Rechtbank Midden-Nederland, 19-04-2017 / 5338617


ECLI:NL:RBMNE:2017:1882

Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad, onrechtmatige uitlatingen in media, vrijheid van meningsuiting, recht op bescherming van eer en goede naam, eisen aan dagvaarding, artikel 111 Rv., immateriële schadevergoeding.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-19
Publicatiedatum
2017-05-01
Zaaknummer
5338617
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/2281
  • PS-Updates.nl 2017-0395
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5338617 AC EXPL 16-3512 MEH/1029


Vonnis van 19 april 2017


in de zaak tussen


[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder te noemen [eiser] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

procederend in persoon,


en


1 [gedaagde sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder te noemen [gedaagde sub 1] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Teune, advocaat in Harderwijk,


2 [gedaagde sub 2] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder te noemen [gedaagde sub 2] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. M.N. Guntenaar, advocaat in Utrecht.



1De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 9 november 2016;
  • - de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
  • - de comparitie van partijen van 9 maart 2017, waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2Feiten

2.1.

Partijen zijn of waren allen actief in de Amersfoortse politiek. [eiser] is oprichter, partijleider, penningmeester en fractievoorzitter van de [partij 1] ( [partij 1] ). [gedaagde sub 1] was ook gemeenteraadslid en (korte tijd) bestuurslid van [partij 1] . Ook [gedaagde sub 2] was gemeenteraadslid van [partij 1] , maar is inmiddels met behoud van haar zetel overgestapt naar [partij 2] ( [partij 2] ).


2.2.

Op 15 november 2014 verschijnt in [krant] een artikel van de hand van [A] en [B] over de vertrouwensbreuk tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] . In dit artikel staat onder andere:

“Maar ik ( [gedaagde sub 1] ; toevoeging kantonrechter) kon het niet meer opbrengen. [eiser] , red.) gedroeg zich de maanden ervoor steeds vreemder. Hij las geen stukken meer en hij liet zomaar verstek gaan bij vergaderingen. Ook weigerde hij de rest van de partij inzage te geven in de campagnebestedingen. [eiser] beheert als penningmeester de rekeningen. Hij is ook de enige met een betaalpas van de [partij 1] . Hij ging zwaar over het verkiezingsbudget van 8000 euro heen, maar niemand die hem kon stoppen.”


En:

“Er was al meer gebeurd. Omdat er in eerste instantie geen vrouwen stonden op onze kieslijst, begon ik in november met de actie Partij zoekt Vrouw. [eiser] droeg een kandidate voor die met haar kwaliteiten zo de gemeenteraad in kon. Ik kreeg haar echter maar niet over de streep getrokken. Wat bleek: [eiser] had zich in een café aan haar opgedrongen. Ze zag er daarom uiteindelijk vanaf. Ik vond dat vreselijk.


Verder is geschreven:

Wanneer [gedaagde sub 2] , die 200 euro van haar raadsvergoeding moet storten in de fractiekas, bij [eiser] blijft hameren op inzage in de campagnebestedingen, wordt de sfeer grimmiger.


Ook staat in het artikel:

Tekenend zijn volgens [gedaagde sub 1] ook de enveloppen met krantenknipsels die sinds haar overstap naar de fractie van [partij 2] bij [gedaagde sub 2] en haar omgeving in de bus vallen.

“ [eiser] weet van geen ophouden. De man van [gedaagde sub 2] kreeg nota bene op zijn verjaardag een brief met negatieve typeringen over zijn vrouw. Als [eiser] niet kan winnen, dan grijpt hij naar intimidatie.”


2.3.

Op 7 januari 2015 dient [eiser] een klacht in tegen de beide journalisten bij de hoofdredactie van het [krant] . Bij brief van 10 april 2015 reageert hoofdredacteur [C] op de klacht. [C] schrijft onder andere dat de journalisten [eiser] de mogelijkheid van wederhoor hebben gegeven en dat zij de in het artikel weergegeven visie van [gedaagde sub 1] hebben gecheckt bij [gedaagde sub 2] .


2.4.

Op 3 juli 2015 doet [eiser] aangifte van smaad/smaadschrift tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .


2.5.

Op 8 juli 2015 verschijnt op de website van RTV Utrecht een artikel met de kop “Ruziënde politici uit Amersfoort voor de rechter”. In dit artikel staat, voor zover van belang:

[eiser] wil haar ( [gedaagde sub 2] ; toevoeging kantonrechter) voor de rechter dagen voor uitspraken die zijn gedaan in de [krant] . Ze noemde haar collega een “narcistische potentaat”. [eiser] zegt dat die uitspraken zijn “naam en eer” hebben aangetast.


2.6.

Op dezelfde dag verschijnt een artikel op de site De Stad Amersfoort.nl waarin onder andere staat:

Het artikel (het artikel van 15 november 2014; toevoeging kantonrechter), waarin [eiser] een narcistische potentaat wordt genoemd, is door twee journalisten afgenomen na lang aandringen van [gedaagde sub 2] en oud- [partij 1] -raadslid [gedaagde sub 1] . Maar uiteindelijk doet alleen [gedaagde sub 1] het woord. “Zij had zich weer eens ziek gemeld. Zoals altijd”, zegt de fractievoorzitter ( [eiser] ; toevoeging kantonrechter) schamper.

“ [gedaagde sub 1] doet beweringen over zaken die hij helemaal niet kan weten (…). Wat [gedaagde sub 1] vertelt komt van [gedaagde sub 2] . (…)”


2.7.

Bij brief van 24 juli 2015 aan mr. Weijzen (de voormalige bijstandsverlener van [eiser] ) sommeert de advocaat van [gedaagde sub 2] [eiser] zijn schadelijke gedrag met onmiddellijke ingang te staken. In deze brief schrijft zij onder meer:

“Van cliënte begrijp ik dat de heer [eiser] sinds haar vertrek naar een andere politieke partij diverse beledigingen en onjuistheden verkondigt aangaande haar persoon en functioneren. Naast diverse publicaties op internet en in dagbladen, betreft het vele Tweets. Deze zijn geschreven door uw cliënt, onder eigen naam dan wel onder diverse pseudoniemen. Verder vernam ik dat uw cliënt in de publicatie van 15 november 2014 blijkbaar aanleiding heeft gezien om zich zélf in de krant schuldig te maken aan laster c.q. smaad. In dit verband verwijs ik naar het artikel van 8 juli 2015 in Stad Amersfoort en het artikel van 9 juli 2015 in het regionale katern van het [krant] .”


2.8.

Op 29 januari 2016 zijn [A] en [B] in het kader van een door [eiser] verzocht voorlopig getuigenverhoor gehoord.

Op dezelfde dag bericht het Openbaar Ministerie [eiser] dat de zaak tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt geseponeerd, omdat “niet duidelijk is of het verhaal in de krant het verhaal van de verdachten is.”. Het Openbaar Ministerie schrijft ook dat nieuwe informatie reden kan zijn het onderzoek te heropenen.


2.9.

Op 20 mei 2016 is [gedaagde sub 2] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor als getuige opgeroepen. Zij heeft zich op haar zwijgrecht beroepen vanwege de aangifte door [eiser] .


3Het geschil

In conventie 3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeelt tot het, kort gezegd:

  • - binnen 14 dagen ieder afzonderlijk plaatsen van eigen excusesadvertentie, op ¼ van de paginagrootte van het gewraakte artikel, in zowel [krant] als het weekblad De Stad Amersfoort;
  • - betalen van de helft van de materiële schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 3.275,33;
  • - ieder apart betalen van smartengeld van € 1.500,-.

Deze vorderingen wenst [eiser] versterkt te zien door een dwangsom van € 50,- per persoon per dag. Ten slotte vordert hij veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de kosten.


3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen. Zij concluderen tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure, waaronder de kosten voor het voorlopig getuigenverhoor. [gedaagde sub 2] vordert ook veroordeling van [eiser] in de nakosten.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


In reconventie

3.4.

[gedaagde sub 2] vordert dat de kantonrechter [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot, samengevat, het betalen van schadevergoeding van € 4.500,- wegens zijn onrechtmatige handelen door middel van diverse publieke schriftelijke uitingen.


3.5.

[eiser] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

In conventie 4.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat de dagvaarding niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In het bijzonder wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 111 lid 2, onder d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv.). Op grond van dit artikel moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan bevatten. Door het ontbreken van een feitelijke onderbouwing, bevat de dagvaarding volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen gronden. In de dagvaarding wordt onder “De feiten” namelijk verwezen naar bijlage 1, die op zijn beurt weer verwijst naar ongeveer 10 producties waarvan ook weer afzonderlijke bijlagen deel uitmaken. Bijlage 1 bevat zelf geen feiten die de eis kunnen dragen. Op deze manier wordt niet duidelijk waartegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich te verweren hebben. [gedaagde sub 1] noemt het lezen van de dagvaarding een soort speurtocht, waarbij zowel rechter als gedaagden moeten zoeken naar de gronden van de eis.


4.2.

Niet gezegd kan worden dat de dagvaarding helemaal geen feitelijke onderbouwing heeft. In de dagvaarding citeert [eiser] namelijk de door hem gewraakte passages in het artikel van 15 november 2014 (zie 2.2.). Dit artikel is in zijn geheel als productie 1A aan de dagvaarding gehecht. Verder verbindt [eiser] rechtsgevolgen aan de door hem ingeroepen feiten: smaad, laster dan wel belediging.


4.3.

Dan is de vraag of de in de dagvaarding (al dan niet door verwijzing naar producties) genoemde feiten zodanig gepresenteerd zijn dat het voor partijen begrijpelijk is waartegen zij zich moeten verweren. De kantonrechter snapt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wel. Het lezen van de dagvaarding op een manier die tot begrip van het geschil leidt, is bepaald niet eenvoudig. Sterker: het verdient de voorkeur eerst een van beide conclusies van antwoord te lezen, voordat de dagvaarding wordt uitgeplozen. Aan de andere kant blijkt uit de conclusies van antwoord wel dat beide gedaagden weten wat hen wordt verweten; zij verweren zich daar ook gemotiveerd tegen. Daarom – en mede omdat aan een in persoon procederende partij niet al te hoge eisen mogen worden gesteld – is de kantonrechter van oordeel dat de dagvaarding, zij het nipt, aan het bepaalde in artikel 111 lid 2, onder d Rv. voldoet.

De vraag of de door [eiser] ingeroepen feiten voldoende zijn voor toewijzing van zijn vorderingen, ligt daarom in het domein van artikel 150 Rv.: heeft [eiser] – mede gelet op het verweer – voldaan aan de op hem rustende (nadere) stelplicht. Die vraag zal hierna worden beantwoord.


4.4.

Begrijpt de kantonrechter het goed, dan heeft [eiser] moeite met vijf passages (in de dagvaarding de punten A t/m E genoemd) in het artikel van 15 november 2014. Een van deze passages (punt C) noemt hij zelf echter “nauwelijks relevant”. De kantonrechter zal zich daarom beperken tot de punten A, B, D en E.

[eiser] beschouwt de punten A en B als laster, smaad dan wel belediging door [gedaagde sub 1] en de punten D en E als laster, smaad of belediging door [gedaagde sub 2] .


4.5.

[eiser] stelt dat hij door de uitlatingen in het artikel in een kwaad daglicht is gesteld, waardoor zijn eer en goede naam zijn aangetast. Gelet hierop en op de door hem tijdens de zitting gegeven toelichting – en mede omdat vaststaat dat het OM de zaak tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft geseponeerd – gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser] hem niet vraagt een strafrechtelijk oordeel te geven, maar de vraag beantwoord wil zien of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich zodanig onzorgvuldig ten opzichte van hem hebben gedragen dat sprake is van onrechtmatig handelen.


4.6.

Hier staan twee fundamentele rechten tegenover elkaar: de vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de eer en goede naam. Toewijzing van [eiser] vorderingen houdt een beperking in van het in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van vrije meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt als dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (het tweede lid van artikel 10 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer en goede naam – zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welke van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag moet geven, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, (iv) de totstandkoming en de inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen gepubliceerd zijn geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Deze omstandigheden wegen niet even zwaar en welk gewicht daaraan moet worden toegekend, hangt af van het concrete geval.


Ten aanzien van [gedaagde sub 1] : punt A

4.7.

[eiser] beperkt zijn verwijt tot de zin “Hij is ook de enige met een betaalpas van de [partij 1] ”. Volgens [eiser] is deze uitspraak feitelijk onjuist, omdat de [partij 1] geen betaalpas heeft. Tijdens de zitting heeft hij toegelicht dat de partij met ouderwetse overschrijfformulieren werkt. Door niettemin te doen alsof hij de enige is die een betaalpas heeft, suggereert [gedaagde sub 1] volgens hem dat hij zich als een soort dictator gedraagt.


4.8.

[gedaagde sub 1] ziet niet in hoe de goede naam van [eiser] door de hierboven geciteerde kan zijn aangetast. Verder wijst hij erop dat het citaat in een brede context gelezen moet worden. Hoewel [gedaagde sub 1] betwist dat hij de in het artikel genoemde bewoordingen letterlijk heeft gebruikt (het is volgens hem dan ook niet juist dat deze tekst tussen aanhalingstekens staat en als citaat van hem wordt gepresenteerd), hebben de campagnekosten en financiële transparantie een grote politieke betekenis en daarmee een publiek belang. Kort samengevat stelt [gedaagde sub 1] zich op het standpunt dat binnen de [partij 1] al langere tijd een discussie gaande was over het campagnebudget en dat – hoewel [eiser] aanmerkelijk meer wilde besteden – uiteindelijk besloten is het budget op € 8.000 te stellen. Volgens [gedaagde sub 1] is nooit duidelijk geworden wat de campagne uiteindelijk heeft gekost. Ter onderbouwing wijst hij op de notulen van de ledenvergadering van de [partij 1] van 8 mei 2014 waarin gevraagd wordt een overzicht te geven van de verkiezingsuitgaven.

Anders gezegd: [gedaagde sub 1] heeft slechts tot uitdrukking willen brengen dat er bij hem en binnen de [partij 1] zorgen bestonden over de eigenzinnige werkwijze van [eiser] .


4.9.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] niet de stelling betrekt dat punt A de indruk wekt dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan financiële malversaties. Het probleem zit er volgens hem alleen in dat hij wordt afgeschilderd als een soort dictator. De kantonrechter is van oordeel dat niet is in te zien hoe de enkele zin “Hij is ook de enige met een betaalpas van de [partij 1] ” – hoewel kennelijk onjuist – ertoe kan leiden dat bij het grote publiek de indruk zou kunnen ontstaan dat [eiser] zich als een soort dictator opstelt.


4.10.

Feit is dat [gedaagde sub 1] de bedoeling had het volgens hem eigenzinnige optreden van [eiser] aan de kaak te stellen. In dit licht moet ook de zin “Hij ging zwaar over het verkiezingsbudget van 8000 euro heen, maar niemand die hem kon stoppen.” worden gelezen. [eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat “de hoger opgeleiden de vis in die krant verpakken”, maar dat er veel mensen zijn die het lezen en hem erop aanspraken. Deze stelling heeft [eiser] niet nader onderbouwd, zodat het lastig te beoordelen is welke indruk beide zinnen in hun onderlinge verband bij het Amersfoortse publiek wekken. Als aangenomen wordt dat [eiser] hierdoor bij een bepaalde groep lezers overkomt als iemand die zijn zin wil doordrijven, brengt dit niet zonder meer mee dat het [gedaagde sub 1] niet vrij stond het optreden van [eiser] aan de kaak te stellen.

Dat geldt temeer omdat de uitspraken van [gedaagde sub 1] begrepen moeten worden in het licht van het gehele interview, namelijk het geven van een verklaring voor de vertrouwensbreuk tussen beide (voormalige) kopstukken van de [partij 1] . Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [A] , een van de journalisten, in dit verband verklaard:

“De basisvraag van het interview was waarom de heer [gedaagde sub 1] gebroken had met de heer [eiser] . Dat is de kern van het hele interview. Het is immers het betoog van de heer [gedaagde sub 1] waarom hij de heer [eiser] vaarwel heeft gezegd.”


Het geven van een dergelijke verklaring – waarvan gezegd kan worden dat die het belang van de lokale politiek dient – kan naar het oordeel van de kantonrechter niet op een geloofwaardige manier gebeuren zonder de omstandigheden te beschrijven die tot de breuk hebben geleid.


4.11.

Daar komt bij dat uit de notulen van 8 mei 2014 blijkt dat binnen de [partij 1] ook zorgen bestonden over de koers die [eiser] wilde varen en wat de financiële gevolgen daarvan waren voor het campagnebudget. Financiële transparantie binnen een politieke partij is een belang dat publiekelijk besproken mag worden. Overigens stelt de kantonrechter vast dat [eiser] heeft erkend dat het campagnebudget werd overschreden, zodat in elk geval dat deel van de passage steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal.

Tot slot is de omstandigheid dat [eiser] een politicus is, ook een factor die meeweegt bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde sub 1] de grens van het rechtmatige is gepasseerd. Van een politicus die zich – zo blijkt uit de processtukken – in het publieke debat evenmin onbetuigd laat, mag verwacht worden dat hij bestand is tegen enig in het openbaar gedaan weerwoord.


4.12.

Op grond van voornoemde omstandigheden – bezien in hun onderlinge verband – is de kantonrechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [gedaagde sub 1] zich had moeten onthouden van het doen van de gewraakte uitlating als bedoeld onder punt A. Van onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake.


Ten aanzien van [gedaagde sub 1] : punt B

4.13.

[eiser] tilt zwaar aan de zin ‘Opdringen aan een vrouw.’ Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij zich niet in deze beeldvorming herkent. Ook heeft hij toegelicht dat hij in het verleden door een PvdA-raadslid, dat later zelfmoord heeft gepleegd, ten onrechte beschuldigd is van het “rommelen met jonge jongetjes”.


4.14.

Letterlijk staat in het artikel: “”Er was al meer gebeurd. Omdat er in eerste instantie geen vrouwen stonden op onze kieslijst, begon ik in november met de actie Partij zoekt Vrouw. [eiser] droeg een kandidate voor die met haar kwaliteiten zo de gemeenteraad in kon. Ik kreeg haar echter maar niet over de streep getrokken. Wat bleek: [eiser] had zich in een café aan haar opgedrongen. Ze zag er daarom uiteindelijk vanaf. Ik vond dat vreselijk.”

Volgens [gedaagde sub 1] moet de uitspraak in deze context gezien worden. Hij heeft toegelicht dat [partij 1] grote moeite had met het vinden van vrouwelijke kandidaten voor de raadsverkiezingen van maart 2014. Op een gegeven moment vertelde [eiser] hem dat hij een kandidate had gevonden die zich zeker ging bewijzen. [eiser] vroeg hem met haar te gaan praten, wat hij ook heeft gedaan. [gedaagde sub 1] kreeg de kandidate maar niet zo ver dat zij ja zei; zij bleef aarzelen. Uiteindelijk vertelde deze kandidate aan [gedaagde sub 1] dat [eiser] zich aan haar had opgedrongen aan de bar in café De Lieve Vrouw, in die zin dat hij haar op een ongewenste manier had aangesproken. Volgens [gedaagde sub 1] heeft hij [eiser] daarna om opheldering gevraagd en heeft [eiser] het voorval erkend. Volgens [gedaagde sub 1] heeft [eiser] gezegd dat hij een borreltje teveel op had. [gedaagde sub 1] neemt het [eiser] kwalijk dat hij dit voor hem heeft verzwegen en dat zijn gedrag de partij een goed raadslid heeft gekost.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat hij bewust het werkwoord “opdringen” heeft gebruikt om te voorkomen dat mensen zouden denken dat [eiser] ongewenste fysieke handelingen heeft verricht.


4.15.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] niet betwist dat de hierboven genoemde uitspraak correct door de journalisten is geciteerd. Juist is dat opdringen taalkundig niet meer betekent dan het op een lastige, onaangename manier iemands gezelschap zoeken. De kantonrechter is echter van oordeel dat opdringen in combinatie met de woorden ‘vrouw’ en ‘kroeg’ wel degelijk een seksuele connotatie oproept. De vraag is of het wereldkundig maken ervan onrechtmatig is. Hoewel het goed voorstelbaar is dat [gedaagde sub 1] mededeling – gezien de geuite beschuldiging van ontucht met jongetjes – bij [eiser] harder aankomt dan in het algemeen het geval zou zijn, beantwoordt de kantonrechter deze vraag ontkennend.


4.16.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een dergelijk voorval zodanig gewichtig en politiek relevant (zeker omdat de [partij 1] probeerde meer vrouwelijke raadsleden te werven en met het oog daarop een speciale campagne was gestart), dat [gedaagde sub 1] alleen al daarom reden had het in de lokale krant aan de kaak te stellen.

Ook hier geldt dat de omstandigheid dat de handelwijze van [eiser] volgens [gedaagde sub 1] ertoe heeft geleid dat een geschikte kandidate geen raadslid van de [partij 1] wilde worden, de geloofwaardigheid dient van zijn verklaring voor de breuk met [eiser] . In dit licht moet de gehele passage gelezen worden. Het gaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet aan slechts één zin uit die passage te lichten, zoals [eiser] doet.


4.17.

Verder is van belang dat [eiser] wel gezegd heeft dat mensen hem hierop aanspreken, maar deze stelling op geen enkele manier onderbouwt. Hierdoor is niet vast te stellen of en zo ja, in welke mate dit citaat negatieve gevolgen voor hem heeft. De verklaring van [eiser] dat de hoger opgeleiden de vis in die krant verpakken (zie 4.10.), doet vermoeden dat het met die gevolgen wel mee zal vallen.


4.18.

Op grond van voornoemde omstandigheden – bezien in hun onderlinge verband – is de kantonrechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [gedaagde sub 1] zich had moeten onthouden van het doen van de gewraakte uitlating als bedoeld onder punt B. Van onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake. Dit zou anders kunnen zijn als het voorval niet heeft plaatsgevonden. Dit is niet vast komen te staan. Tegen de concrete toelichting op het voorval door [gedaagde sub 1] en zijn stelling dat [eiser] het voorval heeft erkend, heeft [eiser] slechts gesteld dat hij zich er niet in kan herkennen. Dat is een wel erg mager verweer.


4.19.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] zullen worden afgewezen.


Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.20.

De verwijten die [eiser] aan [gedaagde sub 2] maakt, betreffen twee passages uit het artikel, door [eiser] aangeduid als punt D en punt E. Punt D houdt volgens [eiser] in: “Verplichting aan [gedaagde sub 2] , door mij gedaan volgens haar uitspraak, om 200,00 euro per maand te storten in de fractie kas.” (onderstreping door [eiser] ).

Punt E is: “ [eiser] weet van geen ophouden. De man van [gedaagde sub 2] kreeg nota-bene een brief met negatieve typeringen over zijn vrouw.”.

Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat punt D in zoverre onjuist is dat fractiekas partijkas moet zijn. Dat is volgens hem wezenlijk, omdat het verboden is de raadsvergoeding in de fractiekas te storten. Verder ontkent [eiser] dat hij de in punt E aangeduide brief aan de man van [gedaagde sub 2] heeft doen toekomen.

Volgens [eiser] moet [gedaagde sub 1] de informatie van [gedaagde sub 2] hebben gehoord (hear say). De journalisten hebben haar namelijk thuis bezocht om het verhaal van [gedaagde sub 1] te verifiëren. [gedaagde sub 2] heeft dus meegewerkt aan het artikel en daarin ligt het verwijt dat hij haar maakt.


4.21.

[gedaagde sub 2] voert aan dat [eiser] niet duidelijk maakt welke informatie zij aan [gedaagde sub 1] heeft gegeven en waarom dit onrechtmatig is. Als zij al informatie aan [gedaagde sub 1] heeft gegeven, dan valt dit onder haar recht op vrije meningsuiting. Omdat [eiser] geen nadelige gevolgen ondervindt van de onder punt D en E genoemde informatie, althans niet heeft gesteld welke dat dan zijn, geldt – zo begrijpt de kantonrechter – haar recht op vrije meningsuiting zwaarder. Dat geldt temeer omdat zij nooit informatie met [gedaagde sub 1] heeft gedeeld met het doel dat deze in een interview zou worden gepubliceerd.


4.22.

Vaststaat dat het interview in [krant] niet door [gedaagde sub 2] is gegeven. De journalisten hebben met [gedaagde sub 1] gesproken en zijn daarna bij [gedaagde sub 2] op bezoek geweest om het verhaal van [gedaagde sub 1] te verifiëren. [A] , een van de journalisten, heeft daarover als volgt verklaard:

“Na het interview heb ik daarover contact gehad met mevrouw [gedaagde sub 2] . Dat contact was een gesprek bij haar thuis van ongeveer anderhalf uur waaraan mijn collega [B] ook deelnam. Het gesprek vond plaats om de uitlatingen van de heer [gedaagde sub 1] te verifiëren.


(…)


Het staat mij niet bij dat wij aan mevrouw [gedaagde sub 2] inzage in, dan wel een samenvatting van het te publiceren interview hebben gegeven.

Ten aanzien van de onderwerpen betreffende de uitlatingen van [gedaagde sub 1] die wij met mevrouw [gedaagde sub 2] besproken hebben, herinner ik mij dat zij een deel van die uitlatingen kon bevestigen.

Ik kan mij niet voorstellen dat de tekst van het artikel zoals dat uiteindelijk is gepubliceerd, voorafgaand aan de publicatie aan mevrouw [gedaagde sub 2] ter goedkeuring is voorgelegd. Dat is bij ons niet gebruikelijk.


(…)


In het artikel staat onder meer dat [gedaagde sub 2] de lezing van [gedaagde sub 1] volledig bevestigt. Daarmee hebben wij bedoeld aan te geven de lezing betreffende de feiten voor zover wij die met mevrouw [gedaagde sub 2] hebben besproken. Daaronder vallen dus niet de persoonlijke grieven van de heer [gedaagde sub 1] jegens de heer [eiser] .”


[B] , de andere journalist, heeft verklaard:

“In de derde kolom onderaan van het artikel schrijven wij dat mevrouw [gedaagde sub 2] de lezing van [gedaagde sub 1] volledig bevestigt. Daarmee hebben wij bedoeld dat mevrouw [gedaagde sub 2] de lezing van [gedaagde sub 1] bevestigd heeft daar waar [gedaagde sub 1] heeft verklaard over de frictie tussen de heer [eiser] en mevrouw [gedaagde sub 2] . De persoonlijke aantijgingen van de heer [gedaagde sub 1] aan het adres van de heer [eiser] zijn met mevrouw [gedaagde sub 2] niet besproken.”


4.23.

Welke informatie [gedaagde sub 2] aan de journalisten heeft gegeven, is niet duidelijk geworden. In elk geval volgt uit de door [A] afgelegde verklaring dat [gedaagde sub 2] niet de tekst van het artikel met de gewraakte passages heeft gezien. Uit beide verklaringen volgt dat de journalisten de verwijten die [gedaagde sub 1] aan [eiser] maakt, niet bij [gedaagde sub 2] hebben geverifieerd. [gedaagde sub 2] heeft alleen uitspraken gedaan over de tussen haar en [eiser] bestaande frictie. Het is dus niet uitgesloten dat [gedaagde sub 2] de onder punten D en E genoemde informatie aan [gedaagde sub 1] heeft gegeven, dat [gedaagde sub 1] daarover heeft gesproken tijdens het interview en dat de journalisten deze punten bij niet [gedaagde sub 2] hebben geverifieerd.

Als veronderstellerwijs van dit scenario wordt uitgegaan, is zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien waarom het geven van deze informatie aan [gedaagde sub 1] onrechtmatig is ten opzichte van [eiser] . Op zijn minst zou dan vast moeten staan dat – daargelaten of aan de onder 4.6. genoemde criteria voor onrechtmatigheid is voldaan – [gedaagde sub 2] informatie aan [gedaagde sub 1] gaf waarvan zij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat deze door hem via het interview publiek zou worden gemaakt. Dit is gesteld noch gebleken.


4.24.

Als ervan wordt uitgegaan dat de journalisten de punten D en E wel bij [gedaagde sub 2] hebben geverifieerd (dat standpunt lijkt [eiser] in elk geval in te nemen), leidt dat evenmin tot de conclusie dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. [eiser] heeft niet toegelicht wat er zo ernstig is aan de gewraakte uitlatingen dat [gedaagde sub 2] zich ervan had moeten onthouden.


4.25.

De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] zullen afgewezen. Op de overige stellingen van partijen hoeft niet te worden ingegaan.


Proceskosten

4.26.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde sub 1] begroot op:

- getuigentaxe € 10,00

- salaris gemachtigde € 700,00 (3,5 punt x tarief € 200,00)

Totaal € 710,00


De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden eveneens begroot op:

- getuigentaxe € 10,00

- salaris gemachtigde € 700,00 (3,5 punt x tarief € 200,00)

Totaal € 710,00


Bij de berekening van het salaris is anderhalve punt toegekend voor het bijwonen van de voorlopige getuigenverhoren op 29 januari en 20 mei 2016.


In reconventie

4.27.

[gedaagde sub 2] stelt zich op haar beurt op het standpunt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door het geven van twee interviews, waarvan de ene op 8 juli 2015 op de website van RTV Utrecht is verschenen (zie 2.5.) en de andere op dezelfde dag op de site De Stad Amersfoort.nl (zie 2.6.).

Verder heeft [eiser] onrechtmatig gehandeld door het publiceren dan wel ter het beschikking stellen van een brief “met knipsels” van 30 september 2014.

De aanhef van die brief luidt:

“Aan:

de leden van de gemeenteraad van Amersfoort;

het college van Burgemeester en Wethouders,

de burgers van Amersfoort.”


In de brief staat verder onder meer:

“In deze open brief geeft de fractie van de [partij 1] ( [partij 1] ) haar reactie op de recente ontwikkeling van maandag 29 september jl. dat mevrouw [gedaagde sub 2] heeft besloten over te stappen naar de fractie van [partij 2] ( [partij 2] ).


Allereerst moet ons van het hart dat wij buitengewoon onprettig verrast, maar ook teleurgesteld zijn in de beslissing van mevrouw [gedaagde sub 2] . (…)


Ondanks de inspanningen van de fractie heeft zij gedurende de afgelopen 7 maanden weinig vooruitgang bij mevrouw [gedaagde sub 2] geconstateerd. Mevrouw [gedaagde sub 2] is gebleken een uitstekend veldwerker te zijn, maar ontbeert, naar de mening van de fractie, nog steeds de competenties om de functie van gemeenteraadslid - de 14e stad in Nederland - naar voldoening te kunnen vervullen.


“De lat hoeft niet op 8 meter te liggen, 2 meter mag ook, maar de [partij 1] fractie en het [partij 1] bestuur weigeren - ook voor mevrouw [gedaagde sub 2] - om de lat op de grond te leggen.”


(…)


  • - Er is binnen de fractie discussie geweest over het opnemen van vakanties buiten het reces. De [partij 1] fractie heeft zich altijd op het standpunt geplaatst dat gemeenteraadsleden, in hun verantwoordelijkheid naar de burger, aanwezig behoren te zijn bij zo veel mogelijk raadsvergaderingen om daarmee onze maximale betrokkenheid bij de onderwerpen te onderstrepen.Het is nu de tweede maal in een half jaar tijd dat mevrouw [gedaagde sub 2] weer een vakantie heeft gepland buiten het reces om. (…) Hiermee benut zij, naar het idee van de fractie, de contactmogelijkheden met de raadsleden niet optimaal. In de fractie is de onwenselijkheid hiervan diverse malen ter tafel gekomen, omdat dit, naar het idee van de fractie, schade berokkend aan het imago van de [partij 1] . Het is de keuze geweest van mevrouw [gedaagde sub 2] om desondanks buiten het reces op vakantie te blijven gaan, naar eigen zeggen om financiële redenen. De fractie heeft zich hierbij neergelegd.
  • - Met mevrouw [gedaagde sub 2] is bij haar aantreden afgesproken dat ze haar nevenwerkzaamheden, o.a. bij de woningbouw corporatie [naam] , neer zou leggen. Mevrouw [gedaagde sub 2] gaf, vlak voor de zomervakantie 2014, aan dat zij aan deze afspraak had voldaan en bij [naam] afscheid had genomen.Achteraf bleek dat ze hierover tegen de gehele [partij 1] had gelogen en dat ze tot vorige week nog steeds bij [naam] op de pay-roll stond. De [partij 1] vindt liegen een doodzonde.”

[gedaagde sub 2] vordert een immateriële schadevergoeding van € 4.500,-. Ter onderbouwing van dit bedrag stelt zij, kort gezegd, dat als [eiser] een bedrag van € 1.500,- als genoegdoening ziet voor teksten in één artikel, een bedrag van het drievoudige voor soortgelijke teksten in drie artikelen gepast is.


Brief van 30 september 2014

4.28.

[gedaagde sub 2] stelt dat [eiser] deze brief anoniem heeft verspreid, onder andere aan haar echtgenoot. Uit de brief blijkt dat zij volgens [eiser] bepaalde competenties ontbeert en dat hij daadwerkelijk en publiekelijk heeft gesuggereerd dat zij niets kan.

De tekst achter de eerste bullet is bedoeld om haar in een negatief daglicht te stellen door te suggereren dat zij de [partij 1] schade berokkent, aldus [gedaagde sub 2] .

De tekst achter de tweede bullet is volgens haar feitelijk onjuist, omdat zij helemaal niet op de payroll van [naam] of [naam] stond. Bij de lezers zal evenwel een andere indruk zijn ontstaan, aldus nog steeds [gedaagde sub 2] .


4.29.

[eiser] ontkent dat hij de brief heeft verspreid. De brief is volgens hem sinds 20 september 2014 op de website van de [partij 1] gepubliceerd. Volgens [eiser] is [gedaagde sub 2] nog steeds betaald lid van het bestuur van de bewonersvereniging [naam] en is [naam] onderdeel van [naam] . Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar een screendump van de profielpagina van [gedaagde sub 2] op de website van de gemeente Amersfoort. Daarop is onder “Nevenactiviteiten” vermeld dat zij bestuurslid van de bewonersvereniging van [naam] is. Uit de agenda van de [partij 1] van 29 september 2014 blijkt dat de positie van [gedaagde sub 2] bij [naam] en haar vakanties buiten het reces onderwerpen waren van de fractievergadering.


4.30.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van [gedaagde sub 2] , mede gelet op de formulering van haar vordering, aldus dat ook zij zich beroept op onrechtmatige daad. Bij de beoordeling van die stellingen moet in ogenschouw worden genomen dat de brief een open brief is waarin de fractie van de [partij 1] (dus niet alleen [eiser] ) reageert op de overstap van [gedaagde sub 2] naar [partij 2] . Uit de brief blijkt dat de fractie teleurgesteld is vanwege deze overstap, mede in het licht van de verleende intensieve begeleiding en coaching aan [gedaagde sub 2] en het feit dat zij haar zetel heeft meegenomen ( [eiser] noemt dat “zetelroof”). Zo bezien kan het niet verbazen dat de brief een zekere korzelige toon heeft, waardoor bepaalde zaken wat zwaarder worden aangezet. In deze context moet naar het oordeel van de kantonrechter ook de passage “Ondanks de inspanningen (…) op de grond te leggen.” gelezen worden.

Deze passage – die overigens niet ontdaan is van enig gevoel voor humor – geeft er blijk van dat de fractie van de [partij 1] niet bovenmatig tevreden is over het functioneren van [gedaagde sub 2] . Nog los van de vraag of dat terecht is, uit de fractie haar onvrede in stevige en niet steeds charmante bewoordingen die wel vaker (en naar de indruk van de kantonrechter in toenemende mate) voorkomen in het politieke discours. Anders dan [gedaagde sub 2] stelt, kan uit die hoekige bewoordingen evenwel niet worden afgeleid dat zij wordt ‘weggezet’ als iemand die niets kan.


4.31.

Daar komt bij dat [gedaagde sub 2] ook niet heeft gesteld dat dat zij door deze passage negatieve gevolgen ondervindt. In het bijzonder heeft zij niet gesteld dat zij als raadslid van [partij 2] door andere politici of burgers niet serieus wordt genomen of anderszins haar werkzaamheden niet naar behoren kan uitvoeren. Sterker nog: uit het citaat van [D] (raadslid van [partij 2] ) in een door [gedaagde sub 2] in het geding gebracht artikel van 30 september 2014 op de website van RTV Utrecht blijkt dat [partij 2] juist heel blij is met haar.

Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde sub 2] zich door zich in te laten met politiek ook heeft gecommitteerd aan de omgangsvormen die binnen de politiek kennelijk gebruikelijk zijn. Van haar mag (net zoals van [eiser] ) verwacht worden dat zij zich daartegen wapent.


4.32.

Onder deze omstandigheden – in hun onderlinge verband gezien – kan niet gezegd worden dat deze passage zodanig onzorgvuldig is dat sprake is van onrechtmatig handelen ten opzichte van [gedaagde sub 2] .


4.33.

Hetzelfde geldt voor de door [gedaagde sub 2] gewraakte passage over haar vakanties buiten het reces om. Niet in geschil is dat deze vakanties onderwerp van gesprek zijn geweest binnen de [partij 1] -fractie. De fractie vond het niet prettig dat [gedaagde sub 2] buiten het reces om op vakantie ging vanwege het gewenste contact met de raadsleden. Het staat de fractie vrij dit standpunt te betrekken. Niet is in te zien waarom het bekend maken van dit fractiestandpunt onrechtmatig is jegens [gedaagde sub 2] ; temeer niet omdat de brief ook vermeldt dat de fractie zich heeft neergelegd bij die door haar gekozen vakantiemomenten.


4.34.

Wat betreft de passage over de nevenwerkzaamheden van [gedaagde sub 2] overweegt de kantonrechter als volgt.

Uit de profielpagina waarop [eiser] zich beroept, blijkt in elk geval dat [gedaagde sub 2] nog medio oktober 2016 bestuurslid van de bewonersvereniging van [naam] was. Of een dergelijke functie bezoldigd is, weet de kantonrechter niet. Partijen hebben daarover geen duidelijkheid gegeven. Daarom kan ook niet beoordeeld worden of [gedaagde sub 2] gelogen heeft en of de aantijging van liegen – gelet op alle omstandigheden van het geval – onrechtmatig is. Aangezien het op de weg van [gedaagde sub 2] ligt feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van onrechtmatig handelen, komt deze onduidelijkheid voor haar rekening.


Website RTV Utrecht

4.35.

[gedaagde sub 2] richt haar pijlen op de bewering van [eiser] dat zij hem in het artikel van 15 november 2014 in de [krant] een “narcistische potentaat” heeft genoemd (zie hierboven onder 2.5.). Uit het artikel en de getuigenverklaringen van de journalisten blijkt volgens [gedaagde sub 2] dat niet zij deze woorden heeft gebruikt.


4.36.

Uit het verweer van [eiser] dat hem niet verweten kan worden dat RTV Utrecht berichten op sociale media doorplaatst, leidt de kantonrechter af dat hij deze uitspraak – zij het niet ten overstaan van RTV Utrecht – gedaan heeft. Uit de verklaring van [A] volgt dat het [gedaagde sub 1] is die [eiser] een narcistische potentaat heeft genoemd.

De omstandigheid dat [gedaagde sub 1] [eiser] een narcistische potentaat heeft genoemd, betekent niet dat [gedaagde sub 2] dat niet heeft gedaan. Maar gesteld dat [eiser] ten onrechte heeft gezegd dat [gedaagde sub 2] hem een narcistische potentaat heeft genoemd, is zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien waarom deze enkele bewering onrechtmatig is jegens haar. Het doen van een onjuiste bewering is misschien niet netjes maar daarmee niet zonder meer onrechtmatig. Daarvoor is, voor zover hier relevant, in elk geval vereist dat [gedaagde sub 2] geschaad is in haar eer en goede naam. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is. Verder moet er voldaan zijn aan de onder 4.6. genoemde criteria om een beperking van [eiser] recht op vrije meningsuiting te rechtvaardigen. Ook daarover heeft [gedaagde sub 2] zich niet uitgelaten.


De Stad Amersfoort.nl

4.37.

[gedaagde sub 2] stelt zich op het standpunt dat de volgende passages onrechtmatig zijn ten opzichte van haar: “Zij had zich weer eens ziek gemeld. Zoals altijd” en “Wat [gedaagde sub 1] vertelt komt van [gedaagde sub 2] .” (zie onder 2.6.). Verder stelt zij dat uit het artikel blijkt dat volgens [eiser] geen hoor en wederhoor is toegepast.


4.38.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de opmerking dat [gedaagde sub 2] zich “zoals altijd” ziek had gemeld, een hoog kinderachtigheidsgehalte. [gedaagde sub 2] heeft evenwel op geen enkele manier onderbouwd waarom het recht op vrije meningsuiting van [eiser] op grond van de in 4.6. genoemde criteria moet wijken voor het recht op bescherming van haar eer en goede naam. Dat geldt ook voor de uitspraak dat wat [gedaagde sub 1] vertelt van [gedaagde sub 2] afkomstig is.


4.39.

Indien en voor zover het artikel in De Stad Amersfoort.nl al blijk geeft van [eiser] opvatting dat geen hoor en wederhoor is toegepast (de kantonrechter leest dat er trouwens niet in), kan een dergelijke aantijging hoogstens begrepen worden als kritiek op de journalisten die het artikel hebben geschreven. Niet is in te zien waarom [gedaagde sub 2] daardoor in haar eer en goede naam is aangetast.


4.40.

Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde sub 2] onvoldoende heeft gesteld om te oordelen dat de gewraakte passages onrechtmatig ten opzichte van haar zijn. Dat betekent dat de vordering tot betaling van smartengeld zal worden afgewezen.


4.41.

[gedaagde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op nihil, omdat hij zich niet door een professionele juridische dienstverlener heeft laten vertegenwoordigen en evenmin vergoeding van reis- en verletkosten heeft gevorderd.


Hoe verder?

4.42.

Hoewel [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] [eiser] ervan betichten de strijd in de “politieke arena” in de rechtszaal voort te zetten, heeft de kantonrechter sterk de indruk dat dit voor alle partijen geldt. Illustratief daarvoor is de door [gedaagde sub 2] gevorderde immateriële schadevergoeding die simpel een verdrievoudiging is van de vergoeding die [eiser] vordert. Dat er tussen partijen politieke frictie bestaat, is meer dan duidelijk. Het is daarom bepaald niet uitgesloten dat zij in de toekomst vaker met elkaar overhoop zullen komen te liggen. Het lijkt de kantonrechter verstandig dat partijen eens goed met elkaar om de tafel gaan zitten om verdere escalatie te voorkomen. In elk geval geeft de kantonrechter partijen mee zich in voorkomende gevallen eerst af te vragen of het wel wenselijk is de rechterlijke macht te gebruiken als vehikel om hun politieke twisten uit te vechten.


5De beslissing


De kantonrechter


in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 710,-, waarvan € 700,- aan salaris gemachtigde,


5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 710,-, waarvan € 700,- aan salaris gemachtigde,


5.4.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde sub 2] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • - € 100,- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening;
  • - te vermeerderen, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening,

5.5.

verklaart 5.2. tot en met 5.4. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,


in reconventie

5.6.

wijst de vordering af,


5.7.

veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is bij vervroeging in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.