Rechtbank Midden-Nederland, 19-04-2017 / C/16/399498 / HL ZA 16-3


ECLI:NL:RBMNE:2017:1918

Inhoudsindicatie
Artikelen 6:15 leden 2 en 3 BW en 6:38 BW. Kwalificatie terbeschikkingstelling geldbedrag (5.3). De vordering tot terugbetaling valt binnen de onverdeelde boedel van de ontbonden huwelijksgemeenschap(5.3). De geldlening is opeisbaar (5.4).
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-19
Publicatiedatum
2017-04-21
Zaaknummer
C/16/399498 / HL ZA 16-3
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Lelystad


zaaknummer / rolnummer: C/16/399498 / HL ZA 16-3


Vonnis van 19 april 2017


in de zaak van


[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.H.M. Leyten-Smits te Dronten,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.L.F.J. Schyns te Utrecht.


Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 januari 2017, hersteld bij vonnis van 15 februari 2017,

- de op de comparitie van 8 maart 2017 namens [eiseres] overgelegde producties 1 tot en met 4,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 maart 2017, waarbij met partijen is geconstateerd

dat de oorspronkelijk tegen [bedrijfsnaam 1] B.V. ingestelde vordering zich thans richt tegen [gedaagde] . Voorts heeft [eiseres] ter comparitie haar vordering verminderd,

- de brief van de zijde van [gedaagde] van 21 maart 2017 naar aanleiding van het proces-verbaal.


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

De bij dagvaarding van 20 augustus 2015 door [eiseres] ingestelde vordering is ingesteld tegen [bedrijfsnaam 1] B.V. te [vestigingsplaats] . Per 5 november 2015 is de statutaire naam [bedrijfsnaam 1] B.V. gewijzigd in [gedaagde] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] is thans [bedrijfsnaam 2] Ltd ( [bedrijfsnaam 2] ) te [vestigingsplaats] . De heer [A] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 2] .


2.2.

[eiseres] en [A] zijn op [1986] in de gemeente [woonplaats] met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, waarbij elke gemeenschap van goederen was uitgesloten. Per 1 februari 2013 zijn de huwelijkse voorwaarden opgeheven en waren zij gehuwd onder algehele gemeenschap van goederen.


2.3.

Op [2014] heeft deze rechtbank de echtscheiding van [eiseres] en [A] uitgesproken (365772 / FL RK 14-685). De echtscheidingsbeschikking is op 13 maart 2015 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand ingeschreven.


2.4.

[A] heeft een bedrag van € 89.276,-- (hierna: het geldbedrag) aan [gedaagde] ter beschikking gesteld in het kader van de financiering van een door [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 3] B.V. te [vestigingsplaats] verstrekte opdracht tot de bouw van een zeiljacht, type rondspant Noordkaper, genaamd ‘ [naam zeiljacht] ’ (hierna: het zeiljacht). [eiseres] en [A] waren op het moment van de terbeschikkingstelling van het geldbedrag nog onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het zeiljacht is inmiddels afgebouwd.


2.5.

Op 11 augustus 2015 heeft [eiseres] , ter bescherming van haar verhaalsrecht van de door haar gepretendeerde boedelvordering tot terugbetaling van het geldbedrag door [gedaagde] , ten laste van [gedaagde] onder [bedrijfsnaam 3] conservatoir derdenbeslag gelegd op het teboekgesteld zeiljacht, alsmede op de scheepstoebehoren bestemd om het zeiljacht duurzaam te dienen.


3Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert na vermindering van eis en samengevat weergegeven - veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van het geldbedrag aan de gemeenschap binnen twee weken na dit vonnis, te vermeerderen met rente en kosten en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.


3.2.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [eiseres] dat het geldbedrag door [A] aan [gedaagde] (destijds [bedrijfsnaam 1] B.V. geheten) is uitgeleend en dat, hoewel er toen geen moment van terugbetaling is afgeproken, dit bedrag op grond van artikel 6:38 BW nu terugbetaald dient te worden. Gelet op het bepaalde in art. 6:15 lid 2 BW kan [eiseres] , als deelgenoot in de nog niet verdeelde boedel van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen [eiseres] en [A] , terugbetaling door [gedaagde] van dit bedrag vorderen.


3.3.

[eiseres] stelt voorts dat, als er geoordeeld wordt dat er geen sprake is van een geldleningsovereenkomst, de vordering nog steeds toewijsbaar is omdat het geldbedrag dan moet worden terugbetaald uit hoofde van verbruiklening, onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking.


3.4.

[eiseres] betwist dat het geldbedrag ziet op een kapitaalinjectie in [gedaagde] en dat er sprake zou zijn van een achtergestelde lening. Voorts betwist [eiseres] dat [gedaagde] een beroep toekomt op artikel 6:15 lid 3 BW. [A] was destijds niet alleen de echtgenoot van [eiseres] maar via [bedrijfsnaam 4] B.V. ook de indirect bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V.


3.5.

[gedaagde] voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.


3.6.

[gedaagde] maakt bezwaar tegen de thans door [eiseres] ingenomen stellingen voor zover deze afwijken van hetgeen in de dagvaarding is gesteld. Het betreft onder meer het beroep op artikel 6:38 BW. Volgens [gedaagde] voert [eiseres] ook volstrekt nieuwe grondslagen van de vordering aan, zodat sprake is van een wijziging van eis. Deze eiswijziging is niet voorafgaand aangekondigd en is ook niet op schrift gesteld. In de dagvaarding wordt expliciet gesteld dat er geen terugbetalingsverplichting is, dat de vordering niet opeisbaar is en dat er geen afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling van het bedrag. Het is dan ook aan [eiseres] - aldus [gedaagde] - om deze nieuwe stellingen te bewijzen.


3.7.

[gedaagde] betoogt verder dat de terbeschikkingstelling door [A] van het geldbedrag dient te worden aangemerkt als een kapitaalinjectie in [gedaagde] (destijds [bedrijfsnaam 1] B.V. geheten). Deze ontvangen investering hoeft pas terugbetaald te worden wanneer alle andere schuldeisers betaald zijn. Eigenlijk betreft het een achtergestelde lening.


3.8.

Volgens [gedaagde] kan het beroep van [eiseres] op artikel 6:38 BW haar ook niet baten, nu de rechter een grote vrijheid heeft bij het bepalen van het moment waarop moet worden terugbetaald. Van belang is daarbij dat in het onderhavige geval het waarschijnlijk is dat de van de onverdeelde boedel van de ontbonden huwelijksgemeenschap deel uitmakende vordering op [gedaagde] tot terugbetaling van het geldbedrag aan [A] zal worden toebedeeld. Er is dan ook geen enkele grond waarom [gedaagde] thans ineens tot terugbetaling van het geldbedrag moet overgaan.


3.9.

[gedaagde] betwist voorts dat [eiseres] kan worden aangemerkt als haar schuldeiser betreffende de terugbetaling van het geldbedrag. Ten tijde van de terbeschikkingstelling van het geldbedrag was [A] onder huwelijkse voorwaarden gehuwd, zodat op grond van het bepaalde van 6:15 lid 3 BW [A] als de schuldeiser van [gedaagde] moet worden aangemerkt.


3.10.

In het geval zou komen vast te staan dat het geldbedrag opeisbaar is en door [gedaagde] moet worden terugbetaald, doet [gedaagde] een beroep op artikel 6:37 BW. Volgens [gedaagde] komt dit beroep haar toe, nu er onduidelijkheid bestaat aan wie ( [eiseres] of [A] ) terugbetaald moet worden.


3.11.

Voorts acht [gedaagde] het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat zij op deze wijze betrokken wordt in een echtscheidingsruzie tussen [eiseres] en [A] . Ook om deze reden dient de vordering volgens [gedaagde] te worden afgewezen.


3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert, samengevat weergegeven:

- opheffing van de door [eiseres] op 11 augustus 2015 gelegde beslagen op het zeiljacht

[naam zeiljacht] , althans [eiseres] te veroordelen tot opheffing van deze beslagen, onder verbeurte

van een dwangsom van € 100.000,- en € 10.000,- per dag, voor zover daar niet binnen 24 uur na dit vonnis uitvoering is gegeven;

- veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van een schadevergoeding nader op te

maken bij staat wegens onrechtmatige beslaglegging op het zeilschip;

- veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.


4.2.

[gedaagde] heeft daartoe gesteld dat [eiseres] onrechtmatig gehandeld heeft door voor een niet opeisbare vordering beslag te leggen. De aldus onterechte en onrechtmatig gelegde beslagen dienen te worden opgeheven en [eiseres] is aansprakelijk voor de door [gedaagde] geleden en nog te lijden schade. Zolang het schip nog in aanbouw was, werd [gedaagde] niet direct getroffen door het beslag. Nu het zeilschip is afgebouwd kan [gedaagde] in verband met de beslagen geen inkomsten genereren doordat zij bijvoorbeeld niet in staat is de boot te verhuren. [gedaagde] voert voorts aan dat geen vrees voor verduistering bestaat.


4.3.

[eiseres] heeft op de comparitie verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.


4.4.

[eiseres] stelt belang te hebben bij handhaving van de onder 2.5. genoemde beslagen. Het beslag op het teboekgestelde zeiljacht [naam zeiljacht] is volgens [eiseres] ook in de daartoe bestemde openbare registers ingeschreven.


4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


5De beoordeling in conventie

5.1.

Tussen partijen staat vooreerst ter discussie hoe de terbeschikkingstelling van het geldbedrag aan [gedaagde] juridisch dient te worden gekwalificeerd, of sprake is van een opeisbare vordering alsmede of [eiseres] – namens de gemeenschap – deze vordering kan instellen. Daartoe geldt het volgende.


5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het geldbedrag ter beschikking is gesteld voor de financiering van de door [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 3] B.V. te [vestigingsplaats] verstrekte opdracht tot de bouw van het zeiljacht. De rechtbank volgt [eiseres] in haar stelling dat sprake is van een geldleningsovereenkomst, waarbij het moment van terugbetaling niet bepaald is. [gedaagde] heeft weliswaar als verweer naar voren gebracht dat sprake is van een kapitaalinjectie waarbij het altijd de bedoeling is geweest dat die achtergesteld is bij (alle) andere financieringen, maar een nadere onderbouwing van dit verweer is niet gegeven. Dit blijkt ook niet uit de door [eiseres] in het geding gebrachte jaarstukken van [gedaagde] . Bovendien stelt [gedaagde] ook zelf in de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie alsmede tijdens de comparitie dat er geen afspraak bestaat over de terugbetaling of ‘wat dan ook’.


5.3.

Bij de beoordeling van de vordering dient er van uit te worden gegaan dat de terbeschikkingstelling van het geldbedrag door [A] een vordering op [gedaagde] oplevert die valt in de nog onverdeelde boedel van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen [eiseres] en [A] . Op zich is het juist, zoals door [gedaagde] is betoogd, dat het geldbedrag door [A] aan [gedaagde] (destijds [bedrijfsnaam 1] B.V. geheten) ter beschikking is gesteld op moment dat [eiseres] en [A] nog onder huwelijkse voorwaarden waren getrouwd, maar deze voorwaarden zijn per 1 februari 2013 opgeheven en nadien waren zij gehuwd onder algehele gemeenschap van goederen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:15 lid 2 BW is [eiseres] dan ook in beginsel gerechtigd een vordering tot terugbetaling van het geldbedrag jegens [gedaagde] in te stellen.


5.4.

Met betrekking tot (het moment van) de opeisbaarheid van de vordering uit hoofde van de geldlening heeft [eiseres] zich tijdens de comparitie beroepen op artikel 6:38 BW. [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt (zie ook 3.6). Anders dan [gedaagde] heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat een en ander geen eiswijziging oplevert en dat evenmin sprake is van een omstandigheid dat [gedaagde] moet worden geacht te zijn geschaad in haar verdediging. Hetgeen [eiseres] tijdens de comparitie naar voren heeft gebracht zal dan ook in de beoordeling worden meegenomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:38 BW kan [eiseres] , nu er geen concreet moment van terugbetaling is afgesproken, terstond nakoming verlangen, althans terugbetaling verlangen binnen de termijn die redelijkerwijs nodig is om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen.


5.5.

De enkele omstandigheid dat de in de nog onverdeelde boedel vallende vordering op [gedaagde] mogelijk in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen aan [A] zal worden toegescheiden, levert geen grond op om het terugbetalingsmoment te bepalen op het moment dat de boedel tussen [eiseres] en [A] daadwerkelijk verdeeld is. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:15 lid 2 BW heeft [eiseres] als deelgenoot van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap immers ook recht op terugbetaling van het geldbedrag aan de boedel.


5.6.

Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:15 lid 3 BW kan haar evenmin baten. [gedaagde] is bekend met het feit dat [eiseres] (uiteindelijk) onder algehele gemeenschap van goederen getrouwd was met [A] . Degene die het geldbedrag aan [gedaagde] ter beschikking stelde, zijnde dezelfde heer [A] , was destijds immers ook de (indirect) bestuurder van [gedaagde] en is thans nog steeds (indiect) bestuurder van [gedaagde] .


5.7.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is ook het beroep van [gedaagde] op de redelijkheid en billijkheid en het beroep op opschorting kansloos. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd kan namelijk wel aan de (ontbonden) gemeenschap worden terugbetaald indien en voor zover het geldbedrag op één van de nog bestaande gezamenlijke rekeningen van [eiseres] en [A] wordt overgemaakt. Ook de omstandigheid dat, zoals het door [gedaagde] is verwoord, [gedaagde] er bezwaar tegen heeft dat zij betrokken wordt in een echtscheidingsruzie betekent niet dat de op [gedaagde] rustende terugbetalingsverplichting moet worden opgeschort. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel leiden zijn niet gesteld.


5.8.

Slotsom is dat het geldbedrag opeisbaar is door [eiseres] namens de gemeenschap. Nu vaststaat dat het geldbedrag bedoeld ter beschikking was gesteld in het kader van de financiering van het zeiljacht en [A] op de comparitie heeft medegedeeld dat het zeiljacht inmiddels is afgebouwd, wordt een betalingstermijn van vier weken redelijk geacht. De vordering van [eiseres] is dan ook in na te melden zin toewijsbaar, waarbij tevens rekening zal worden gehouden met de door [eiseres] ter comparitie gedane mededeling dat het geldbedrag op een van de ‘heel veel’ nog bestaande gezamenlijke rekeningen van [eiseres] en [A] gestort moet worden.


5.9.

Hetgeen partijen hebben gesteld over de door [eiseres] op de comparitie gestelde alternatieve grondslagen van de vordering (terugbetaling uit hoofde van verbruiklening, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking) behoeft geen nadere bespreking.


5.10.

De gevorderde rente over de hoofdsom zal in na te melden zin worden toegewezen, nu de vordering tot betaling van de geldsom niet eerder opeisbaar was.


5.11.

De door [eiseres] gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.024,92 voor verschotten en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 894,00).


5.12.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht (restant) 315,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.197,19


6De beoordeling in reconventie

6.1.

Op grond van hetgeen in conventie is overwogen over de toewijsbaarheid van de vordering, is er geen grond om in reconventie de vordering tot opheffing van de door [eiseres] gelegde (conservatoire) beslagen toe te wijzen.


6.2.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 447,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 894,00).


7De beslissing

De rechtbank


in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 89.276,00 (negenentachtig duizendtweehonderdzesenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 17 mei 2017 tot de dag van volledige betaling,


7.2.

[gedaagde] dient voormeld bedrag over te maken op een door [eiseres] aan [gedaagde] nog op te geven gezamenlijke rekening van [eiseres] en [A] ,


7.3.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.918,92,


7.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.197,19,


7.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.7.

wijst de vorderingen af,


7.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 447,00,


7.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.

1 TS