Rechtbank Midden-Nederland, 21-04-2017 / 434326 / HA RK 17-46


ECLI:NL:RBMNE:2017:2081

Inhoudsindicatie
Wrakingszaak.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-21
Publicatiedatum
2017-04-24
Zaaknummer
434326 / HA RK 17-46
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Beslissing



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


WRAKINGSKAMER


Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 434326 / HA RK 17-46


Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

21 april 2017


op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:


[verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats] ,


en


[verzoeker 2] ,

wonende te [woonplaats] ,


en


[verzoeker 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoekers),

advocaat: mr. W.R. Jonk te Almere.


1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de door de wrakingskamer ontvangen processen-verbaal van de mondelinge behandeling op 3 maart 2017 in de zaken met parketnummers 16-243691-16, 16-243693-16 en

16-243695-16;

  • - de schriftelijke reactie van mr. A.M.M.E. Doekes – Beijnes;
  • - de schriftelijke reactie van de officier van justitie, mr. B. van Duijn.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 7 april 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).


1.3.

Bij de mondelinge behandeling zijn mr. Doekes - Beijnes en mr. Jonk verschenen. Zij hebben hun standpunten toegelicht. Mr. B. van Duijn is met bericht van verhindering niet verschenen.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.


2Het wrakingsverzoek


2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. A.M.M.E. Doekes – Beijnes als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaken met het parketnummers

16-243691-16, 16-243693-16 en 16-243695-16.

2.2.

Verzoekers hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter, nadat het horen van getuige [getuige] (hierna te noemen: [getuige] ) voorafgaand aan de zitting was toegestaan, ter zitting ten onrechte heeft besloten om haar, toen zij ter zitting niet verscheen, niet alsnog te horen. Na het horen van twee getuigen heeft de rechter het verzoek om getuige [getuige] te horen afgewezen. Volgens verzoekers is [getuige] echter als onafhankelijke getuige noodzakelijk om het beroep op noodweer van verzoekers te onderbouwen. Het verdedigingsbelang bij het horen van de getuige is daarmee gegeven en de afwijzing is dus onjuist. Met haar besluit heeft de rechter de indruk gewekt dat zij op voorhand heeft besloten op het noodweerverweer. Bovendien lijkt de rechter bij het beoordelen van het verzoek het noodzakelijkheidscriterium te hebben toegepast terwijl zij voor de zitting het criterium van het verdedigingsbelang had toegepast. De combinatie van feiten leidt aldus verzoekers tot de vrees van vooringenomenheid.


2.3.

De rechter berust niet in de wraking. In de schriftelijke reactie van 8 maart 2017, alsook tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, heeft zij aangegeven dat het hier een procesbeslissing betreft. Een dergelijke procesbeslissing kan geen grond zijn om subjectieve of objectieve vooringenomenheid jegens verzoekers te veronderstellen. In een wrakingsprocedure kan niet worden opgekomen tegen een onwelgevallige procesbeslissing. Dit laatste is de taak van een appelinstantie. Voorafgaand aan de zitting heeft geen inhoudelijk overleg over de zaak plaatsgehad noch heeft de rechter zich op enig moment, anders dan ter zitting, uitgelaten over het verdedigingsbelang. Het verdedigingsbelang bij het horen van [getuige] is ter zitting onvoldoende onderbouwd. De rechter stelt dat zij zich niet heeft uitgelaten over het wel of niet kunnen slagen van het beroep op noodweer. De motivering ter zitting kan mogelijk als beknopt zijn ervaren, maar dit kan niet leiden tot het oordeel dat dit redelijkerwijs slechts kan voortkomen uit vooringenomenheid van de rechter.


2.4.

De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat [getuige] op verzoek van mr. Jonk door hem is opgeroepen. Een verklaring van [getuige] kan naar zijn mening niet van belang zijn voor een strafrechtelijke beoordeling. Het afzien van een hernieuwde oproeping heeft verzoekers niet in hun belangen geschaad. De beslissing om al dan niet over te gaan tot het horen van een getuige is een procesbeslissing. Hiertegen staat hoger beroep open. Er is geen sprake geweest van subjectieve of objectieve vooringenomenheid. Naar de mening van de officier van justitie dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen.


3De beoordeling


3.1.

Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.


3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.


3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.


3.4.

Het is vaste rechtspraak dat de vraag of een inhoudelijke beslissing al dan niet juist moet worden geacht, zich niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer en slechts in een eventueel hoger beroep kan worden getoetst. Dit is slechts anders indien een beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.


3.5.

Naar het oordeel van de wrakingskamer doet deze situatie zich in deze zaak niet voor. [getuige] is als niet weersproken op verzoek van de raadsman door de officier van justitie als getuige opgeroepen. Er is dus geen sprake geweest van een wijziging ter zitting van het standpunt van de rechter met betrekking tot het belang van [getuige] als getuige. De rechter heeft zich ter zitting voorts niet uitgelaten over het al dan niet kunnen slagen van het noodweerverweer. De beslissing om [getuige] niet alsnog op te roepen is voorzien van een motivering die niet zodanig onbegrijpelijk is dat daaruit moet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is ten aanzien van verzoekers of ten aanzien van het noodweerverweer. Dat een procesbeslissing mogelijk gevolgen heeft voor het verweer is inherent aan een dergelijke beslissing. De feiten en omstandigheden die verzoekers ter onderbouwing van hun verzoek naar voren hebben gebracht, leveren dus geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking, ook niet wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden beschouwd.


3.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.


4De beslissing


De wrakingskamer:


4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;


4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekers, de gewraakte rechter en andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, Familie- en Jeugdrecht en de president van deze rechtbank;


4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoekers met parketnummers 16-243691-16,

16-243693-16 en 16-243695-16 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.C. Hagedoorn, voorzitter, R.M. Berendsen en

H.A. Brouwer als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.


de griffier de voorzitter






Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.