Rechtbank Midden-Nederland, 26-04-2017 / C/16/406894 / HA ZA 16-2


ECLI:NL:RBMNE:2017:1991

Inhoudsindicatie
Samenwerkingsverband tussen drie zelfstandige klusjesmannen A,B en C, waarbij B en C aan opdrachtgevers factureerden en de opbrengst onder hen drieën verdeelden na ontvangst van betaling door een opdrachtgever, onder aftrek van namens A, B en C gemaakte kosten. A had dus steeds een vordering op B en C onder de opschortende voorwaarde van betaling door of namens de opdrachtgever. A moet zich voor één opdracht bij akte uitlaten over de vraag of door of namens de opdrachtgever is betaald aan B en C.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-26
Publicatiedatum
2017-05-15
Zaaknummer
C/16/406894 / HA ZA 16-2
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/406894 / HA ZA 16-2


Vonnis van 26 april 2017


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.R. Jonkman te Utrecht,


tegen


1 [gedaagde sub 1] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat aanvankelijk mr. H. Kroon te Hilversum, thans zonder advocaat.



Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de rolbeslissing van 18 januari 2017
  • - de akte van [eiser] van 15 februari 2017.

1.2.

Kort voordat in deze zaak de comparitie zou plaatsvinden (9 november 2016) heeft mr. Kroon zich als advocaat van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] onttrokken. Hierna heeft zich schriftelijk bij de rechtbank gemeld oud-advocaat mr. [X] (hierna: mr. [X] ), met de mededeling dat hij optreedt als gemachtigde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] en dat hij zou proberen een nieuwe advocaat voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] te vinden. De zaak is toen aangehouden tot 4 januari 2017 voor het stellen van een nieuwe advocaat.

Op 4 januari 2017 heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] .


1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[gedaagde sub 2] is de vader van [gedaagde sub 1] . [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn ieder werkzaam geweest als zelfstandig klusjesman. Zij hebben jarenlang samengewerkt (hierna: het samenwerkingsverband). Daarbij verzorgde [gedaagde sub 1] de offertes aan potentiële opdrachtgevers en schakelde als dat nodig was onderaannemers in. Voor zover in verband met een opdracht materialen moesten worden aangeschaft, kocht [gedaagde sub 2] deze in. Dakreparaties en onderhoudswerkzaamheden werden gezamenlijk uitgevoerd door [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Voor zover werkzaamheden aan opdrachtgevers werden gefactureerd, werden de facturen gemaakt en verstuurd door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] . Contante betalingen van opdrachtgevers werden in ontvangst genomen door [gedaagde sub 1] /of [gedaagde sub 2] . Van elke opdracht werd de opbrengst na aftrek van de kosten door hen drieën gedeeld. Naast verdeling van de netto-opbrengst in contanten kwam het ook voor dat [eiser] voor zijn aandeel in de werkzaamheden behorend bij een opdracht een factuur stuurde aan [gedaagde sub 1] . Die facturen werden afwisselend betaald door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] .


2.2.

[eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn gezamenlijk eigenaar van een aantal zaken die zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden hebben gebruikt, zoals aanhangwagens, luchtcompressors, aggregaten, steigers en dergelijke (hierna: de gemeenschappelijke materialen).


2.3.

Mede namens [eiser] en [gedaagde sub 2] heeft [gedaagde sub 1] op 11 oktober 2010 een schriftelijke offerte uitgebracht aan mevrouw [Y] (hierna: [Y] ), woonachtig aan de [straatnaam] in [woonplaats] (hierna: de woning van [Y] ). In deze offerte is aangeboden om een aantal werkzaamheden uit te voeren tegen een prijs van € 142.000 inclusief btw.


2.4.

In 2011 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] werkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [Y] .


2.5.

In 2012 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] werkzaamheden uitgevoerd aan de [straatnaam] in [woonplaats] , de [straatnaam] in [woonplaats] en de [straatnaam] in [woonplaats] (hierna: de werkzaamheden uit 2012).


2.6.

In mei 2013 is [eiser] gestopt met zijn werkzaamheden als klusjesman.


2.7.

Op 5 september 2013 heeft [eiser] voor zijn aandeel in de werkzaamheden aan de woning van [Y] een factuur gestuurd aan [gedaagde sub 1] voor een bedrag van € 15.000 inclusief btw, met een betalingstermijn van 14 dagen.


2.8.

Op 5 september 2013 heeft [eiser] voor zijn aandeel in de werkzaamheden uit 2012 een factuur gestuurd en [gedaagde sub 1] voor een bedrag van € 5.000 inclusief btw, met een betalingstermijn van 14 dagen.


2.9.

In een brief van [gedaagde sub 1] aan de advocaat van [eiser] van

14 juli 2014 (hierna: de brief van 14 juli 2014) staat dat het (1/3) aandeel van [eiser] in de gemeenschappelijke materialen op dat moment € 7.213 waard was. Ook staat in deze brief dat [eiser] diverse kosten, waaronder kosten voor de werkzaamheden aan de woning van [Y] , moet betalen.


2.10.

In een document gedateerd 16 november 2015, met als titel ‘schuldverklaring’, staat dat de heer [Z] (hierna: [Z] ), woonachtig in [woonplaats] , Zwitserland, de echtgenoot is van [Y] , dat [Y] voor de werkzaamheden aan haar woning een restschuld heeft van € 135.000 aan ‘ [bedrijfsnaam] ’ en dat [Z] dat bedrag voor [Y] in één keer of in termijnen zal betalen zodra hij daartoe, vanwege nakoming van derden jegens hem, in staat is. Dit document is, behalve door [Z] , ook ‘ter legalisatie’ en ‘voor ondersteuning’ ondertekend door mr. [X] .


2.11.

Bij brief van 2 januari 2017 aan de rechtbank heeft mr. [X] meegedeeld dat het hem nog niet was gelukt een nieuwe advocaat te vinden voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Ook staat in deze brief :


‘[…] 3. Het is mij bekend, dat [Z] op 23 december onderweg was en vanwege gelijktijdige lekkage van twee voorbanden van zijn Mercedes, in een probleem terechtkwam met noodzaak tot terugkeer naar [woonplaats] Zwitserland. 4. Hij heeft mij laten weten dit ongeluk te hebben overleefd, in dank daarvoor, en komende week naar Nederland te zullen afreizen met de geldmiddelen die [achternaam] in diens garantie van € 15.000 jegens [eiser] behoeft. […]’


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na eiswijziging samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , uitvoerbaar bij voorraad:


tot betaling aan [eiser] van € 20.000 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente hierover met ingang van 20 september 2013

primair tot betaling van € 7.213 aan [eiser] als vergoeding voor de waarde van zijn aandeel in de gemeenschappelijke materialen, subsidiair tot medewerking aan de verdeling van die gemeenschap van goederen, zodanig dat [eiser] materialen ontvangt met een totale waarde van zijn aandeel in die gemeenschap, of dat hij een geldbedrag ontvangt ter hoogte van de waarde van zijn aandeel in die gemeenschap

tot vergoeding van de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente als niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.


3.2.

Aan vordering onder a) legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hun verplichting om na na het verrichten van werkzaamheden tussen hen drieën af te rekenen, moeten nakomen. Aan vordering b) legt [eiser] ten grondslag zijn recht tot het vorderen van verdeling van een gemeenschap van goederen op grond van artikel 3:178 BW.


3.3.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in vordering a) en tot aanhouding van de zaak wat betreft vordering b), in afwachting van een comparitie, mediation of een schikking, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Met betrekking tot de vordering van [eiser] van € 20.000 betogen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] het volgende. Voor het opeisbaar worden van een vordering van [eiser] op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] is het noodzakelijk dat zij voldoende bij de opdrachtgever kunnen incasseren, zoals dat in het verleden ook gebeurde. Voor de werkzaamheden aan haar woning moet [Y] nog

€ 135.000 betalen, zodat [eiser] een vordering heeft op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van € 15.000, onder de opschortende voorwaarde dat de openstaande schuld van [Y] aan hen wordt voldaan. De vordering van [eiser] ter hoogte van € 5.000 voor de werkzaamheden uit 2012 is opeisbaar. Voor zover wordt aangenomen dat de hele vordering van € 20.000 opeisbaar is beroepen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zich op verrekening in verband met een hogere vordering op [eiser] .


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

De vordering van [eiser] van € 5.000 is door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] erkend. Gelet op de betalingstermijn die is vermeld op de daarop betrekking hebbende factuur (zie 2.8), is deze vordering opeisbaar geworden op 20 september 2013.


4.2.

Wat betreft de vordering van [eiser] van € 15.000 voor zijn aandeel in de werkzaamheden aan de woning van [Y] gaat het om de vraag of deze opeisbaar is. De rechtbank gaat ervan uit dat er niet voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een verplichting is ontstaan tot betaling aan [eiser] , zodra het samenwerkingsverband een opdracht voor een klant had afgerond. [eiser] was namelijk niet in loondienst bij [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] en er was ook geen sprake van dat [eiser] recht had op voorschotten, ook al heeft hij mogelijk een of meer voorschotten gekregen. [eiser] kreeg dus in alle gevallen pas een recht op betaling nadat [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] een (deel)betaling van een opdrachtgever had ontvangen, onder aftrek van zijn aandeel in de kosten van het samenwerkingsverband. Zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] heeft in het verleden facturen van [eiser] betaald en zij hebben ook niet betwist dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen van [eiser] . Na de afronding van de werkzaamheden aan de woning van [Y] heeft [eiser] dus een vordering op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gekregen, onder de opschortende voorwaarde van betaling door of namens [Y] aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van (een deel van de) de aanneemsom.


4.3.

Uit de brief van mr. [X] van 2 januari 2017 (zie 2.11), bezien in samenhang met het door [Z] op 16 november 2015 ondertekende document (zie 2.10), kan worden afgeleid dat het de bedoeling was dat [Z] kort na 2 januari 2017 naar Nederland zou komen met geld, kennelijk in contanten, om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] te betalen ter voldoening van de schuld van [Y] . Als dit is gebeurd is daarmee de aan het slot van 4.2 bedoelde opschortende voorwaarde in vervulling gegaan en is de vordering van € 15.000 van [eiser] op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] opeisbaar geworden. Of betaling aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] door of namens [Y] heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank echter op grond van de stellingen van partijen op dit moment niet aannemen. In verband hiermee zal [eiser] zich bij akte mogen uitlaten over de vraag of de opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan. Aangezien [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] geen advocaat meer hebben zullen zij hierna geen antwoordakte mogen nemen.


4.4.

Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank


5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 10 mei 2017 voor het nemen van een akte door [eiser] over de vraag of de opschortende voorwaarde in vervulling is gegaan (zie 4.3), waarna [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] niet in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte in te dienen,


5.2.

houdt alle overige beslissingen aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.

1 type: JvdB/4223 coll: RS/4234