Rechtbank Midden-Nederland, 31-03-2017 / C/16/433842 / KL ZA 17-81


ECLI:NL:RBMNE:2017:2079

Inhoudsindicatie
Executiegeschil. Bevoegdheidsvraag. Door gedaagden is beslag gelegd op de volledige uitkering van eiser, omdat eiser in het buitenland woont. Noodtoestand door eiser niet aangetoond. Vordering afgewezen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-31
Publicatiedatum
2017-05-18
Zaaknummer
C/16/433842 / KL ZA 17-81
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Lelystad


zaaknummer / rolnummer: C/16/433842 / KL ZA 17-81


Vonnis in kort geding van 31 maart 2017


in de zaak van


[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , Turkije,

eiser,

advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam,


tegen


1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,


2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

advocaat mr. J.A. Neslo te Almere.



Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding d.d. 3 maart 2017 met 2 producties
  • - het faxbericht d.d. 15 maart 2017 van [eiser] met de vertaling van 4 bijlagen
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde sub 1] zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk is [gedaagde sub 2] geboren. Bij beschikking van [1997] is de echtscheiding tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] uitgesproken. Deze beschikking is op [1997] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


2.2.

Bij beschikking van 7 september 2000 is door de rechtbank bepaald dat [eiser] met ingang van 19 juli 2000 aan [gedaagde sub 1] maandelijks een bijdrage van fl. 500,- is verschuldigd ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [gedaagde sub 2] . De alimentatieverplichting is per 27 mei 2015 geëindigd.


2.3.

[eiser] is op enig moment naar Turkije verhuisd en is daar op dit moment woonachtig met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen. [eiser] is thans 47 jaar oud.


2.4.

[eiser] ontvangt een uitkering van de Sociale Verzekeringsbank ter hoogte van circa € 606,00 netto per maand (hierna: de uitkering). Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) heeft in december 2016 namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beslag gelegd op de volledige uitkering van [eiser] .


2.5.

[eiser] heeft op 23 februari 2017 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam, sector kanton ter vaststelling van een beslagvrije voet ex artikel 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).


3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de door gedaagden ingezette executiemaatregelen te schorsen, althans gedaagden te veroordelen om de door hen ingezette executiemaatregelen binnen 24 uur na het vonnis te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij hiermee in gebreke blijven, waarbij wordt verzocht gedaagden aangaande betaling van te verbeuren dwangsommen hoofdelijk te veroordelen. Tevens vordert [eiser] gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.


3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en verzoeken tot afwijzing van de vordering over te gaan.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Nu [eiser] in het buitenland woonachtig en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 24 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012), nu het onderhavige geschil gaat over een onderwerp dat tot de exclusieve bevoegdheid van de Nederlands rechter behoort.


4.2.

Ook de vraag of de voorzieningenrechter relatief bevoegd is om van het geschil kennis te nemen kan op grond van artikel 438 jo artikel 99 lid 1 Rv bevestigend beantwoord worden nu gedaagden woonplaats hebben in [woonplaats] .


4.3.

Ten aanzien van het toepasselijk recht hebben partijen ter zitting verklaard dat Nederlands recht van toepassing is. De voorzieningenrechter zal de vordering derhalve volgens het Nederlands recht beoordelen.


4.4.

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering is de voorzieningenrechter voldoende gebleken.


4.5.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] dat hij en zijn gezin voor hun levensonderhoud volledig afhankelijk zijn van de uitkering. Zowel [eiser] als zijn echtgenote hebben geen andere inkomstenbron. Volgens [eiser] zijn de kosten van levensonderhoud in Turkije niet veel lager dan in Nederland. De behoeftigheidsgrens van een gezin van vier personen bedraagt in Turkije circa € 1.270,- per maand. [eiser] stelt voorts dat hij een zwaarwegend belang heeft bij de opheffing van het beslag, omdat hij en zijn gezin financieel en sociaal zwaar worden getroffen door het gelegde beslag. Het belang van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moet daarvoor wijken nu het niet gaat om een lopende alimentatieverplichting, maar ziet op een betalingsachterstand die in het verleden is ontstaan.


4.6.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ter zitting betoogd dat [eiser] uit hoofde van zijn alimentatieverplichting jegens [gedaagde sub 2] er alles aan moet doen om aan deze verplichting te voldoen, waarbij van hem verwacht mag worden dat hij dusdanige beslissingen neemt die geen afbreuk doen aan zijn alimentatieverplichting. [eiser] is echter al vanaf het allereerste moment dat hij alimentatie verschuldigd was met de (tijdige) betaling daarvan in gebreke gebleven. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen voorts vraagtekens bij de stelling van [eiser] dat hij buiten de uitkering geen andere inkomstenbronnen heeft nu [eiser] zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] werkt de echtgenote van [eiser] als boekhoudster bij een groot bedrijf en heeft [eiser] ook zelf een baan. Daarbij komt dat [eiser] al enkele jaren in Turkije woont en hij klaarblijkelijk nimmer de behoefte heeft gehad dan wel de noodzaak heeft gevoeld om te verzoeken om een wijziging c.q. nihilstelling van de kinderalimentatie. Als hij al die jaren daadwerkelijk onder de armoedegrens leefde dan lag dit wel in de lijn der verwachting. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn er dan ook niet van overtuigd dat de verzoekschriftprocedure tot vaststelling van een beslagvrije voet die [eiser] heeft geëntameerd een positief resultaat zal opleveren.


4.7.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is beslag gelegd op basis van een onherroepelijke beschikking van 7 september 2000. Uitgangspunt is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van deze beschikking. Om de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking te schorsen kan [eiser] een executiegeschil aanhangig maken bij de voorzieningenrechter op de voet van artikel 438 lid 2 Rv. Voor schorsing van de tenuitvoerlegging is slechts plaats indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, NJ 1984/145).


4.8.

Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat de beschikking van 7 september 2000 op een juridische of feitelijke misslag heeft berust.


Evenmin is gebleken van na deze beschikking opgekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand hebben doen ontstaan. [eiser] stelt weliswaar dat hij ruim onder de in Turkije geldende behoeftigheidsgrens van circa € 1.270,- leeft, maar – wat daar verder ook van zei – hij laat na om enig inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie door bijvoorbeeld het overleggen van bankafschriften en dergelijke. De voorzieningenrechter kan dan ook niet vaststellen dat hij behoudens de uitkering niet over andere inkomsten beschikt. De verklaring van onvermogen (productie 1, bijlage 6, dagvaarding) baat hem in dit verband niet, nu hierin niets anders staat vermeld dan dat hij zelf heeft verklaard dat hij niet beschikt over enige vorm van vermogen. Daaruit blijkt echter geenszins dat ook daadwerkelijk sprake is van onvermogen van [eiser] . Ook heeft [eiser] , behoudens zijn huurverplichting, geen enkel inzicht gegeven in zijn uitgavenpatroon waaruit kan worden opgemaakt dat hij deze niet kan voldoen en dat deze betalingen voor dienen te gaan op zijn alimentatieverplichtingen. Hij heeft slechts volstaan met de algemene stelling dat hij een gezin van vier moet onderhouden waarvan twee schoolgaande kinderen. De gestelde huurachterstand en bij familie en vrienden aangegane leningen om te kunnen voorzien in zijn primaire levensbehoeften zijn niet met stukken onderbouwd. Het bestaan van een noodtoestand aan de zijde van [eiser] is daarom niet komen vast te staan.


4.9.

De stelling van [eiser] dat de lopende verzoekschriftprocedure tot het vaststellen van een beslagvrije voet kansrijk is, is voor het toepasselijke toetsingskader niet relevant, omdat de voorzieningenrechter niet kan vooruitlopen op dat verzoek. Gelet op het beperkte toetsingskader van een executiegeschil heeft de voorzieningenrechter niet de ruimte om een inhoudelijk oordeel te geven over de slagingskans van het verzoek tot vaststelling van een beslagvrije voet.


4.10.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen.


4.11.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Schormans en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.