Rechtbank Midden-Nederland, 11-04-2017 / FT EA 17/79


ECLI:NL:RBMNE:2017:1879

Inhoudsindicatie
Afwijzing eigen aangifte tot faillietverklaring. Schuldenopgave niet volledig. Schending verplichtingen artikel 21 Rv: gevolgtrekking t.a.v. opgave bezittingen. Toestand van te hebben opgehouden te betalen niet summierlijk gebleken.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-11
Publicatiedatum
2017-04-13
Zaaknummer
FT EA 17/79
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/1975
  • INS-Updates.nl 2017-0137
Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht


locatie Utrecht


rekestnummer: FT EA 17/79


beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken op de aangifte tot faillietverklaring van:



de heer

[verzoeker]

wonende [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

nader te noemen verzoeker.



Verloop van de procedure


Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 28 maart 2017.

Bij dat vonnis is de beslissing op de aangifte tot faillietverklaring van verzoeker aangehouden tot 4 april 2017.

De rechtbank heeft op 30 maart 2017 bericht ontvangen van mr. S. Kroesbergen, de advocaat die verzoeker bijstaat in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure.

De rechtbank heeft de uitspraak op de aangifte vervolgens aangehouden tot heden.



Beoordeling van de aangifte


Zoals uit het tussenvonnis blijkt, is de rechtbank, na het horen van verzoeker tijdens de behandeling in raadkamer van 21 maart 2017, ambtshalve bekend geworden met informatie waaruit leek te volgen dat verzoeker, via de vennootschap South Gate Casuals B.V., betrokken is bij het faillissement van de vennootschap That’s You Fashion B.V.

Voorts is bekend geworden dat de curator van die vennootschap verzoeker aansprakelijk heeft gesteld uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Bovendien zou hij geen, dan wel onvoldoende medewerking hebben verleend, wat heeft geleid tot een faillissementsverhoor door de rechter-commissaris.

Verzoeker heeft niet gemeld dat hij betrokken is bij voormeld faillissement en heeft geen vordering van een curator opgenomen in het door hem ten behoefte van zijn aangifte opgestelde overzicht van schulden.


Omdat verzoeker in raadkamer die nadere informatie niet kon worden voorgehouden, is verzoeker in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 3 april 2017 de rechtbank schriftelijk te laten weten of de veronderstelling dat hij bij het faillissement van That’s You Fashion B.V. is betrokken en dat tegen hem een procedure aanhangig is gemaakt terzake bestuursaansprakelijkheid juist is.


De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank in zijn brief van 30 maart 2017 namens verzoeker laten weten dat deze laatste inderdaad door de curator aansprakelijk is gesteld en dat verzoeker de vordering van de curator per abuis niet heeft opgenomen op de schuldenlijst. Het tot verhaal van de vordering gelegde beslag zou wel blijken uit de stukken van de echtscheiding, aldus de gemachtigde.


Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen, dus ook verzoeker, verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt die verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.


Verzoeker heeft zijn betrokkenheid bij het faillissement van That’s You Fashion B.V. niet vermeld in zijn bij de aangifte gevoegde schriftelijke verklaring over het ontstaan van zijn schulden. De vordering van de curator heeft hij niet gemeld, evenmin als het beslag dat, blijkens de brief van 30 maart 2017, voor die vordering is gelegd en de procedure waarin hij ten tijde van de aangifte al was betrokken.

Ook ter zitting heeft hij daarover niet verklaard, terwijl de rechtbank met verzoeker de aard, het ontstaan en de omvang van de wel door hem opgegeven schulden heeft doorgenomen en verzoeker uitdrukkelijk heeft gevraagd of er nog andere zaken waren die verzoeker voor de beoordeling van zijn aangifte van belang achtte. Integendeel, verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij slechts schulden had bij zijn vader en zusters en een schuld van € 180.000,-- aan het CJIB vanwege zijn (volgens verzoeker: vermeende) betrokkenheid bij een hennepkwekerij. Over de strafzaak die in dat kader volgens verzoeker nog aanhangig is, heeft hij wel nader verklaard.


Door vorenbedoelde betrokkenheid bij het faillissement en aansprakelijkstelling te verzwijgen, heeft verzoeker zijn verplichting uit hoofde van artikel 21 Rv geschonden. Hij heeft zijn schuldenlast en de oorzaak van het ontstaan van zijn schulden immers niet volledig aangevoerd. Omvang van de schuldenlast en het ontstaan van de schulden zijn feiten die voor de beslissing op de aangifte tot faillietverklaring van belang zijn. De omvang van de schuldenlast is, afgezet tegen de bezittingen van verzoeker, een feit dat medebepalend is voor het antwoord op de vraag of verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. De oorzaak van het ontstaan van de schulden is mede van belang voor de beantwoording van de vraag welke curator de rechtbank moet benoemen.


Dat, zoals namens verzoeker is verklaard, een en ander abusievelijk niet door hem is verteld, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de brief van 30 maart 2017 blijkt immers dat de voortzetting van de comparitie in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure in de middag van diezelfde dag zou plaatsvinden. Dat betekent dat verzoeker ten tijde van de behandeling van zijn verzoek in raadkamer op 21 maart 2017 ‘middenin’ die procedure zat: dat vergeet je niet zomaar.

Dat, zoals verzoeker betoogt in de brief van 30 maart 2017, de vordering blijkt uit de stukken van de echtscheiding is niet relevant. De vraag of van de rechtbank verwacht mag worden dat zij zelf in dergelijke stukken op zoek gaat naar niet op de door verzoeker zelf opgestelde schuldenlijst vermelde schulden kan onbeantwoord blijven: de echtscheidingsstukken zijn in deze procedure niet overgelegd.




Uit de onvolledige aanvoering van de schulden maakt de rechtbank de gevolgtrekking dat ook aan de volledigheid van de door schuldenaar opgegeven lijst van bezittingen moet worden getwijfeld. Dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij (anders dan op eigen initiatief) heeft opgehouden te betalen, is dan ook niet summierlijk gebleken.


De aangifte zal worden afgewezen.



Beslissing


De rechtbank:


wijst af de aangifte tot faillietverklaring.




Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

11 april 2017 te 15:00 uur.

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.