Rechtbank Midden-Nederland, 19-04-2017 / 3343407 UC EXPL 14-13113


ECLI:NL:RBMNE:2017:1874

Inhoudsindicatie
Huur in familieverhoudingen; erfrecht. Zoon zet bedrijf van vader voort in pand dat hij huurde van de ouders, en dat nu in de nalatenschap van moeder valt. Invloed van familieverhouding op huurverhouding. Maatstaf voor de waardering van het pand.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-19
Publicatiedatum
2017-05-11
Zaaknummer
3343407 UC EXPL 14-13113
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ERF-Updates.nl 2017-0104
  • JERF 2017/152
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht


zaaknummer: 3343407 UC EXPL 14-13113 nig/1449


Vonnis van 19 april 2017


inzake


[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [voornaam van eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. T.E. Kuijpers,


tegen:


1 [gedaagde sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [voornaam van gedaagde sub 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H. de Groen,


2 [gedaagde sub 2] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [voornaam van gedaagde sub 2] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 11 januari 2017;
  • - de akte na hervatting van het geding van [voornaam van gedaagde sub 2] ;
  • - de antwoordakte van [voornaam van gedaagde sub 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

Partijen zijn de drie kinderen van [eiser] , geboren in 1913, en [A] , geboren in 1921. De ouders waren gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2.

De vader had een winkel in een pand aan de [straatnaam] in [vestigingsplaats] . Hij heeft in 1978 met zijn jongste zoon [voornaam van eiser] (geboren in 1952) een vennootschap onder firma opgericht.

2.3.

De vader is overleden in 2000. De moeder is in 2008 opgenomen in een ziekenhuis en daarna in een verpleeghuis. Op 23 mei 2013 is zij wegens dementie onder curatele gesteld. Tot curator zijn benoemd [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 2] , waarbij [voornaam van gedaagde sub 1] het financieel beheer op zich nam en [voornaam van gedaagde sub 2] de zorgtaken. [voornaam van gedaagde sub 2] is op 6 maart 2015 op eigen verzoek ontslagen als curator vanwege het conflict tussen de broers.

2.4.

Tot het vermogen van de moeder behoorden het pand in [vestigingsplaats] en een appartement in [woonplaats] (beide met hypotheek belast), en daarnaast enig spaargeld. Het appartement is inmiddels verkocht voor een bedrag dat lager was dan de hypotheekschuld.

2.5.

In de zomer van 2013 is er brand geweest aan de [straatnaam] , in de werfkelder van de buren. Het pand heeft daardoor rook- en roetschade opgelopen; de winkel is enige tijd gesloten geweest. Er bleek geen brandverzekering te zijn; [voornaam van gedaagde sub 1] heeft die (als curator) nadien afgesloten.

2.6.

[voornaam van gedaagde sub 1] heeft de kantonrechter machtiging gevraagd om het pand in [vestigingsplaats] te verkopen aan een zekere [B] . Deze machtiging is verleend op 17 oktober 2013. [voornaam van eiser] heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft hem op 6 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij niet belanghebbend was. Deze beschikking is in cassatie vernietigd op 26 juni 2015. Na verwijzing heeft het hof op 7 juni 2016 de machtiging vernietigd omdat verkoop in het belang van de moeder op dat moment niet noodzakelijk, nuttig of wenselijk was.

2.7.

[voornaam van eiser] heeft op 1 augustus 2014 conservatoir beslag tot levering en tot zekerheid van verhaal gelegd op het pand aan de [straatnaam] .

2.8.

De kantonrechter in Leiden heeft een verzoek van [voornaam van eiser] tot ontslag van [voornaam van gedaagde sub 1] als curator op 25 november 2015 afgewezen.

2.9.

De moeder is overleden op [2016] . Zij heeft haar kinderen benoemd tot erfgenamen, [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van eiser] elk voor 9/24 en [voornaam van gedaagde sub 2] voor 6/24.

3De beoordeling

3.1.

[voornaam van eiser] vordert, na herhaalde eisvermeerdering en samengevat:

  • - betaling door de moeder, althans door [voornaam van gedaagde sub 1] als curator, van € 41.594,63 aan schadevergoeding vanwege de brand (schoonmaak en herstel), en vergoeding van de omzetschade, nader op te maken bij staat;
  • - levering aan hem van het pand aan de [straatnaam] tegen betaling van een koopsom van € 150.000, met oplegging van een dwangsom; subsidiair een schadevergoeding van € 300.000; en daarnaast bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van gedaagden aan levering;
  • - betaling door [voornaam van gedaagde sub 1] , als curator en in privé, van een schadevergoeding van € 33.808,56 in verband met de procedures over de rechterlijke machtiging tot verkoop van het pand, en daarnaast van een schadevergoeding met verwijzing naar de schadestaatprocedure;
  • - met veroordeling van [voornaam van gedaagde sub 1] als curator en in privé in de kosten van deze procedure.
3.2.

In reconventie vordert [voornaam van gedaagde sub 1] :

  • - een verklaring voor recht dat het pand aan [B] geleverd mag worden;
  • - opheffing van het beslag;
  • - een verklaring voor recht dat het beslag onrechtmatig was, met een schadevergoeding van € 6.837,72;
  • - een schadevergoeding van € 16.715,26 vanwege de kosten van de procedures over de rechterlijke machtiging;
  • - betaling van € 103.961 aan achterstallige huur en van € 3.233,47 aan gemeentelijke belastingen;
  • - veroordeling van [voornaam van eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.

[voornaam van eiser] heeft zijn vordering aanvankelijk ingesteld tegen [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 2] , beiden zowel persoonlijk als in hun hoedanigheid van curator, en tegen de (door hen vertegenwoordigde) moeder. [voornaam van gedaagde sub 2] en [voornaam van gedaagde sub 1] werden in eerste instantie beiden bijgestaan door mr. De Groen. [voornaam van gedaagde sub 2] heeft zich daaruit echter teruggetrokken en een eigen standpunt ingenomen. Op de zitting van 11 februari 2015 heeft zij verklaard dat zij zich niet (meer) aansluit bij de conclusie van antwoord van [voornaam van gedaagde sub 1] , en dat zij geen eis in reconventie tegen [voornaam van eiser] wil instellen. Inmiddels is de moeder overleden; [voornaam van gedaagde sub 1] , [voornaam van eiser] en [voornaam van gedaagde sub 2] zijn samen haar erfgenamen. [voornaam van gedaagde sub 1] heeft in november 2016 de procedure geschorst. Deze is met het tussenvonnis van 11 januari 2017 hervat maar dan tussen [voornaam van eiser] enerzijds en [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 2] anderzijds. [voornaam van gedaagde sub 1] heeft zijn vorderingen op [voornaam van eiser] namens de gezamenlijke erfgenamen, althans voor zijn aandeel daarin, gehandhaafd. De consequenties hiervan zullen, voor zover relevant, bij de afzonderlijke onderdelen besproken worden.

3.4.

Alle vorderingen over en weer hebben direct of indirect betrekking op het pand aan de [straatnaam] . Dat pand is bij [voornaam van eiser] in gebruik; hij woont er en hij zet er de winkel van de vader voort. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst, maar hij betaalt wel huur, namelijk € 800 per maand. Dat lijkt erg weinig voor een monumentaal pand aan de [straatnaam] , op een steenworp afstand van de […] , maar wordt mogelijk gerechtvaardigd door achterstallig onderhoud. In ieder geval is het bedrag niet zo laag dat om die reden niet van huur gesproken zou kunnen worden. De kantonrechter gaat er dus van uit dat [voornaam van eiser] als huurder beschouwd moet worden. Dat wil echter niet zeggen dat we hier een gewone zakelijke huurkwestie hebben. [voornaam van eiser] had met zijn ouders niet alleen een huurverhouding, maar ook een familieverhouding, en dat geldt nu ook tussen hem en zijn broer en zus. Wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten en mogen verwachten, wordt mede daardoor bepaald.

het pand aan de [straatnaam]

3.5.

De eerste vraag is wat er nu moet gebeuren met het pand aan de [straatnaam] . Het pand was sinds het overlijden van de vader eigendom van de moeder. Omdat zij inmiddels ook is overleden, behoort het nu tot haar nalatenschap, waarvan [voornaam van gedaagde sub 1] , [voornaam van gedaagde sub 2] en [voornaam van eiser] samen erfgenaam zijn. Als zodanig zijn zij nu met hun drieën eigenaar van het pand. Het pand moet dus verdeeld worden, hetzij door toedeling aan [voornaam van eiser] (uitkoop), hetzij door verkoop aan een derde.

3.6.

[voornaam van eiser] stelt dat hij een koopoptie had. Inderdaad zijn er aanwijzingen dat de ouders gewild hebben dat hij het pand zou kunnen overnemen. Het is alleen de vraag of daarbij ook concrete afspraken zijn gemaakt over de prijs. Dat blijkt uit niets, en [voornaam van eiser] stelt het ook niet. Het is dus de vraag of we met die koopoptie veel opschieten.

3.7.

Aan de andere kant staat vast dat in beide testamenten het pand aan [voornaam van eiser] gelegateerd is tegen inbreng van de waarde. In het geval van de vader is dat voorwaardelijk gebeurd:

Indien ik kom te overlijden gelijktijdig of na mijn eega, legateer ik aan mijn zoon [eiser] , af te geven binnen één jaar na mijn overlijden, het door hem ingebruik zijnde pand te [postcode] [vestigingsplaats] aan de [adres] , onder de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van de waarde daarvan in verhuurde staat. (…)

De voorwaarde is niet in vervulling gegaan, zodat dit legaat geen effect gesorteerd heeft. Het testament van de moeder dateert van 2005. Hier luidt het legaat als volgt:

Ik legateer aan mijn jongste zoon het winkel-woonhuis gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] , onder de verplichting in mijn nalatenschap in te brengen de waarde daarvan, vastgesteld door mijn na te melden erfgenamen in onderling overleg of bij gebreke van overleg (…) door een deskundige (…)

Dit testament bevat geen aanwijzingen voor de prijs of voor de maatstaf voor de waardering. Het ligt voor de hand dat de moeder dacht aan dezelfde waarde als de vader, namelijk die in verhuurde staat, maar dat spreekt niet vanzelf; er zijn meer verschillen tussen de beide testamenten.

3.8.

Daarom moet worden gekeken naar de wijze van waardering die voortvloeit uit de wet. Daarbij is in dit geval van belang dat het pand feitelijk verhuurd is (namelijk aan [voornaam van eiser] ). Dat leidt inderdaad tot waardering in verhuurde staat. Wie een leegstaand pand koopt, krijgt zowel de eigendom als het gebruiksrecht. Bij een verhuurd pand krijgt men de eigendom maar niet het gebruiksrecht; dat recht heeft en houdt de huurder. In dit geval heeft [voornaam van eiser] het gebruiksrecht al, doordat hij huurder is. Dat gebruiksrecht behoort dus ook niet meer tot de nalatenschap. Bij verkoop aan [voornaam van eiser] hebben de erfgenamen dus recht op de prijs in verhuurde staat, net zoals ze dat zouden hebben bij verkoop aan een derde. Bij deze uitleg is het testament van de vader heel logisch, en is het ook begrijpelijk dat het bij het testament van de moeder niet nodig werd geacht om de maatstaf voor de waardering te vermelden.

3.9.

Dat zou overigens anders worden, wanneer de erfgenamen zouden besluiten om het pand voorlopig onverdeeld te laten. De waarde wordt namelijk bepaald op het moment van de feitelijke verdeling; dat is nu de waarde in verhuurde staat en zou na opzegging van de huur de leegwaarde zijn. Onverdeeld laten is echter alleen mogelijk als de erfgenamen daar alle drie mee instemmen, en de kantonrechter gaat ervan uit dat dat niet aan de orde is.

3.10.

Partijen zijn het eens (geweest) over een waarde in verhuurde staat van € 150.000, op basis van een taxatie. Die taxatie is inmiddels niet heel recent meer, en er is sindsdien een kandidaat-koper geweest die € 200.000 wilde betalen. Dat wijst erop dat de waarde (het bedrag dat een koper op de vrije markt zou willen betalen) meer is dan € 150.000. Partijen zullen zich hierover nog mogen uitlaten. Zij kunnen desgewenst (in overleg) een nieuwe taxatie laten maken, en zij kunnen proberen afspraken te maken over de waarde, eventueel met een anti-speculatiebeding. Zij kunnen zich ook uitlaten over de vraag of de leeftijd van de huurder invloed heeft op de waarde, vanwege de kans dat hij op enig moment zal willen stoppen met zijn bedrijf. Verder zal [voornaam van eiser] mogen meedelen welk bedrag hij kan financieren.

3.11.

[voornaam van gedaagde sub 1] voert aan dat deze wijze van toedeling aan [voornaam van eiser] leidt tot een oneerlijke verdeling, waarbij [voornaam van eiser] (veel) meer krijgt dan hij en [voornaam van gedaagde sub 2] . Tot op zekere hoogte is dat waar; dat is gegeven met het feit dat [voornaam van eiser] het bedrijf heeft voortgezet en het huurrecht van het pand heeft verkregen. Er worden echter ook onjuiste aannames gedaan over de doorwerking van de nalatenschap van de vader. Die nalatenschap is verdeeld. De kinderen hebben daaruit ieder een (gelijke) vordering op hun moeder verkregen (volgens [voornaam van gedaagde sub 1] van € 45.966,80 met rente). De moeder verkreeg al het andere. Als de nalatenschap van de moeder niet groot genoeg is om de vorderingen van haar kinderen in verband met de nalatenschap van hun vader te voldoen, is het saldo van haar nalatenschap negatief, en erven haar erfgenamen – dezelfde kinderen – ook de schuld vanwege die vorderingen. In principe komt dat erop neer dat elk van hen nu recht heeft op eenderde van de nalatenschap van de moeder, en dat de vordering vanwege de nalatenschap van de vader buiten beschouwing kan blijven (al ligt dat fiscaal mogelijk anders).

3.12.

De complicatie daarbij is de ongelijke verdeling in het testament van de moeder. Op grond daarvan zou [voornaam van gedaagde sub 2] 6/24 van het negatieve saldo erven en haar broers ieder 9/24. Dat klopt echter niet met de motivering daarvan in het testament:

Ik realiseer mij dat door bovenstaande erfstelling mijn zoons worden bevoordeeld boven mijn dochter. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat mijn zoons het geërfde vermogen financieel het hardste nodig hebben. Dit laat onverlet dat alle kinderen mij even lief zijn.

Vanwege die motivering ligt het meer voor de hand dat de moeder alleen voor een positief vermogen een ongelijke verdeling bedoeld heeft, en niet voor een tekort. Als er een tekort is, kan dit dus buiten beschouwing blijven.

3.13.

Wanneer de zaak op deze manier bezien wordt, leidt toedeling van het pand van [voornaam van eiser] dus niet tot een oneerlijke verdeling. Dat kan dus geen bezwaar daartegen zijn.

de brandschade

3.14.

Het tweede geschilpunt is de schade als gevolg van de brand in de zomer van 2013. [voornaam van eiser] heeft gezorgd voor schoonmaak en herstel. Hij vordert nu vergoeding van de kosten daarvan.

3.15.

Uit niets blijkt dat de brand ontstaan is door een gebrek aan het pand, of door een andere oorzaak waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is. Wat [voornaam van eiser] wel van de moeder als verhuurster mocht verwachten is, dat zij op zijn verzoek zou zorgen voor herstel van de door de brand ontstane gebreken: artikel 7:206 BW. [voornaam van eiser] verwijt [voornaam van gedaagde sub 1] (als curator) dat die niet voor herstel gezorgd heeft, maar stelt daarbij niet dat hij daarom ook gevraagd heeft. Bovendien geldt hier dat de verhouding mede beïnvloed wordt door de familieverhoudingen. [voornaam van gedaagde sub 1] was op dat moment sinds kort curator van de moeder, maar hij mocht daarbij redelijkerwijs de ondersteuning van zijn broer en zus verwachten. Normaliter dragen volwassen kinderen immers samen de zorg voor hun bejaarde en hulpbehoevende ouders. Het is in die omstandigheden dus helemaal niet vreemd of onredelijk dat [voornaam van eiser] het voortouw nam bij de herstelwerkzaamheden. Het is ook niet vreemd om van [voornaam van eiser] te verwachten dat hij het initiatief zou nemen als hij daarbij van [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 2] hulp verlangde. De kantonrechter ziet daarom geen reden voor een vergoeding van de herstelkosten.

3.16.

[voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van eiser] twisten ook over de vraag wiens schuld het was dat er geen brandverzekering was. Dat is geen zinvolle vraag. De moeder had een opstalverzekering kunnen sluiten, en [voornaam van eiser] een inboedelverzekering en/of een bedrijfsverzekering. Kennelijk ontbraken die allemaal. Het sluiten van een opstalverzekering had op de weg van de moeder gelegen, of van [voornaam van gedaagde sub 1] als haar curator, maar even goed had het op de weg van [voornaam van eiser] gelegen om zijn broer te ondersteunen bij het behartigen van de belangen van hun moeder en met name bij het beheer van het pand aan de [straatnaam] , door hem ongevraagd alle informatie te geven die hij nodig kon hebben, en door zo nodig ook zelf dingen voor hem uit te zoeken (zoals de verzekeringssituatie). Ook in de jaren daarvoor, toen zijn ouders steeds ouder werden, zijn vader overleed en zijn moeder werd opgenomen in een verzorgingshuis, was het logisch geweest als hij meer dan gebruikelijk verantwoordelijkheid voor het beheer van het door hem gebruikte pand had genomen. Ook dit is dus geen reden voor schadevergoeding.

3.17.

[voornaam van eiser] vordert daarnaast vergoeding van omzetschade, omdat de winkel twee maanden dicht geweest is. Nu komt omzetschade natuurlijk hoe dan ook niet voor vergoeding in aanmerking; het zou hoogstens de gederfde winst kunnen zijn. Ook dat is echter de vraag. De brand is niet aan de moeder te wijten, en [voornaam van eiser] stelt niet dat de winkel langer dicht geweest is door enig nalaten aan haar kant. Ook verder heeft [voornaam van eiser] niet toegelicht dat deze schade kan worden toegerekend aan enig tekortschieten van de verhuurder. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

de procedures over de machtiging

3.18.

In conventie vordert [voornaam van eiser] ten slotte, na de laatste eisvermeerdering, € 33.808,56 als vergoeding voor zijn proceskosten in de procedures over de rechterlijke machtiging om het pand aan [B] te verkopen. [voornaam van gedaagde sub 1] verzet zich daartegen, en vordert in reconventie € 16.715,26 als vergoeding van zijn kosten.

3.19.

Bij de beoordeling hiervan is in de eerste plaats van belang, dat de machtiging uiteindelijk – na cassatie en verwijzing – vernietigd is, maar op een andere grond dan [voornaam van eiser] had aangevoerd. In die zin hebben uiteindelijk beide partijen ongelijk gekregen.

3.20.

Een tweede belangrijk aspect is dat het hier gaat om een familieconflict. De hele procedure met alle kosten aan beide kanten is kennelijk ook inderdaad veroorzaakt door de manier waarop [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van eiser] met elkaar omgaan. En zoals veel voorkomt in familieconflicten: er zijn geen aanwijzingen dat dat meer aan de een ligt dan aan de ander. Het is daarom heel begrijpelijk dat het hof in zijn laatste beslissing de kosten gecompenseerd heeft. Ook deze kantonrechter acht het juist dat partijen elk de eigen kosten dragen. Daarbij moet wel worden aangetekend dat [voornaam van gedaagde sub 2] buiten het conflict lijkt te staan en haar best gedaan heeft om te bemiddelen. Daarom kan dit oordeel zo worden genuanceerd dat [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van eiser] ieder de kosten dragen waarvoor zij opdracht hebben gegeven.

het beslag

3.21.

[voornaam van eiser] heeft conservatoir beslag gelegd op het pand aan de [straatnaam] . [voornaam van gedaagde sub 1] vordert opheffing van dat beslag, om levering aan [B] mogelijk te maken. Die levering aan [B] is inmiddels van de baan, maar dat wil niet zeggen dat [voornaam van gedaagde sub 1] geen belang meer heeft bij opheffing, of [voornaam van eiser] bij het beslag. Het beslag zal op enig moment moeten worden opgeheven, maar die beslissing kan worden aangehouden totdat er beslist wordt over wat er met het pand moet gebeuren.

3.22.

[voornaam van gedaagde sub 1] vordert verder een verklaring voor recht dat hij gerechtigd is tot levering aan [B] , een verklaring voor recht dat het beslag onrechtmatig was, en een schadevergoeding van € 6.837,72. Hij stelt dat die schade is ontstaan doordat het beslag de levering aan [B] onmogelijk maakte. De machtiging tot verkoop is echter uiteindelijk vernietigd, zodat de woning hoe dan ook niet aan [B] verkocht kon worden. Daarom is het moeilijk in te zien waarom het beslag dan onrechtmatig was, of waarom de schade daardoor veroorzaakt is. Deze onderdelen zullen in ieder geval worden afgewezen.

overige

3.23.

[voornaam van gedaagde sub 1] vordert van [voornaam van eiser] betaling aan de gezamenlijke erfgenamen van € 103.961 aan achterstallige huur. Hij stelt dat hem niet is gebleken dat [voornaam van eiser] voor 2009 huur betaalde, en hij gaat ervan uit dat die huur dus sinds september 2000 (toen de vader overleed) niet betaald is. Vanaf 2009 heeft [voornaam van eiser] in ieder geval wel huur betaald. [voornaam van gedaagde sub 1] heeft die afgeboekt op de termijnen vanaf september 2000. Volgens hem was [voornaam van eiser] daardoor in oktober 2014 ‘bij’ tot september 2007; dat wil zeggen dat hij op dat moment zeven jaar achterstand had. Omdat de oudste termijnen daarvan verjaard waren, vordert hij de laatste vijf jaar huur, dat wil zeggen 5 x € 9.600 = € 48.000, met € 33.961 aan rente. Dat het resultaat daarvan € 103.961 zou zijn, wordt verklaard door productie 13 bij de conclusie van eis in reconventie. In die berekening gaat het om in totaal € 140.000 verschuldigd aan huur van september 2000 tot en met augustus 2014; in totaal betaald € 70.000; resteert € 70.000 met € 33.961 aan rente, in totaal € 103.961. Bij de berekening heeft [voornaam van gedaagde sub 1] dus uiteindelijk geen rekening gehouden met de verjaring.

3.24.

[voornaam van eiser] erkent dat hij een achterstand gehad heeft (van in totaal € 15.600), maar volgens hem heeft hij die in de loop van de tijd ook weer ingelopen. Hij beroept zich op rechtsverwerking: [voornaam van gedaagde sub 1] beroept zich nu in feite op een huurachterstand die in oorsprong ruim vijftien jaar oud zou zijn, en waarvan hij de betalingsbewijzen niet meer heeft. Daarmee heeft hij een punt. Als hij inderdaad jarenlang geen huur betaald heeft (zoals [voornaam van gedaagde sub 1] stelt), blijkt uit niets dat de moeder hem daarop ooit heeft aangesproken. Ook blijkt niet dat [voornaam van gedaagde sub 1] (als curator) met [voornaam van eiser] gesproken heeft over die achterstand, en gevraagd heeft naar de achtergrond daarvan, of dat [voornaam van gedaagde sub 1] hem ooit geïnformeerd heeft over de manier waarop hij de betalingen vanaf 2009 verwerkte. Daarmee heeft de moeder (dan wel hebben haar erfgenamen) het recht verwerkt om dit bedrag nog van [voornaam van eiser] te vorderen. Dit onderdeel moet dus in ieder geval worden afgewezen.

3.25.

[voornaam van gedaagde sub 1] vordert tenslotte betaling van € 3.233,47 aan gemeentelijke belastingen. Het gaat om het eigenaarsdeel van de OZB, rioolheffing en watersysteemheffing. Volgens [voornaam van gedaagde sub 1] was de afspraak dat [voornaam van eiser] die heffingen voor zijn rekening zou nemen. Het gaat hier echter om een eigenaarsverplichting. [voornaam van eiser] ontkent die afspraak, en [voornaam van gedaagde sub 1] onderbouwt zijn stelling op geen enkele manier. Daarom zal ook dit onderdeel worden afgewezen.

3.26.

De behandeling zal nu worden aangehouden, zodat partijen zich kunnen uitlaten over de waardering van het pand aan de [straatnaam] .

4De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 17 mei 2017 te 9.30 uur, waar [voornaam van eiser] zich schriftelijk mag uitlaten over de waarde van het pand aan de [straatnaam] , zoals besproken in paragraaf 3.10;

bepaalt dat [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 2] vervolgens in de gelegenheid zullen worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.