Rechtbank Midden-Nederland, 26-04-2017 / C/16/414869 / HA ZA 16-332


ECLI:NL:RBMNE:2017:1867

Inhoudsindicatie
Artikel 843a vordering afgewezen. Geen rechtmatig belang.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-26
Publicatiedatum
2017-05-15
Zaaknummer
C/16/414869 / HA ZA 16-332
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht



zaaknummer / rolnummer: C/16/414869 / HA ZA 16-332


Vonnis in incident van 26 april 2017


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SANITECH HOLDING B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.W.B. van Till,


tegen


1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] , Frankrijk,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 1] , Frankrijk,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

gedaagden in het incident,

advocaat mr. E.H.M. Bieleveld.



Partijen zullen hierna Sanitech en (indien op gedaagden in het incident gezamenlijk wordt gedoeld) [gedaagden c.s.] worden genoemd. Indien op één van gedaagden in het incident afzonderlijk wordt gedoeld, zullen zij [gedaagde 1] , [gedaagde 2] respectievelijk [gedaagde 3] worden genoemd.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot inzage in de administratie dan wel bankafschriften van [gedaagde 3]
  • - de incidentele conclusie van antwoord
  • - de tijdens het pleidooi, dat op 23 maart 2017 is gehouden, door Sanitech en door [gedaagden c.s.] overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.


2De feiten


2.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn bestuurders van [gedaagde 3] .


2.2.

Sanitech en [gedaagde 3] hebben in 2008 een intentieovereenkomst gesloten.


2.3.

Bij vonnis van 26 februari 2014 heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat de genoemde overeenkomst rechtsgeldig door [gedaagde 3] (gedeeltelijk) was ontbonden en is Sanitech veroordeeld om een bedrag van € 185.000,- aan [gedaagde 3] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, en om de proceskosten en nakosten aan haar te vergoeden.


2.4.

Op 1 april 2014 heeft Sanitech een bedrag van € 235.270,07 aan [gedaagde 3] voldaan.


2.5.

Bij arrest van 27 januari 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hiervoor genoemde vonnis vernietigd en [gedaagde 3] veroordeeld om aan Sanitech terug te betalen hetgeen Sanitech krachtens het vernietigde vonnis aan haar had voldaan.


2.6.

Bij vonnis van 27 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [gedaagde 3] om, kort gezegd, Sanitech te veroordelen om de intentieovereenkomst na te komen althans (meer subsidiair, indien de overeenkomst rechtsgeldig door Sanitech zou zijn ontbonden) Sanitech te veroordelen tot betaling van onder meer een bedrag van € 185.000,- als schadevergoeding, afgewezen. [gedaagde 3] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.


2.7.

Bij beschikking van 29 mei 2015 van de rechtbank Noord-Nederland is een verzoek van Sanitech om [gedaagde 3] failliet te verklaren, afgewezen, omdat niet was komen vast te staan dat [gedaagde 3] in een toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen.


2.8.

Bij vonnis van 28 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een vordering van Sanitech om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , samengevat, te veroordelen een voorschot aan haar te voldoen ter zake van schadevergoeding als gevolg van onrechtmatig handelen, afgewezen. Blijkens het vonnis had Sanitech aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld nu zij hebben bewerkstelligd, althans toegelaten, dat [gedaagde 3] haar betalingsverplichtingen jegens Sanitech niet nakomt en ter zake hiervan geen verhaal (meer) biedt. Volgens Sanitech kon van de betalingsonwil aan de zijde van [gedaagde 3] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk verwijt worden gemaakt en waren zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Sanitech als gevolg van het onrechtmatige handelen lijdt. De voorzieningenrechter oordeelde echter, kort gezegd, dat voorshands niet kon worden aangenomen dat sprake was van betalingsonwil van [gedaagde 3] , dat de argumenten die Sanitech ten grondslag had gelegd aan haar stelling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvan persoonlijk een verwijt gemaakt kan worden, niet zonder meer kunnen worden gevolgd en dat de spoedeisendheid van de vordering bovendien onvoldoende was gebleken.

3. Het geschil in het incident

3.1.

Sanitech vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (1) [gedaagden c.s.] hoofdelijk veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis inzage te verschaffen in de volledige administratie van [gedaagde 3] , althans in de bankafschriften van [gedaagde 3] die betrekking hebben op de periode 1 april 2014 tot en met 12 oktober 2015, waarbij de op deze bankafschriften vermelde transacties en saldi onleesbaar gemaakt mogen zijn, voor zover deze transacties niet zien op aflossingen van [gedaagde 3] aan schuldeisers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding van dit gebod en van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zodanige overtreding voortduurt, te rekenen vanaf drie dagen na betekening van dit vonnis, en (2) [gedaagden c.s.] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten (naar de rechtbank begrijpt: van het incident), met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente is verschuldigd.


3.2.

[gedaagden c.s.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van Sanitech in de proceskosten van het incident.


3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.


4De beoordeling


4.1.

Sanitech heeft gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van [gedaagde 3] welbewust hebben bewerkstelligd en toegestaan dat [gedaagde 3] haar (op grond van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015 bestaande) terugbetalingsverplichting jegens Sanitech niet nakomt (betalingsonwil) en dat hen in dat verband een ernstig verwijt treft en dat zij Sanitech welbewust in strijd met de paritas creditorium als schuldeiser onbetaald hebben gelaten (onrechtmatige selectieve betaling). Volgens Sanitech kan dit uit de volgende omstandigheden worden afgeleid:

[gedaagde 3] is kort na het haar onwelgevallige arrest van 27 januari 2015 een kort geding procedure begonnen, waarin zij subsidiair een schadevergoeding heeft gevorderd die gelijk is aan het bedrag dat zij krachtens het genoemde arrest aan Sanitech dient te betalen.

Tijdens de zitting die naar aanleiding van het door Sanitech ingediende verzoek tot faillissement van [gedaagde 3] heeft plaatsgevonden, heeft [gedaagde 3] verklaard dat zij naast Sanitech geen andere schuldeisers met opeisbare vorderingen heeft en dat zij ook geen andere schuldeisers onbetaald laat. Hiermee staat vast dat [gedaagde 3] haar schuldeisers selectief betaalt en dat deze selectieve betaling voortkomt uit betalingsonwil.

Toen Sanitech op 12 juni 2015 executoriaal derdenbeslag had laten leggen op twee bankrekeningen van [gedaagde 3] , bleek de ene bankrekening geen saldo te hebben en de andere een saldo van slechts € 291,-. Het door Sanitech aan [gedaagde 3] betaalde bedrag van € 235.000,- is dus weggesluisd. Gedaagden sub 1 en sub 2 in het incident hebben geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat dit bedrag in rook is opgegaan.

In het kader van de executie van het genoemde arrest van 27 januari 2015 heeft Sanitech op 12 juni 2015 ook beslag laten leggen op de aandelen die [gedaagde 3] hield in de vennootschap [bedrijf 1] Uit de door [bedrijf 1] afgelegde derdenverklaring blijkt dat [gedaagde 3] de aandelen die zij in [bedrijf 1] hield, op 11 februari 2015, dus twee weken na de datum van het genoemde arrest, heeft verkocht.

Sanitech had ook beslag laten leggen op het registergoed gelegen aan de [woonplaats 2] . Sanitech bleek toen dat [gedaagde 3] dit registergoed op 25 maart 2015 had verkocht aan de vennootschap [bedrijf 2] , waarvan de bestuurders een neef en nicht zijn van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Hiermee hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het laatste verhaalsobject aan [gedaagde 3] onttrokken en de executie van het arrest door Sanitech onmogelijk gemaakt.


4.2.

Volgens Sanitech moet uit de hiervoor genoemde omstandigheden ieder afzonderlijk, maar zeker in samenhang bezien, (naar de rechtbank begrijpt: ook) worden afgeleid dat het bedrag van ruim € 235.000,- is weggesluisd en dat alle handelingen van [gedaagde 3] na de datum van het arrest erop waren gericht om verhaal door Sanitech van haar in rechte vaststaande vorderingen onmogelijk te maken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] treft als bestuurders van [gedaagde 3] (naar de rechtbank begrijpt: ook) ten aanzien van dit handelen en nalaten persoonlijk een ernstig verwijt. Zij wisten immers (of hadden er in ieder geval ernstig rekening mee moeten houden) dat Sanitech een vordering op [gedaagde 3] had en dat deze handelwijze van [gedaagde 3] tot gevolg zou hebben dat zij haar betalingsverplichting jegens Sanitech niet (meer) zou kunnen nakomen. De schade van Sanitech bedraagt

€ 235.270,- en gedaagden (de rechtbank begrijpt: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) zijn voor deze schade hoofdelijk aansprakelijk.


4.3.

Omdat [gedaagde 3] aan Sanitech heeft laten weten dat zij het bedrag van € 235.270,- heeft gebruikt om schuldeisers te voldoen en zij niet bereid is gebleken om inzicht te geven in de manier waarop (en ten behoeve van welke schuldeisers) [gedaagde 3] het genoemde bedrag heeft besteed, vordert Sanitech op de voet van artikel 843a Rv inzage in de volledige administratie van [gedaagde 3] , althans in haar bankafschriften die betrekking hebben op de periode 1 april 2014 tot en met 12 oktober 2015, waarbij de op de bankafschriften vermelde transacties en saldi, voor zover deze niet zien op aflossingen aan schuldeisers, onleesbaar mogen zijn gemaakt. Sanitech heeft aangevoerd dat zij wil weten wat er met het door haar betaalde bedrag is gebeurd en dat zij (meer specifiek) duidelijkheid wil verkrijgen over de vraag of [gedaagde 3] schuldeisers met het van Sanitech ontvangen bedrag heeft voldaan (en zo ja, welke) of dat [gedaagde 3] het ontvangen bedrag heeft weggesluisd door het bedrag over te maken naar een bankrekening die niet toebehoort aan een mogelijke schuldeiser van [gedaagde 3] . Volgens Sanitech is aan de vereisten die artikel 843a Rv aan de exhibitieplicht stelt, voldaan.


4.4.

[gedaagden c.s.] heeft zich verweerd en verschillende redenen genoemd waarom de vordering van Sanitech volgens hem moet worden afgewezen. [gedaagden c.s.] heeft er onder meer op gewezen dat Sanitech bij de gevraagde inzage geen rechtmatig belang heeft. De door Sanitech verlangde inzage heeft namelijk betrekking op niet betwiste feiten: [gedaagde 3] bestrijdt niet dat zij het bedrag dat zij van Sanitech heeft ontvangen, in het kader van haar bedrijfsvoering heeft besteed. Zij meent alleen dat dit jegens Sanitech niet onrechtmatig is geweest.


4.5.

De rechtbank overweegt dat hij die daarbij een rechtmatig belang heeft, op grond van artikel 843a Rv op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

Zoals vermeld, heeft Sanitech ter onderbouwing van haar vordering in de hoofdzaak (om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om aan haar het bedrag van

€ 235.270,07 te vergoeden), aangevoerd dat er aan de zijde van [gedaagden c.s.] sprake is van selectieve betaling die voortvloeit uit betalingsonwil. Zij verwijt [gedaagden c.s.] dat zij de vordering van Sanitech welbewust in strijd met de paritas creditorum niet heeft voldaan en heeft, zoals eveneens vermeld, in dat verband gewezen op hetgeen [gedaagde 3] in de faillissementsprocedure heeft verklaard, namelijk dat zij verder geen andere schuldeisers onbetaald laat. Volgens Sanitech is deze selectieve betaling onrechtmatig en kan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Voor zover Sanitech inzage in de administratie dan wel de door haar genoemde bankafschriften van [gedaagde 3] verlangt om deze stelling te kunnen onderbouwen, heeft zij daarbij echter geen rechtmatig belang. Dat [gedaagde 3] andere schuldeisers wél betaalt, heeft [gedaagden c.s.] niet betwist. De vraag is of dit jegens Sanitech onrechtmatig is, omdat [gedaagde 3] háár vordering niet heeft voldaan, en of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord hierop vergt een juridische beoordeling en zal uiteindelijk dan ook door de rechtbank moeten worden gegeven, nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (tegen wie de vorderingen in de hoofdzaak zich richten) in de gelegenheid zullen zijn gesteld om op de hiervoor weergegeven stelling van Sanitech bij conclusie van antwoord uitvoeriger te reageren dan zij in het kader van dit incident al hebben gedaan. Waarom Sanitech er een belang bij zou hebben om aan de hand van de administratie dan wel de genoemde bankafschriften van [gedaagde 3] te kunnen vaststellen welke schuldeisers [gedaagde 3] heeft voldaan, heeft Sanitech niet gesteld en valt ook niet in te zien.


4.6.

Sanitech heeft haar vordering tot inzage in de administratie dan wel de genoemde bankafschriften van [gedaagde 3] ook gegrond op de stelling dat [gedaagde 3] het van haar ontvangen bedrag heeft weggesluisd. De rechtbank begrijpt dat Sanitech meent dat de betalingsonwil van [gedaagde 3] zich niet alleen in de selectieve betaling van schuldeisers heeft geuit, maar ook in dit wegsluizen. Zoals weergegeven, heeft Sanitech in dit verband naar voren gebracht dat het standpunt van [gedaagden c.s.] dat het bedrag van ruim € 235.000,- is gebruikt om schuldeisers te voldoen, niet aannemelijk is in het licht van het feit dat de weigering van [gedaagde 3] om aan haar terugbetalingsverplichting uit hoofde van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te voldoen, gepaard is gegaan met het onttrekken van alle mogelijke verhaalsobjecten voor Sanitech. Sanitech wenst, met andere woorden, dus na te gaan of het genoemde standpunt van [gedaagden c.s.] wel juist is. Op een wens om na te gaan of een stelling (in dit geval: verweer tegen de stelling dat het bedrag is weggesluisd) van de wederpartij wel klopt, kan een vordering tot inzage echter niet worden gegrond. Het is aan de partij die iets stelt (of betwist) om de desbetreffende stelling (of betwisting), indien voor de beoordeling van de vordering relevant, voldoende te onderbouwen. Indien deze partij over informatie beschikt die voor de wederpartij niet toegankelijk is, kan er in dit verband een verzwaarde stelplicht (of betwistplicht) gelden. Het is niet aan de wederpartij om iets wat (nog) niet voldoende is onderbouwd, (op voorhand) te ontkrachten. Voor zover Sanitech meent dat zij er een rechtmatig belang bij heeft om te kunnen achterhalen wat er met het bedrag dat zij aan [gedaagde 3] heeft betaald, is gebeurd, kan zij ook niet worden gevolgd. Zij heeft namelijk niet duidelijk gemaakt waarom zij dit in verband met haar vordering in de hoofdzaak zou moeten weten. Die vordering is, nogmaals, gegrond op de stelling dat er sprake is van betalingsonwil en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Waar het geld is gebleven, is in dit verband niet van belang. Van belang is dat het in ieder geval niet aan Sanitech is terugbetaald en dat het ook niet op één van de bankrekeningen aanwezig was waarop Sanitech exectoriaal beslag had laten leggen. Ook is relevant dat andere pogingen van Sanitech om zich op goederen van [gedaagde 3] te verhalen evenmin succesvol zijn geweest. Of dit het gevolg is van betalingsonwil van [gedaagde 3] , of dit als onrechtmatig jegens Sanitech moet worden aangemerkt en of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zijn vragen die ook pas weer na een juridische beoordeling kunnen worden beantwoord. Dit betekent dat ook voor zover de vordering tot inzage is gegrond op de stelling dat [gedaagde 3] het door haar van Sanitech ontvangen bedrag heeft weggesluisd, Sanitech bij deze inzage geen rechtmatig belang heeft. Voor zover Sanitech met de vordering tot inzage heeft beoogd om te onderzoeken op welk goed van [gedaagde 3] zij zich (wél) kan verhalen, heeft zij dit onvoldoende concreet gesteld, wat er vervolgens ook zij van de vraag of hiervoor een beroep op artikel 843a Rv kan worden gedaan.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Sanitech reeds bij gebrek aan een rechtmatig belang bij de inzage zal worden afgewezen.


4.8.

Sanitech zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden begroot op € 904,-(factor 2 x tarief van EUR 452,-), te vermeerderen met de wettelijke rente indien zij dit bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis heeft voldaan.



5De beslissing

De rechtbank:


5.1.

wijst de vorderingen in het incident af;


5.2.

veroordeelt Sanitech in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [gedaagden c.s.] begroot op € 904,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;


5.3.

verklaart dit vonnis voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.





Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.

1 Coll: AFH/4105 Type: RS/4234