nederlandse rechtsorde door zich in een dergelijke situatie te begeven.


Het moge duidelijk zijn dat in reactie op dermate ernstige feiten enkel een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van lange duur op zijn plaats is. Daarbij wordt opgemerkt dat het medeplegen hiervan weliswaar bewezen is verklaard, maar dat de rechtbank aan deze omstandigheid geen betekenis heeft toegekend bij het bepalen van de strafmaat.


Vervolgens heeft verdachte ook nog een willekeurige voorbijganger bedreigd met een vuurwapen ter verkrijging van een vluchtauto. Hierbij heeft verdachte enkel gehandeld in zijn eigen belang en geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank neemt hem dit zeer kwalijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke aantasting van de persoonlijke levenssfeer tot ernstige gevoelens van onrust kan leiden, niet alleen bij het slachtoffer zelf maar ook in de maatschappij. Alleen al voor dit feit acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van ten minste twee jaar geboden.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van zijn justitiële voorgeschiedenis. Verdachte heeft in Nederland een blanco strafblad maar hij is in Frankrijk wel eerder veroordeeld, blijkens een uittreksel uit het European Criminal Records Information System van 30 juli 2015. Hij is laatstelijk veroordeeld in 2009 ter zake van drugshandel tot een gevangenisstraf van twee jaar.


Naast de ernst van de feiten en de justitiële voorgeschiedenis van verdachte houdt de rechtbank bij bepaling van de strafmaat (kennelijk in sterkere mate dan de officier van justitie) rekening met de omstandigheid dat ook de tegenpartij zich niet onbetuigd heeft gelaten. Ook de slachtoffers waren bewapend en hebben geprobeerd om verdachte op te lichten. Zij hebben dan ook – samen met verdachte – bewust de ontstane gewelddadige situatie gecreëerd. Hierin wordt aanleiding gevonden om in enigszins strafmatigende zin af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.


Gelet op al het voorgaande en in aanmerking genomen de strafoplegging in soortgelijke zaken acht de rechtbank passend en geboden oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.



9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel


Door de benadeelde partij [benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding ingediend. Gevorderd wordt in totaal een bedrag van € 379,95 als materiële schadevergoeding voor het onder feit 3 ten laste gelegde.


De officier van justitie heeft gevorderd het bedrag geheel toe te wijzen met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


De verdediging heeft geen verweer gevoerd wat betreft de vordering. Verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven bereid te zijn de gevorderde schadevergoeding te betalen.


De rechtbank stelt vast dat het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 379,95 aan materiële schade, conform de vordering. De vordering wordt dan ook tot dat bedrag toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.


Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.



10Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



11Beslissing


De rechtbank:


Bewezenverklaring Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Strafbaarstelling Het bewezen verklaarde levert op:


feit 1: medeplegen van doodslag;

feit 2: medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 3: medeplegen van afpersing;

feit 4: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.


Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.


Strafoplegging Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaar.


Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.


Vordering benadeelde partij ten aanzien van feit 3 Wijst de vordering van [benadeelde partij] geheel toe tot € 379,95 (zegge: driehonderd negenenzeventig euro en vijfennegentig eurocent) bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van € 379,95 (zegge: driehonderd negenenzeventig euro en vijfennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 7 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.





Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter,

mrs. K.J. Veenstra en J.G. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 april 2017.


BIJLAGE: de tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat:



1.


hij op of omstreeks 02 juni 2015 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers

heeft / hebben verdachte en / of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk meermalen met een vuurwapen op, althans in de richting van,

voornoemde man geschoten, tengevolge waarvan voornoemde man is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


2.


hij op of omstreeks 02 juni 2015 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of

(één of meer van) zijn mededader(s) meermalen met een of meerdere vuurwapen(s)

op, althans in de richting van, die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] geschoten,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


3.


hij op of omstreeks 02 juni 2015 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft

gedwongen tot de afgifte van een personenauto en/of autosleutels en/of een

mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of

zijn mededader(s), welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- op/tegen een autoraam heeft/hebben geklopt en/of (vervolgens) een vuurwapen,

althans een dergelijk voorwerp, heeft/hebben getoond, althans voor die [benadeelde partij]

zichtbaar vastgehouden en/of met een vuurwapen, althans een dergelijk

voorwerp, heeft/hebben gezwaaid en/of

- tegen die [benadeelde partij] heeft/hebben gezegd "Keys, Phone, No police", althans

woorden van gelijke aard en/of strekking

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht


4.


hij op of omstreeks 02 juni 2015 te Zeist en/of Leusden, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, merk BBM Bruni

model 92, en/of

een of meer wapens van categorie II, te weten een machinepistool, Zastava,

model M84, en/of

munitie van categorie III, te weten 5 patronen kaliber 9 mm en/of 28 patronen

kaliber 7,65 mm en/of een patroonhouder van categorie III, voorhanden

heeft/hebben gehad;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie


1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. 2015169100 (onderzoek 09Jager), bevinden, bestaande uit: - D-verbaal: p. 1 – 2050; - E t/m F-verbaal: p. 1 – 252; - FO dossier: p. 1 – 502; - aanvullend FO dossier: p. 1 – 29. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.
2 De verklaring van verdachte ter zitting van 28 maart 2017.
3 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 95.
4 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 121.
5 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 102-103.
6 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] op 6 juli 2015, D-verbaal p. 376.
7 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] op 6 juli 2015, D-verbaal p. 379.
8 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor aangever [slachtoffer 3] op 3 juni 2015, D-verbaal p. 298.
9 Het proces-verbaal van bevindingen verhoor aangever [slachtoffer 3] op 3 juni 2015, D-verbaal p. 300.
10 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 131.
11 Het proces-verbaal van bevindingen, FO dossier p. 68.
12 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 167.
13 Een geschrift, zijnde een NFI rapport van 11 juni 2015, FO dossier p. 192.
14 De verklaring van verdachte ter zitting van 28 maart 2017.
15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, D-verbaal p. 548
16 De verklaring van verdachte ter zitting van 28 maart 2017.
17 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij] op 2 juni 2015, D-verbaal p. 45.
18 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij] op 2 juni 2015, D-verbaal p. 46.
19 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde partij] op 10 juni 2015, D-verbaal p. 53.
20 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij] op 2 juni 2015, D-verbaal p. 46.
21 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij] op 2 juni 2015, D-verbaal p. 47.
22 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 70.
23 De verklaring van verdachte ter zitting van 28 maart 2017.
24 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 74.
25 De verklaring van verdachte ter zitting van 28 maart 2017.
26 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 71.
27 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 79.
28 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 857.
29 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 857-858.
30 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, FO dossier p. 17.
31 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, FO dossier p. 39.
32 Het proces-verbaal van bevindingen, D-verbaal p. 861.